Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8799

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
200.080.724-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel; uitleg begrip 'permanente bewoning'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.080.724/01

Rolnummer rechtbank : 328049 / HAZA 09-959

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 19 juni 2012

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. L. Hennink te Rotterdam,

tegen

Gemeente Dirksland,

zetelend te Dirksland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. P. van den Berg te Middelburg.

Het geding

De bij arrest van 15 maart 2011 bevolen comparitie heeft plaats gevonden op 11 mei 2011. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellante] bij memorie van grieven (met productie) vier grieven aangevoerd, die door de gemeente bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Hierna hebben parijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot met 2.3) van het vonnis van

11 november 2009 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in dit geding, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

2.1 [appellante] is eigenaresse van een recreatiewoning aan de [adres 1] te [plaats], gemeente Dirksland (hierna: de recreatiewoning).

2.2 Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft de gemeente aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [appellante] vóór 1 december 2007 de permanente bewoning van de recreatiewoning diende te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van maximaal € 30.000,-- (hierna: de last onder dwangsom of de last). Dit besluit is inmiddels onherroepelijk geworden.

2.3 Op de recreatiewoning rustte geen hypotheekverplichting. [appellante], die geen andere woning in eigendom had, heeft over de jaren 2007 en 2008 bij haar belastingaangifte de recreatiewoning als eigen woning in box 1 opgevoerd en het eigen woningforfait in aftrek gebracht.

2.4 [appellante] heeft van 8 april 2005 tot 6 april 2009 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven gestaan op het adres van de recreatiewoning.

Op dit adres heeft zij een vaste telefoonaansluiting. Tevens werd dit adres in genoemde periode door haar gebruikt als adres voor haar bankafschriften, als adres van de vereniging waarvan [appellante] secretaris was en als adres op de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand.

2.5 De gemeente heeft in de periode van 13 december 2007 tot en met 28 mei 2008 twaalf controles laten uitvoeren. Uit de hiervan opgemaakte controleverslagen komt een beeld naar voren van afwezigheid, dan wel incidentele aanwezigheid, alsmede van een verzorgde indruk van de recreatiewoning en tuin.

2.6 Sinds 6 april 2009 staat [appellante] ingeschreven op het adres [adres 2] in [plaats]. Zij heeft toen de woning op dit adres gehuurd na enige jaren op de wachtlijst te hebben gestaan.

2.7 Op 10 februari 2009 heeft de gemeente een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van € 30.000,--. [appellante] heeft tegen dit dwangbevel verzet aan¬getekend, stellende dat zij sinds 1 december 2007 de recreatiewoning niet permanent heeft bewoond. Zij heeft na wijziging van eis, kort en zakelijk weergegeven, een verklaring voor recht gevorderd dat [appellante] goed opposante is en dat het dwangbevel dientengevolge buiten effect is gesteld. Dit heeft, na een aantal tussenvonnissen, waarbij de rechtbank de bewijslast op de gemeente heeft gelegd, geleid tot het eindvonnis van 13 oktober 2010, waarbij de vordering van [appellante] is afgewezen.

3. [appellante] is met vier grieven tegen deze beslissing opgekomen. De memorie van grieven bevat in de kern als stellingen (i) dat het gaat om de vraag wanneer er sprake is van permanente bewoning, (ii) dat de gemeente in haar besluiten hierover geen exacte regels heeft opgenomen, (iii) dat [appellante] de recreatiewoning na 1 december 2007 niet permanent heeft bewoond, zodat zij ook geen dwangsommen met kosten verschuldigd is, en (iv) dat de bewijslast dat dit anders is op de gemeente rust.

De grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, bevatten de volgende klachten:

I. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat [appellante] door de recreatiewoning in box 1 op te geven heeft gesteld en willen stellen dat de recreatiewoning permanent werd bewoond. Het fiscale begrip ‘hoofdverblijf’ is, aldus [appellante], niet hetzelfde als permanente bewoning.

II. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de fiscale aangifte in samenhang met de overige aanwijzingen [hof: zie een korte samenvatting in rechtsoverweging 2.4 van dit arrest] voldoende aannemelijk maakt dat de recreatiewoning als hoofdverblijf werd gebruikt. Het gaat, aldus [appellante], niet om het fiscale begrip ‘hoofdverblijf’ maar om de vraag of de woning ‘permanent werd bewoond’. Dit laatste heeft de rechtbank ten onrechte niet beoordeeld.

III. De rechtbank heeft ten onrechte beoordeeld waar [appellante] haar hoofdverblijf had. Zij had de vraag moeten stellen of [appellante] de recreatiewoning permanent bewoonde.

IV. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de gemeente is geslaagd in

haar bewijs dat [appellante] de recreatiewoning permanent heeft bewoond.

4. Het hof oordeelt als volgt. Blijkens de grieven en de toelichting daarbij gaat het in hoger beroep om de vraag of [appellante] de last onder dwangsom heeft overtreden door de recreatiewoning ná 1 december 2007 nog permanent te blijven bewonen, alsmede wat moet worden verstaan onder het begrip ‘permanente bewoning’.

5. Voorop wordt gesteld dat de stelplicht en de bewijslast van de ‘permanente bewoning’ op de gemeente rust zoals de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen.

Daarnaast stelt het hof voorop dat noch in de betreffende besluiten noch in het bestemmingsplan noch anderszins (in ieder geval niet in de relevante periode) door de gemeente is aangegeven wat de gemeente onder het begrip ‘permanente bewoning’ verstaat (zie onder meer -in hoger beroep onbetwiste- rechtsoverweging 5.4 vonnis 11 november 2009).

Het hof is van oordeel dat bij gebreke van nadere aanduiding door de gemeente dit begrip feitelijk, overeenkomstig normaal spraakgebruik moet worden uitgelegd. Deze uitleg vergt níet, dat alleen dan van permanente bewoning geen sprake is, wanneer er een andere hoofdverblijfplaats is. Voldoende is dat [appellante] de recreatiewoning feitelijk niet meer als hoofdverblijfplaats gebruikt. In zoverre slagen de grieven van [appellante]. Het hof verwerpt het betoog van de gemeente bij comparitie in eerste aanleg van 10 september 2009 dat het er bij ‘permanente bewoning’ om gaat of iemand op het betreffende adres een (uitvals)basis heeft. Niet alleen strookt dit niet met het normale spraakgebruik, maar bovendien valt in de gegeven omstandigheden niet in te zien waarom [appellante] niet een enkele keer in de recreatie¬woning zou mogen overnachten of eens per week haar wasmachine daar zou mogen gebruiken. Het is immers niet ongebruikelijk dat een recreatiewoning op de vrije dagen (veelal in het weekend) wordt gebruikt. Ook het betoog van de gemeente bij diezelfde comparitie dat [appellante] moet bewijzen dat zij daadwerkelijk op een ander adres heeft gewoond wordt verworpen, een en ander zoals hiervoor is overwogen en hierna nader zal worden toegelicht. Wél mag van [appellante] worden gevergd dat zij in het kader van haar bewijs¬aandraagplicht zo veel mogelijk aangeeft waar zij dan wél heeft verbleven.

6. De door de gemeente aangevoerde omstandigheden, zoals kort aangegeven in rechtsoverwegingen 2.3, 2.4 en 2.5 van dit arrest vormen een duidelijke aanwijzing voor de door de gemeente gestelde ‘permanente bewoning’. Sluitend is deze bewijsvoering in dit geval, gelet op de voorshands afdoende verklaringen van [appellante] hierover, echter niet, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat aan het door de gemeente te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld (zie rechtsoverweging 5.8 vonnis 11 november 2009). Bij deze afweging speelt mee dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld in het bestreden eindvonnis van 13 oktober 2010, de fiscale aangifte door [appellante] weliswaar wijst op een ‘fiscaal hoofdverblijf’ in de recreatiewoning, maar dat dit (te) weinig zegt over de vraag of de woning ‘feitelijk permanent werd bewoond’. Hier is meer voor nodig. Op dit punt is het hof het dus niet eens met de rechtbank.

7. In het kader van haar bewijsaandraagplicht heeft [appellante] omstandig en met bewijsstukken onderbouwd naar voren gebracht dat zij in de relevante periode totdat zij in aanmerking kwam voor een huurwoning heeft ‘rondgezworven’ en op vele adressen heeft verbleven. Dit laatste is niet voldoende gemotiveerd betwist door de gemeente, zodat het hof daarvan uitgaat. Daarnaast verdient aandacht dat [appellante] bij de vele controles door de gemeente, behoudens een keer op 28 mei 2008 (zie op dit punt niet weersproken inleidende dagvaarding onder 26) waarvoor zij een verklaring had, niet is aangetroffen in de recreatiewoning. Dit ondersteunt eerder het standpunt van [appellante] dan dat van de gemeente.

8. Al met al heeft de gemeente tot dusver het bewijs van ‘feitelijke permanente bewoning’ niet geleverd. De gemeente heeft in hoger beroep geen nadere concrete feiten of omstandigheden aangevoerd en/of te bewijzen aangeboden. Voor verdere bewijslevering is dan ook geen grond. Het algemene bewijsaanbod van de gemeente (memorie van antwoord 30) zonder feitelijke, relevante onderbouwing is ontoereikend en zal worden gepasseerd. De conclusie moet dan ook zijn dat het bestreden eindvonnis moet worden vernietigd en dat de vorderingen van [appellante] alsnog voor toewijzing vatbaar zijn. Hierbij past een kostenveroordeling ten laste van de gemeente.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van

13 oktober 2010; en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat [appellante] goed opposante is en dat het dwangbevel van

10 februari 2009 dientengevolge buiten effect is gesteld;

- veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 13 oktober 2010 begroot op € 85,98 aan kosten uitbrenging inleidende dagvaarding, € 262,-- aan griffierecht en € 1808,--aan salaris advocaat;

- veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 284,-- aan griffierecht en € 2.316,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville en M.J. van der Ven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.