Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9369

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
200.099.661-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap; overschrijding van de één jaartermijn van artikel 1:200 lid 5 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 9 mei 2012

Zaaknummer : 200.099.661/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 11-484

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. M. Wiersma, thans mr. S. Scheimann te Rotterdam

tegen

[de moeder], wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. E. Keijzerwaard, advocaat,

kantoorhoudende te Rotterdam,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [datum] 2004 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: de bijzondere curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 oktober 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De bijzondere curator heeft op 22 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 30 januari 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 22 maart 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 4 april 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de bijzondere curator.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de minderjarige.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontkenning van het vaderschap van de man over de minderjarige.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw beschikkende het verzoek strekkende tot ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren, kosten rechtens.

3. De bijzondere curator bestrijdt zijn beroep en adviseert het hof het verzoek van de man niet ontvankelijk te verklaren dan wel dit af te wijzen.

4. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zijn verzoek tot ontkenning van het vaderschap ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. Hij is van mening dat aan de in artikel 1:200 lid 5 BW genoemde termijn voorbij dient te worden gegaan, omdat het handhaven van de termijn een ongerechtvaardigde inbreuk in zijn gezinsleven oplevert. Dit is een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus de man. De man wenst verstoken te blijven van een (juridisch) gezinsleven met een kind met wie hij feitelijke geen enkele vorm van gezinsleven onderhoudt. Voorts is het niet in het belang van de minderjarige om een juridische vader te hebben met wie hij nooit enig contact heeft gehad en naar redelijke verwachting nooit zal hebben, aldus de man. Ter zitting van het hof heeft de man nog gesteld dat er geen enkel belang is gediend bij handhaving van de termijnstelling. Volgens de man beschermt de termijn niet de belangen van de minderjarige en wordt ook de rechtszekerheid niet geschaad bij de overschrijding van de termijn.

5. De bijzondere curator is – gezien de overschrijding van de termijn van artikel 1:200 lid 5 BW en het belang van de minderjarige om voor zichzelf een oordeel te kunnen vormen over de ontkenning van het vaderschap – van mening dat het verzoek niet van de man niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen. De bijzondere curator heeft ter terechtzitting nog verklaard dat de biologische vader de minderjarige niet wil erkennen.

6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:200 lid 5 BW kan een verzoek tot ontkenning van het vaderschap door de man worden ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.

7. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat de man al jaren, in ieder geval meer dan een jaar voordat hij het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de minderjarige bij de rechtbank heeft ingediend, bekend is geworden met het feit dat hij niet de biologische vader is van de minderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij reeds vóór de geboorte van de minderjarige wist dat de moeder in verwachting was van een ander. Nu de man zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap pas op 7 februari 2011 – ruim 7 jaar na de geboorte van de minderjarige – bij de rechtbank heeft ingediend, heeft hij de in artikel 1:200 lid 5 BW genoemde termijn van één jaar ruimschoots overschreden. Het hof is derhalve van oordeel dat de rechtbank de man terecht niet ontvankelijk in zijn verzoek heeft verklaard.

8. Verder is het hof – anders dan de man betoogt – van oordeel dat het vasthouden aan het wettelijk vermoeden van vaderschap weliswaar een ontoelaatbare inmenging kan opleveren in het door artikel 8 EVRM beschermde “family life” van de man, maar dat deze inbreuk gerechtvaardigd is door de rechten en belangen van de minderjarige op grond van lid 2 van artikel 8 EVRM. Daarbij neemt het hof in aanmerking de jeugdige leeftijd van de minderjarige, en het gegeven dat de biologische vader de minderjarige niet wil erkennen, waarbij het hof van groot belang acht dat de termijnen ook zijn gegeven in het kader van de rechtszekerheid.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Lückers en Jansen, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2012.