Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9880

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
200.104.052-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing; alvorens de plaatsingsmogelijkheden te verruimen dient jeugdzorg te trachten de bestaande impasse binnen de families aan de zijde van de vader en de moeder te doorbreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 27 juni 2012

Zaaknummer : 200.104.052/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-3050

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,

tegen

het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

gevestigd te Rotterdam,

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

hierna te noemen: het Leger des Heils,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.W.M. Jansen te Rotterdam.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, zijn aangemerkt:

1. [de pleegmoeder],

2. [de pleegvader],

de pleegouders van na te noemen minderjarige,

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Het Leger des Heils heeft op 20 april 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 2 april 2012 een brief van 30 maart 2012 met bijlage;

- op 3 mei 2012 een brief van 2 mei 2012 met bijlagen;

van de zijde van het Leger des Heils:

- op 24 mei 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 9 mei 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 6 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens het Leger des Heils de heer [gezinsvoogd] , bijgestaan door mevrouw mr. W.H. van Wijk, advocaat te Utrecht;

- de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 27 oktober 2011.

Bij tussenbeschikking van 27 oktober 2011 is met ingang van 30 oktober 2011 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige [naam minderjarige] geboren op [datum] 2009 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), in een vorm van pleegzorg verlengd tot 30 december 2011.

Bij bestreden beschikking is met ingang van 30 december 2011 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg (te weten een netwerkpleeggezin, bij [de pleegmoeder]) verlengd tot 30 september 2012. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts vast komen te staan dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 30 december 2011 tot 30 september 2012 in een netwerkpleeggezin.

2. De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek om een machtiging te verlenen voor uithuisplaatsing van de minderjarige in een (netwerk)pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen.

3. Het Leger des Heils bestrijdt het beroep en verzoekt het hof (in incidenteel appel), uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

1. primair: de bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover daarbij de machtiging is beperkt tot een verblijf van de minderjarige bij [de pleegmoeder] en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgegeven voor plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin en voor zover voor deze plaatsing een indicatiebesluit nodig is, de machtiging gericht zal zijn op effectuering van het indicatiebesluit en dat de bestreden beschikking voor wat betreft de duur van de machtiging wordt bekrachtigd;

2. subsidiair: de bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het door de vader meer of anders verzochte wordt afgewezen.

4. De vader stelt zich op het standpunt dat de plaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin bij [de pleegmoeder] zeer veel spanningen met zich meebrengt, ook in de relatie tussen hem en de moeder. Volgens de vader staat de familie van de moeder niet toe dat hij of zijn familie contact met de minderjarige hebben. De vader voelt zich volledig uit het leven van de minderjarige gebannen. De vader acht het voor de ontwikkeling van de minderjarige niet goed dat de minderjarige aan deze spanningen wordt blootgesteld. Verder heeft de vader ter terechtzitting nog verklaard niet bij alle belangrijke beslissen over de minderjarige te worden betrokken. Zo is de minderjarige zonder zijn medeweten van crèche gewijzigd. Ook wijst de vader erop dat hij niet is betrokken bij het onderzoek van Flexus Jeugdplein naar de mogelijkheden van een netwerkplaatsing van de minderjarige bij de oma van moederszijde. Volgens de vader is evenmin gekeken naar een netwerkplaatsing bij zijn familie. Tot slot heeft de vader verklaard onvoorwaardelijk bereid te zijn om een gesprek met alle betrokkenen, waaronder ook de oma van moederszijde, aan te gaan. Hij stelt de echtscheiding, die de moeder wil, te zullen aanvaarden. Hij respecteert de moeder als ouder en zal dat blijven doen.

5. Het Leger des Heils is van mening dat de gronden en noodzaak van een uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder dan wel een plaatsing bij de vader op dit moment niet in het belang van de minderjarige is. Volgens het Leger des Heils kampen beide ouders met de nodige persoonlijke en financiële problemen. Alvorens over een eventuele terugplaatsing van de minderjarige te kunnen beslissen dienen de ouders aan de door het Leger des Heils gestelde voorwaarden te voldoen. Zolang niet aan de voorwaarden is voldaan, acht het Leger des Heils een thuisplaatsing niet verantwoord. Verder is uit het onderzoek van Flexus Jeugdplein onder meer gebleken dat een netwerkplaatsing van de minderjarige bij de oma van moederszijde een goede optie is. Het leger des Heils is dan ook voornemens om de minderjarige bij zijn oma van moederszijde te plaatsen. Het netwerkonderzoek heeft zich alleen gericht op familie van de moeder, omdat het Leger des Heils geen signalen heeft gekregen dat een familielid van de vader bereid zou zijn de minderjarige op te vangen, aldus het Leger des Heils. Het Leger des Heils heeft de vader niet in dit onderzoek betrokken, omdat het in de veronderstelling was dat de vader geen gezag over de minderjarige heeft. Met de omstandigheid dat de vader wel het gezag heeft, tezamen met de moeder, heeft het leger des Heils geen rekening gehouden. Ter zitting van het hof heeft het Leger des Heils zich bereid verklaard om – alvorens een definitieve beslissing omtrent de plaatsing van de minderjarige te nemen – een gesprek tussen alle betrokkenen te arrangeren, waarbij alle mogelijkheden nog worden bekeken en waarbij met name zal worden getracht de impasse die er tussen de wederzijdse families is ontstaan, te doorbreken.

6. In incidenteel appel stelt het Leger des Heils dat zij in haar inleidend verzoek heeft verzocht om een machtiging in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling en daarbij heeft vermeld dat de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg. Hierbij is niet verzocht om de machtiging te beperken tot verblijf van de minderjarige in het pleeggezin van [de pleegmoeder]. Het Leger des Heils verzoekt derhalve de machtiging tot uithuisplaatsing te verruimen.

7. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij instemt met de uithuisplaatsing van de minderjarige bij [de pleegmoeder] of de oma van moederszijde. De minderjarige kan volgens haar nog niet worden teruggeplaatst, omdat de zaken aan haar kant nog niet op orde zijn. De echtscheiding is wat haar betreft definitief. Zij streeft naar een goede verstandhouding met haar (toekomstige) ex-man als ouder. Verder heeft de moeder meegedeeld dat zij graag met alle betrokkenen (vader, Leger des Heils, de oma van moederszijde en de pleegouders) een gesprek zou voeren.

8. De pleegmoeder heeft ter terechtzitting meegedeeld dat zij niet tegen contact tussen de minderjarige en zijn vader is. Vanuit het oogpunt van een nieuwe start zou de pleegmoeder wel met de vader in gesprek willen. Desgevraagd heeft de pleegmoeder zich bereid verklaard de minderjarige ook de komende zomermaanden nog op te vangen.

9. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek mag slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

10. De noodzaak tot een uithuisplaatsing is, zo blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting, aanwezig. Het verzoek van de vader betreft de plaats waar de uithuisplaatsing ten uitvoer wordt gelegd. Het verzoek van het leger des Heils beoogt verruiming van de plaatsingsmogelijkheden. Gebleken is dat er op dit moment sprake is van een tijdelijke netwerkplaatsing. Deze situatie kan niet blijven voortduren, zij het dat de huidige pleegouders duidelijk hebben gemaakt dat zij bereid blijven de minderjarige in hun gezin op te voeden zo lang een goed alternatief niet voorhanden is. Het hof is van oordeel dat het Leger des Heils op basis van de thans voorliggende onderzoeksresultaten niet zonder meer tot plaatsing van de minderjarige bij de oma van moederszijde kan besluiten. Enerzijds is gebleken dat de vader als ouder met gezag niet bij het onderzoek van Flexus Jeugdplein is betrokken, anderzijds is ook duidelijk geworden dat niet alle mogelijkheden zijn onderzocht en benut om de tussen de wederzijdse families bestaande impasse te doorbreken. Het hof merkt daarbij op dat ter zitting is gebleken dat de ouders wel op één lijn zitten, in de zin dat zij elkaar contact met de minderjarige gunnen en van hun families verwachten daarin gesteund te gaan worden. Het hof acht het derhalve niet in het belang van de minderjarige de plaatsingsmogelijkheden reeds nu uit te breiden. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

11. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Zander en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2012.