Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9388

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
22-004702-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:351, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is als bestuurster van een auto, terwijl zij onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, te weten 885 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, verkeerde, slingerend over de weg gereden en is na het nemen van een rotonde op de voor haar verkeerde weghelft terechtgekomen. Op deze weghelft reden het slachtoffer en zijn vriend op de motor. Het slachtoffer heeft een noodremming in moeten zetten en de verdachte is met haar auto tegen de motor van het slachtoffer gebotst. Het slachtoffer - een jonge man in de bloei van zijn leven - is ten gevolge van het ongeval om het leven gekomen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.

Daarnaast ontzegt het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004702-11

Parketnummer(s): 09-607988-10

Datum uitspraak: 27 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag]1945,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Tevens is haar de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vijf jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

zij op of omstreeks 01 oktober 2010 te Nieuwkoop als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Nieuwveenseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- zij, verdachte, heeft gereden terwijl zij onder invloed van alcoholhoudende drank was (885 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

- zij, verdachte, heeft onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en/of de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft zij slingerend over de weg gereden en/of niet voldoende rechts gehouden, althans niet adequaat gereageerd, waardoor zij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen en/of - (vervolgens) heeft zij, verdachte, een haar op de Nieuwveenseweg tegemoetkomende motorrijder niet (tijdig) gezien, waardoor die motorrijder een noodremming heeft moeten inzetten, althans (zeer) krachtig heeft moeten remmen en/of

- is zij, verdachte, met de door haar bestuurde personenauto tegen die motorrijder gebotst, waardoor die motorrijder [naam slachtoffer] werd gedood, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2:

zij op of omstreeks 01 oktober 2010 te Nieuwkoop als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 885 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

zij op 01 oktober 2010 te Nieuwkoop als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Nieuwveenseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, als volgt te handelen:

- zij, verdachte, heeft gereden terwijl zij onder invloed van alcoholhoudende drank was (885 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en

- zij, verdachte, heeft onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft zij slingerend over de weg gereden en niet voldoende rechts gehouden, waardoor zij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen en

- vervolgens heeft zij, verdachte, een haar op de Nieuwveenseweg tegemoetkomende motorrijder niet (tijdig) gezien, waardoor die motorrijder een noodremming heeft moeten inzetten, en

- is zij, verdachte, met de door haar bestuurde personenauto tegen die motorrijder gebotst, waardoor die motorrijder [naam slachtoffer] werd gedood, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2:

zij op 01 oktober 2010 te Nieuwkoop als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 885 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gevoerd verweer

Bij pleidooi heeft de raadsman bepleit dat, nu de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zou hebben gezien dat de verdachte in een bocht niet meestuurde en op de linkerweghelft reed met als gevolg een aanrijding, terwijl dit blijkens de in het dossier voorhanden zijnde foto's en plattegrond niet aannemelijk is, aan de verdachte enkel kan worden verweten dat zij, naast het rijden onder invloed van alcohol, na de vrij scherpe bocht onvoldoende rechts heeft gehouden. Mitsdien leveren de gedragingen van de verdachte niet zodanig ernstige fouten op dat het rijgedrag kan worden aangemerkt als roekeloos, aldus de raadsman.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als roekeloos, in de zin van de zwaarste gradatie van schuld. De verdachte heeft onder invloed van alcohol, te weten 885 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht -ruim viermaal de toegestane hoeveelheid-, zodanig aan het verkeer deelgenomen dat daardoor - zoals ook uit haar rijgedrag voorafgaand aan het fatale ongeval is gebleken - geen sprake meer kon zijn van voldoende bewustzijn en alertheid bij deelname aan het verkeer. Uit het gedurende de vroege ochtend en kort voor het deelnemen aan het verkeer innemen van een forse hoeveelheid alcohol, de ernstige tekortkomingen aan de manier waarop zij aan het verkeer heeft deelgenomen in combinatie met de algemene ervaringsregel dat iedere automobilist moet weten dat dit samenstel van factoren onaanvaardbare risico's met zich brengt, leidt het hof met de rechtbank af dat de verdachte door desalniettemin aan het verkeer deel te nemen welbewust zodanig onaanvaardbare risico's heeft genomen dat haar rijgedrag als roekeloos moet worden aangemerkt.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden ontzegd voor de duur van vijf jaren en heeft zij opheffing van het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis gevorderd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is als bestuurster van een auto, terwijl zij onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, te weten 885 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, verkeerde, slingerend over de weg gereden en is na het nemen van een rotonde op de voor haar verkeerde weghelft terechtgekomen. Op deze weghelft reden het slachtoffer en zijn vriend op de motor. Het slachtoffer heeft een noodremming in moeten zetten en de verdachte is met haar auto tegen de motor van het slachtoffer gebotst. Het slachtoffer - een jonge man in de bloei van zijn leven - is ten gevolge van het ongeval om het leven gekomen. De verdachte heeft door op de bewezen verklaarde wijze te handelen aan de nabestaanden van het slachtoffer onvoorstelbaar en welhaast ontroostbaar verdriet toegebracht, zoals ook is gebleken uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen. Door haar handelen heeft de verdachte bovendien de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. De verdachte heeft haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer -voor een enkel bezoek aan de kapper op ongeveer vijf kilometer van haar woning- op uiterst laakbare wijze miskend.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een reclasseringsadvies van GGZ Palier Den Haag d.d. 28 februari 2011 en een Pro Justitia rapport d.d.

27 januari 2011 opgemaakt door drs. E.E. Slovácek-Enzerink, GZ psycholoog. Geadviseerd wordt onder andere een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met een behandelingsverplichting.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat zij na een aanzienlijke hoeveelheid alcohol te hebben genuttigd een auto is gaan besturen, dit terwijl zij, minstgenomen gelet op haar leeftijd alsmede haar ervaringen met een drankprobleem in het verleden, moet weten wat de gevolgen kunnen zijn van het rijden onder invloed van alcohol in een auto. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden na het nuttigen van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol in de auto te stappen.

In beginsel acht het hof de in eerste aanleg opgelegde straf en de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.

In verband met de navolgende omstandigheden komt het hof evenwel tot een lagere straf.

De verdachte is kort na het fatale ongeval gestart met een behandeling bij De Wit Consultancy, teneinde te komen tot een volledige alcohol abstinentie. Blijkens de door de raadsman overgelegde brief d.d. 8 september 2011 van A.N. de Wit heeft de verdachte deze behandeling succesvol afgerond en, naar eigen zeggen, heeft zij na 1 oktober 2010 geen druppel alcohol meer gedronken. Voorts heeft zij na 1 oktober 2010 geen auto meer bestuurd en gaat zij voor haar werk en/of behandeling met het openbaar vervoer.

Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ervan blijk heeft gegeven dat zij de ernst van het door haar toegebrachte leed inziet én dat zij hieronder gebukt gaat.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarnaast acht het hof, met name uit het oogpunt van verkeersveiligheid, voor het onder 1 bewezen verklaarde feit een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, als nader te bepalen in het dictum, evenzeer een alleszins passende en geboden strafrechtelijke reactie.

Het hof zal de vordering tot opheffing van het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte afwijzen. Het hof acht het opheffen van het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op dit moment niet opportuun. Het hof heeft daarbij mede acht geslagen op de geruime tijd die is verstreken sedert de invrijheidstelling van de verdachte op 26 november 2010.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland, unit Den Haag en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien deze voorschriften en aanwijzingen inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij De Wit Consultancy te Amsterdam of een andere soortgelijke instelling, zolang deze instelling dit nodig vindt.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. S.A.J. van 't Hul en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 juni 2012.