Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9497

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
200.103.509-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing van een minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 23 mei 2012

Zaaknummer : 200.103.509/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 11-3316

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.A. Breetveld te ’s-Gravenhage,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden te ’s-Gravenhage,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 12 maart 2012 voor zich en voor zijn zoon [de minderjarige] in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 23 april 2012 een verweerschrift ingediend. De daarbij behorende producties zijn op 24 april 2012 bij het hof ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 19 april 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 5 april 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 25 april 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer [naam] en mevrouw [naam] namens Jeugdzorg;

- de moeder.

Voorts is aan de zijde van de vader en de moeder verschenen: de heer [naam], beëdigd tolk in de Turkse taal.

De minderjarige [naam] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum in] 1998 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige, verlengd van 18 december 2011 tot 18 december 2012 met behoud van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals voorheen bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg (het hof leest: opnieuw) gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg van 18 december 2011 tot 18 juni 2012, zulks ter effectuering van het aan die beschikking gehechte indicatiebesluit van 17 november 2011.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de vader en de moeder gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige zijn belast.

De minderjarige verblijft feitelijk in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten [naam instelling te plaats]. Daarvoor heeft de minderjarige (achtereenvolgens) verbleven bij [namen instellingen en plaatsen].

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De advocaat van de vader heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat het hoger beroep zich enkel richt tegen de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een voorziening voor gesloten jeugdzorg van de minderjarige, zodat het hof alleen dat zal beoordelen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest:) voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg van de minderjarige.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

4. De vader kan zich niet verenigen met de beslissing van de kinderrechter en voert daartoe het volgende aan. De periode tot aan 18 december 2011 (de datum waarop de eerdere machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige afliep) zou worden benut om een meer open plaatsing te realiseren in de buurt van de woonplaats van de vader en de moeder. Dit is echter niet gebeurd, waardoor het een uitzichtloze situatie voor de minderjarige is geworden. Mede hierdoor is ook het wegloopgedrag van de minderjarige ontstaan. De vader heeft de voortgezette gesloten plaatsing nog even aangezien, maar uiteindelijk heeft hij toch appel ingesteld omdat er ook in de afgelopen maanden geen voortgang in de richting van een open plaatsing is geboekt. Ter zitting heeft de vader laten weten dat hij niet begrijpt waarom de minderjarige (nog) gesloten is geplaatst. Deze plaatsing is niet in zijn belang, aldus de vader. Daarbij komt dat de afstand tussen zijn woonplaats en die van de minderjarige veel te groot is. Desgevraagd heeft de vader laten weten dat hij wenst dat de minderjarige weer thuis wordt geplaatst.

5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan. Jeugdzorg bevestigt dat door haar (eind 2010, begin 2011) het standpunt is ingenomen dat de minderjarige (weer) een kans moest krijgen tot verdere behandeling in een open instelling. Jeugdzorg heeft destijds ook daadwerkelijk actief gezocht naar een dergelijke instelling en zelfs daartoe een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingediend. Echter, vrijwel direct na dit besluit ging het slechter met de minderjarige. Hij onttrok zich voortdurend aan de zorg en aandacht van de groepsleiding en accepteerde geen gezag. De minderjarige is diverse keren in aanraking geweest met de politie vanwege brandstichting en stelen. In verband met het escalerende gedrag van de minderjarige (alsmede vanwege het feit dat de instelling waar de minderjarige destijds verbleef, te weten [naam instelling], niet langer de maatregel gesloten jeugdzorg mocht uitvoeren) was het niet langer mogelijk voor hem om te blijven bij [naam instelling]. Jeugdzorg heeft het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken en verzocht het nieuwe verzoek gesloten jeugdzorg daarvoor in de plaats te stellen. Jeugdzorg heeft de ouders in dit proces voortdurend betrokken en voorts aan hen laten weten dat er slechts een beperkt aantal mogelijkheden zijn voor gesloten plaatsing van de minderjarige, te weten [naam instelling], [namen van twee instellingen]. Ook de consequenties met betrekking tot de afstand tussen de instelling waar de minderjarige zou kunnen worden geplaatst en de woonplaats van de ouders is voorgehouden aan de vader en de moeder, aldus Jeugdzorg. Nadat de minderjarige van 6 december 2011 tot 15 januari 2012 heeft verbleven bij [naam instelling te plaats], is hij op

15 januari 2012 doorgeplaatst naar [instelling waar huidig verblijft]. De reden van deze overplaatsing was gelegen in het feit dat de minderjarige zich opnieuw had onttrokken aan de voor hem noodzakelijke zorg (met steun van de moeder). Volgens de gezinsvoogd is niet uit te sluiten dat de minderjarige zich bij [naam huidige instelling] opnieuw zal onttrekken; hij heeft dit immers al aangekondigd. Daarnaast heeft hij laatst twee groepsgenoten geholpen zich te onttrekken waarbij de minderjarige gewond is geraakt. Het verband dat de vader legt tussen de overplaatsing van de minderjarige naar een gesloten instelling en het wegloopgedrag van de minderjarige bestrijdt Jeugdzorg. Volgens Jeugdzorg was dit wegloopgedrag namelijk al aanwezig ten tijde van het verblijf van de minderjarige bij [naam instelling]. Hoewel Jeugdzorg blijft streven naar een open plaatsing, is zij van mening dat een dergelijke plaatsing thans nog niet aan de orde kan zijn (te minder nu de ouders de behandeling van de minderjarige hebben getraineerd door niet hun medewerking te verlenen aan het opgestelde behandelplan voor de minderjarige).

6. De moeder heeft ter terechtzitting laten weten dat zij graag ziet dat de minderjarige in de omgeving van haar woonplaats wordt geplaatst in een open instelling. Op die wijze kan zij hem vaker en gemakkelijker (zonder daarbij al te hoge kosten te hoeven maken) bezoeken. De moeder heeft voorts te kennen gegeven veel last te hebben van de gehele situatie. Desgevraagd heeft de moeder verklaard dat zij het liefste ziet dat de minderjarige weer thuis komt wonen.

7. De minderjarige heeft tijdens het verhoor in raadkamer te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Hij heeft echter wel moeite met het feit dat hij zijn ouders - vanwege de geografische afstand - zo weinig ziet.

8. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg kan een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

9. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de verlenging van het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of door anderen daaraan zal worden onttrokken. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de minderjarige, ondanks diverse gesprekken en waarschuwingen, in het recente verleden meerdere keren is weggelopen uit de instellingen waar hij verbleven heeft. Ook thans nog dreigt hij zich te onttrekken. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg in belangrijke mate meer kan profiteren van de aangeboden hulpverlening dan vanuit een open instelling of de thuissituatie. Gebleken is dat de minderjarige – vanwege zijn forse gedragsproblematiek – is aangewezen op een beschermende en duidelijke opvoedomgeving waarbinnen hij begrensd wordt waar nodig en vrijheid geniet wanneer dat kan; de minderjarige moet kunnen weten waar hij aan toe is. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat de kritische houding van de ouders ten opzichte van de hulpverlening en de omstandigheid dat de moeder de minderjarige steunt in het zich onttrekken aan de voor hem noodzakelijke hulp, de minderjarige versterkt in zijn verzet tegen de hulpverlening die hij nodig heeft, hetgeen niet in zijn belang is.

10. Uit het voorgaande volgt dat de plaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting is vereist wegens ernstige gedragsproblemen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

11. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Van Dijk en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.