Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9823

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
200.103.210-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de vader om hem en de moeder gezamenlijk met het gezag te belasten over de minderjarige is door de rechtbank afgewezen, maar door het hof toegewezen. Het hof houdt de zaak aan voor wat betreft de regeling inzake de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 27 juni 2012

Zaaknummer : 200.103.210/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-7345

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.W. Stok te Delft.

Als belanghebbende is aangemerkt:

De familie [belanghebbende],

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: de pleegouders.

Als degene wiens/wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 5 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage.

De moeder heeft op 20 april 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 13 maart 2012 een brief van diezelfde datum;

- op 27 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;

De raad heeft bij brief van 14 maart 2012, binnengekomen bij het hof op 15 maart 2012 zijn rapport van 14 juli 2011 aan het hof overgelegd.

De zaak is op 31 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de pleegmoeder;

- D. Bernds, namens Jeugdzorg;

- J.J. de Kok namens de raad.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De minderjarige [...], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van rechtbank ’s-Gravenhage van 12 januari 2011.

Bij beschikking van 12 januari 2011 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek te verrichten ten aanzien van de minderjarige.

Bij die bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de vader:

- de vader samen met de moeder te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarige, en

primair:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal zijn, en

- een zorg- en contactregeling tussen de moeder en de minderjarige vast te stellen, welke de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

subsidiair:

- een zorg- en contactregeling tussen de minderjarige en de vader vast te stellen inhoudende dat de minderjarige een weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij hem zal verblijven;

- alsmede te bepalen dat de minderjarige de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader zal verblijven,

afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van de minderjarige en de omgang van de vader met de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- te bepalen dat de vader samen met de moeder wordt belast met het gezamenlijk gezag over de minderjarige;

- een omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader vast te stellen inhoudende dat de minderjarige een weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij hem zal verblijven, alsmede dat de minderjarige de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader zal verblijven, dan wel een zodanige omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader vast te stellen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen als zijnde niet gegrond.

4. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder reeds lange tijd niet meer in staat is het feitelijk gezag over de minderjarige uit te oefenen. Doordat de vader niet mede met het gezag over de minderjarige is belast, wordt hij nauwelijks door de behandelaars of de gezinsvoogd betrokken bij ontwikkelingen rondom de minderjarige, laat staan dat hij daarin een rol kan spelen. De vader moet zelf steeds trachten informatie te krijgen van Jeugdzorg. De vader is van mening dat zowel de minderjarige als de pleegouders de ernst van de problematiek van de minderjarige niet inzien, nu zij van mening zijn dat de minderjarige zich goed ontwikkelt. Zij hebben de behandeling van de minderjarige gestaakt, ondanks dat uit rapportages van de Jutters en de raad blijkt dat de minderjarige langdurige behandeling nodig heeft. De vader meent dat indien hij mede met het gezag belast is, hij ertoe kan bijdragen dat de minderjarige wel de behandeling krijgt die hij nodig heeft en dat hij hem dan kan ondersteunen in zijn ontwikkeling.

Ten aanzien van de omgang stelt de vader zich op het standpunt dat de door hem verzochte omgangsregeling niet van de een op de andere dag gerealiseerd kan worden, maar dat contactherstel geleidelijk aan tot stand moet komen. De vader meent dat indien de minderjarige begeleid zou worden, hij uiteindelijk zelf weer open zou komen te staan voor contact met zijn vader.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de verzoeken van de vader op goede gronden heeft afgewezen. Ter zitting heeft haar advocaat verklaard dat de communicatie tussen de vader en de moeder slecht is en de betrokken instellingen negatief geadviseerd hebben betreffende omgang.

6. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij van mening is dat het niet zo kan zijn dat de minderjarige het helemaal voor het zeggen heeft. De minderjarige dient aangestuurd te worden. De raad wil de vader niet buiten spel zetten. De raad vindt het belangrijk dat de vader goed geïnformeerd is. De raad heeft zijn zorgen geuit over het afbreken van de therapie door de minderjarige en ook over de zeggenschap over de minderjarige. Naar de mening van de raad dienen de pleegouders de minderjarige te stimuleren voor de therapie en dienen ze aan te geven dat de rol van de vader belangrijk is. De raad adviseert de zaak aan te houden, omdat de zaak niet de kant opgaat die hij beoogt.

7. Ter zitting stelt Jeugdzorg zich op het standpunt dat een jongen van veertien niet gedwongen kan worden contact met zijn vader te hebben. Jeugdzorg begrijpt de frustratie van de vader en informeert de vader iedere maand. Jeugdzorg is van mening dat het niet in het belang van de minderjarige is om de vader het gezag te geven, maar wil wel onderzoeken of contact mogelijk is. Bij een aanhouding van de zaak is het belangrijk een stappenplan te hebben. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat het goed is de zaak aan te houden.

8. Ter zitting heeft de pleegmoeder verklaard dat er geen contact is tussen de minderjarige en de vader. Zij houdt dit contact niet tegen, maar de minderjarige wil het zelf niet. De vader van de minderjarige heeft het gebrek aan contact zelf in de hand gewerkt. Zij laat aan de minderjarige over of hij contact wil met de vader.

Gezag

9. Het hof overweegt ten aanzien van het gezag als volgt. Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

10. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd blijken geen feiten en omstandigheden die een onaanvaardbaar risico meebrengen dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders. Het rapport van de raad van de kinderbescherming van 21 juli 2011 zal het hof passeren. Het feit dat de communicatie tussen de beide ouders moeizaam verloopt is geen rechtsgrond om de vader mede het gezag te onthouden. Uit de mondelinge toelichting ter zitting is het hof gebleken dat de vader voldoende inzicht heeft in zijn gedrag en dat hij in staat is op een verantwoorde wijze invulling te geven aan het ouderschap. Het hof ziet aanleiding de vader samen met de moeder met het gezag te belasten.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

11. Ten aanzien van de omgang van de vader met de minderjarige overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, BW, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

12. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is om contact met de vader te hebben. Het hof acht zich echter onvoldoende voorgelicht om een oordeel te kunnen geven omtrent de invulling van de verdeling van deze taken. Het hof zal daarom de zaak aanhouden voor wat betreft de regeling inzake de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De zaak zal weer op zitting komen op 10 oktober 2012. Het hof verzoekt Jeugdzorg uiterlijk veertien dagen voor deze datum aan te geven hoe de omgang dient te worden opgestart.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vader en de moeder het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats], voortaan gezamenlijk uitoefenen;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage;

heropent het onderzoek voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

verzoekt Jeugdzorg uiterlijk 26 september 2012 aan te geven hoe het contact tussen de minderjarige en de vader weer opgestart en vormgegeven kan worden;

houdt de behandeling van de zaak aan tot de zitting van 10 oktober 2012 te 9.00 uur;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Labohm en Roelvink, bijgestaan door

mr. Massmann als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2012.