Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW9003

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
200.066.689-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2010:BM1307, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

arbeid; arbeidsovereenkomst na overdracht assurantieportefeuille; retatiebeding in (uitsluitend) de arbeidsovereenkomst; schorsing relatiebeding in kort geding;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.066.689/01

Rolnummer rechtbank : 251249 VV EXPL 10-14

arrest van 12 juni 2012

inzake

[appellant],

wonende te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

tegen

Drechtstad Adviesgroep B.V., h.o.d.n. SAA Rombouts & Drechtstad,

gevestigd te Dordrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Drechtstad,

advocaat: mr. A. H. Vermeulen te 's-Gravenhage.

Het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 13 juli 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie is op 29 juli 2010 gehouden, waarna de zaak weer naar de rol is verwezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door Drechtstad bij memorie van antwoord (met productie) zijn bestreden.

Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [appellant] was van 1984 tot en met 2000 (samen met zijn echtgenote) werkzaam in de verzekeringsbranche onder de naam [appellant] Assurantiën B.V. Hij was gespecialiseerd in het verzekeren van kleine(re) (sport)vliegtuigen.

1.2 Op 4 februari 1998 verkocht [appellant] de helft van zijn verzekeringsportefeuille aan Samenwerkende Assurantie Adviseurs (SAA) Rombouts & Schalekamp B.V. en op 28 de¬cem¬ber 2000 de andere helft aan Hollands Assurantiekantoor B.V. Beide vennootschappen behoorden tot de SAA Groep Nederland. De totale koopsom bedroeg € 631.408,--.

1.3 Op 1 februari 2001 is [appellant] voor onbepaalde tijd is dienst getreden bij Hollands Assurantiekantoor B.V. als buitendienstmedewerker. Tot zijn werkzaamheden behoorden commercieel beheer, uitbreiding van de portefeuille en acquisitie van nieuwe relaties. In deze arbeidsovereenkomst was een concurrentie/relatiebeding opgenomen.

1.4 Op 1 januari 2007 is door SAA 50% van de ‘[appellant] portefeuille’ verkocht aan Drechtstad. Alle front office activiteiten werden verricht door Drechtstad en de back office activiteiten door SAA Groep.

1.5 [appellant] en Drechtstad hebben op 10 februari 2009 de (kennelijk, beide partijen gaan hiervan uit) tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst opnieuw op papier gezet met als ingangsdatum 1 januari 2009. [appellant] bleef werkzaam in dezelfde functie maar het concur¬rentie/relatiebeding werd vervangen door het volgende relatiebeding:

“Artikel P Relatiebeding

P.1 Werknemer verbindt zich zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever, zowel direct als indirect, zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst zich er van te zullen onthouden van zakelijke contacten met relaties van Werkgever te (doen) leggen en/of voor zichzelf als voor derden te bezoeken en/of te (doen) onderhouden en/of relaties ertoe te bewegen of trachten te bewegen hun contacten met Werkgever geheel of gedeeltelijk te verbreken.

Onder werkgever wordt in dit artikel verstaan Werkgever en/of een met Werkgever gelieerde onderneming en/of (onder)bemiddelaar en/of SAA-vestiging.

Onder relaties dient in dit artikel te worden verstaan die bedrijven, ondernemingen, instellingen en/of particulieren in wier opdracht, al dan niet direct, Werkgever verzekeringen heeft gesloten of soortgelijke werkzaamheden heeft verricht, alsmede die relaties of prospects aan wie Werkgever offerte heeft uitgebracht en/of van wie Werkgever een aanvraag tot het doen van een offerte heeft ontvangen, dan wel waarmee contacten waren gelegd.

P.2 Het in dit artikel bepaalde zal ook bij wijziging van de functie van Werknemer gelding behouden. Werknemer is gehouden bij eventuele wijziging van de functie op verzoek van de Werkgever wederom een gelijkluidend relatiebeding schriftelijk aan te gaan.

P.3 Na de beëindiging van de dienstbetrekking, zal Werknemer geen personeel in dienst nemen of tegen betaling werkzaamheden laten verrichten dat op enig moment in de 12 maanden voorafgaande aan die beëindiging in dienst is geweest bij Werkgever of een met Werkgever gelieerde onderneming.”

1.6 Op 21 april 2009 heeft Drechtstad voor [appellant] een ontslagvergunning aangevraagd op grond van bedrijfseconomische redenen. [appellant] heeft daartegen verweer gevoerd. De ontslagvergunning is op 21 juli 2009 verleend en de arbeidsovereenkomst is per 1 september 2009 geëindigd als gevolg van opzegging door Drechtstad.

1.7 Bij email van 9 november 2009 heeft [appellant] Drechtstad als volgt bericht:

‘(…)

Ik ben mij de afgelopen tijd aan het orienteren geweest op de arbeidsmarkt en het is me in¬mid¬dels wel duidelijk geworden dat ik niet meer aan de slag kan komen in mijn beroep. Oorzaak hiervan is het relatiebeding dat in mijn arbeidscontract bij Drechtstad adviesgroep stond. Een beding dat ook nog eens voor onbepaalde tijd is.

Je hebt mij in ons plezierige gesprek op vliegveld Lelystad van 31-08-2009 toegezegd ook rekening te zullen houden met mijn belangen. Ik doe dan ook een beroep op je en verzoek je het relatiebeding niet van toepassing te willen verklaren.

(…)’

1.8 Bij email van 16 november 2009 heeft Drechtstad als volgt op de email van [appellant] gereageerd:

‘(…)

Daarnaast is het wat ons betreft zeker niet zo, dat jij niet meer kan of mag werken in de verzekeringsbranche; er zijn immers nog genoeg vliegtuigen en Nederlanders te verzekeren, die thans niet via onze bemiddeling zijn verzekerd.

Wij kunnen echter niet afzien van het relatiebeding en de handelsnaam “[appellant] Assurantiën”; daar de portefeuille en de handelsnaam in het verleden door jou zijn verkocht en als zodanig dus behoren tot het ondernemingsvermogen.

(….)’

1.9 [appellant] heeft Drechtstad vervolgens bij dagvaarding van 11 maart 2010 in kort geding gedagvaard. Hij heeft daarbij - bij wijze van voorlopige voorziening - gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: vernieting, dan wel schorsing voor onbepaalde tijd van het tussen [appellant] en Drechtstad overeengekomen relatiebeding wegens het onredelijke karakter en de zware impact die het beding op de arbeidskeuze van [appellant] heeft;

2. subsidiair: matiging van het relatiebeding in tijdsduur tot een half jaar na uitdiensttreding nu het ontslag niet door [appellant] zelf is veroorzaakt, maar op verzoek van Drechtstad is geschied;

3. veroordeling van Drechtstad in de kosten van het geding.

1.10 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afge¬we¬zen. Naar haar oordeel is niet aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat, in verhouding tot het te beschermen belang van Drechtstad, [appellant] door het relatiebeding onbillijk wordt benadeeld. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

2.1 [appellant] kan zich blijkens de memorie van grieven met de beslissing zoals gegeven in het vonnis van de kantonrechter en de motivering daarvan, niet verenigen, reden waarom hij van die uitspraak in hoger beroep gekomen is en verzoekt dit vonnis te vernietigen. [appellant] heeft daarbij zijn eis gewijzigd in die zin dat hij thans subsidiair vordert het relatiebeding in tijdsduur te matigen tot maximaal anderhalf jaar te rekenen vanaf datum einde dienstverband en geografisch te beperken tot Nederland alsmede te beperken tot alleen de relaties van Drechtstad.

2.2 Drechtstad heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1 [appellant] betoogt - kort samengevat - dat het, gelet op zijn expertise, te weten het verzekeren van lichte luchtvaartuigen, in het bijzonder (motor)zwevers, alsmede zijn leeftijd, niet redelijk en billijk is om hem onverkort aan het relatiebeding te houden, temeer nu het relatiebeding niet enkel ziet op relaties van Drechtstad maar op alle mogelijke relaties van de met Drechtstad samenwerkende assurantiekantoren en bovendien niet in tijdsduur en niet geografisch is beperkt. Geen werkgever werkzaam op het betreffende vakgebied wil [appellant] wegens het relatiebeding in dienst nemen. Tevens voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat (de rechtsvoorgangster van) Drechtstad zo’n tien jaar geleden een aanzienlijk bedrag voor de aankoop van de verzekeringsportefeuille van [appellant] heeft betaald. Ook heeft [appellant] gewezen op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het dienstverband - op initiatief van Drechtstad en slechts enkele maanden na het tekenen van het relatiebeding - is geëindigd.

3.2 Drechtstad heeft onder meer aangevoerd dat haar te beschermen belang prevaleert boven het belang van [appellant], gelet op de geringe beperkende werking van het relatiebeding. Daarbij moet volgens Drechtstad onder meer in aanmerking worden genomen dat [appellant] zijn portefeuillerechten en zijn cliëntenbestand indertijd heeft verkocht en daarvoor een aanmerkelijke koopsom heeft gekregen. Daarmee heeft [appellant], gegeven de terugverdienperiode, in feite verklaard om de betreffende assurantieportefeuille in zijn werkzame leven met rust te laten.

3.3 Het hof overweegt als volgt. In een procedure als de onderhavige kan geen constitutieve beslissing worden gegeven. Vernietiging van het relatiebeding is derhalve niet aan de orde. Wel kan uit hoofde van onverwijlde spoed bij wijze van voorlopige voorziening en vooruitlopend op een in de bodemprocedure te nemen beslissing, schorsing dan wel matiging van het relatiebeding gevorderd worden, zoals [appellant] in dit geval ook heeft gedaan.

3.4 De bij de verkoop van de “[appellant]-portefeuille” betrokken partijen hebben er indertijd kennelijk voor gekozen om de bescherming respectievelijk afscherming van het klantenbestand/de verzekeringsportefeuille tegenover de verkopende partij niet te regelen in de overeenkomst zelf, althans daarover is in de onderhavige procedure niets gesteld. Het ontbreken van enige (specifieke) contractuele bepaling dienaangaande in de overeenkomst brengt op zich niet mee dat er geen (enkele) beperking is voor de verkopende partij ter zake van bijvoorbeeld de benadering van de verzekerden die deel uitmaken van de overgedragen portefeuille, maar over overtreding van dergelijke uit de koopovereenkomst voortvloeiende alge¬mene (gedrags)regels door [appellant] is evenmin iets, laat staan voldoende, gesteld, nog afgezien van de vraag of en in hoeverre Drechtstad aan die koopovereenkomst(en) rechten kan ontlenen. Op grond waarvan/waarom dat laatste het geval zou zijn is door Drechtstad niet concreet onderbouwd.

Wel is volgens partijen in de arbeidsovereenkomst die bij of na de koopovereenkomst(en) is gesloten met Hollands Assurantiekantoor B.V. een relatie- en concurrentiebeding opgenomen, terwijl in de tussen Drechtstad en [appellant] gesloten arbeidsovereenkomst, die door [appellant] op 10 februari 2009 getekend is, het in het geding zijnde relatiebeding is opgenomen.

3.5 De vraag in hoeverre [appellant], in het kader van het onderhavige geding nog aan de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het relatiebeding gehouden kan worden, dient naar het oordeel van het hof, gegeven het overwogene sub 3.4, beoordeeld te worden in de sleutel van artikel 7:653 lid 2 BW. De vraag is dan in hoeverre te verwachten valt dat de bodemrechter zal oordelen dat Drechtstad een beroep toekomt op de rechten uit het relatiebeding.

3.6 Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een werkgever in beginsel het recht heeft om zich, ter bescherming van zijn zakelijke relaties, te beroepen op de gelding van een met een werknemer als [appellant] overeengekomen relatiebeding. Dit wordt anders indien (inmiddels) in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat relatiebeding onbillijk wordt benadeeld.

Het relatiebeding beperkt [appellant] in zijn mogelijkheden om voor relaties - in de ruimste zin des woords - van Drechtstad en/of een met haar gelieerde onderneming en/of (onder)bemid¬de¬laar en/of SAA-vestiging verzekeringen te sluiten of soortgelijke werkzaamheden te verrichten. Het relatiebeding is niet in tijdsduur en evenmin geografisch beperkt. Drechtstad heeft zich erop beroepen dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst die [appellant] per 1 januari 2009 met haar is aangegaan niet meer dan een herbevestiging is van zijn arbeidsvoorwaarden met de juiste vennootschap. [appellant] heeft echter gesteld dat het voorheen geldende concurrentie/relatiebeding bepaald minder stringent was. Drechtstad heeft deze stelling niet, althans onvoldoende (gemotiveerd) weersproken. In dit licht moet de omstandigheid dat Drechtstad slechts enkele maanden na ondertekening van de nieuwe arbeidsovereenkomst, met daarin opgenomen het nieuwe - uitgebreidere (geen beperking in tijd noch geografisch en uitbreiding van het begrip relaties) - relatiebeding een ontslagvergunning op economische gronden heeft aangevraagd en na verkregen vergunning de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, bij de te maken afweging naar het oordeel van hof te worden betrokken, en wel als factor die bijdraagt aan het mogelijk onbillijk benadeeld worden van de werknemer.

3.7 Gelet op alle feiten en omstandigheden - waaronder het korte tijdsverloop tussen het ondertekenen van het relatiebeding en de aanvraag van de ontslagvergunning c.q. beëindiging van de arbeidovereenkomst door opzegging door Drechtstad, de leeftijd van [appellant], zijn kansen op deze - specifieke - arbeidsmarkt en met name de inmiddels verstreken periode gedurende welke [appellant] zich aan het relatiebeding heeft moeten houden, acht het hof voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat in verhouding tot het te beschermen belang van Drechtstad, [appellant] door het relatiebeding onbillijk wordt benadeeld en Drechtstad mitsdien inmiddels geen beroep meer toekomt op het relatiebeding. In ieder geval heeft Drechtstad onvoldoende gesteld of onderbouwd waarom - vanuit de arbeidsrechtelijke verhouding - een langere duur van het relatiebeding dan de inmiddels verlopen ruim 2,5 jaar gerechtvaardigd is. Drechtstad heeft sinds het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2009 immers alle tijd gehad om de relatie met de ‘[appellant]klanten’ te bestendigen. Het hof wijst er in dit verband op dat Drechtstad zelf in haar memorie van antwoord heeft aangegeven dat in een normale arbeidsrelatie een relatiebeding met een duur van twee jaar wel gangbaar is. Dat er sprake is geweest van de verkoop van de assurantieporteuille doet daar - anders dan Drechtstad heeft betoogd - gelet op hetgeen hierboven sub 3.4 en 3.5 is overwogen niet aan af.

3.8 Het hof zal het relatiebeding dan ook met onmiddellijke ingang schorsen. Het hof tekent hierbij echter aan dat - het relatiebeding weggedacht - er in het algemeen geldende beperkingen zijn uit hoofde van de artikelen 7:611, 6:248 en 6:162 ev. BW. Deze worden door de schorsing van het relatiebeding niet (ook) opzij gezet.

4. Drechtstad zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld. De kosten in eerste aanleg zullen – gelet op hetgeen hier¬boven sub 3.7 omtrent de inmiddels verstreken periode is overwogen - worden gecompen¬seerd zoals hierna vermeld.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht van 13 april 2010,

en opnieuw rechtdoende in kort geding:

- schorst de werking van het tussen partijen bestaande relatiebeding zoals vervat in artikel P van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang;

- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg aldus dat ieder partij de eigen kosten draagt;

- veroordeelt Drechtstad in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 401,93 aan verschotten (te weten € 314,- aan griffierecht en € 87,93 aan explootkosten) en € 1.788,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, J.W. van Rijkom en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.