Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8332

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
200.096.165-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invulling van het ouderschap na scheiding: zorgregeling, dwangsomvoorziening, informatieregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 9 mei 2012

Zaaknummer : 200.096.165/01

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 10-9305 en FA RK 10-9307

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats binnenland en buitenland],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. van der Stel te Dordrecht.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 25 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 juli 2011 van de rechtbank Dordrecht.

De vader heeft op 8 december 2011 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De moeder heeft op 8 februari 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 11 november 2011 een brief van 10 november 2011 met bijlagen;

- op 5 maart 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen (welk faxbericht als brief is ontvangen op 6 maart 2012);

- op 8 maart 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen (welk faxbericht als brief is ontvangen op 8 maart 2012);

van de zijde van de vader:

- op 5 maart 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen (welk faxbericht als brief is ontvangen op 6 maart 2012).

Van de zijde van de raad is bij het hof op 31 oktober 2011 een brief van 28 oktober 2011 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 15 maart 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de advocaat van de vader.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 17 juni 2009 van de rechtbank Dordrecht is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Iedere overige beslissing is aangehouden.

Bij beschikking van 25 november 2009 van de rechtbank Dordrecht zijn – voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad – de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum in] 2008 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), als volgt verdeeld:

- de moeder brengt de minderjarige op zondag om 11.00 uur naar het Centraal Station in [woonplaats binnenland], waar de vader haar ophaalt, en de vader brengt de minderjarige op woensdagochtend naar het kinderdagverblijf;

- partijen maken in onderling overleg afspraken met betrekking tot de zorg voor de minderjarige gedurende de vakanties en de feestdagen.

Voorts is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de vader, met ingang van 25 november 2009, aan de moeder ten behoeve van de minderjarige een alimentatie zal betalen van € 35,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij beschikking van 1 september 2010 van het gerechtshof ’s-Gravenhage is:

- het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder bepaald;

- bepaald dat de vader de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks bij zich heeft van vrijdagavond tot maandagochtend, waarbij de vader de minderjarige op vrijdag bij het kinderdagverblijf haalt en op maandag naar het kinderdagverblijf brengt;

- bepaald dat de zorgregeling met betrekking tot de vakanties en de feestdagen in overleg tussen partijen wordt vastgesteld;

- de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 25 november 2009 op € 370,- bepaald.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bij vonnis in kort geding van 25 november 2010 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Dordrecht is – uitvoerbaar bij voorraad – de vader veroordeeld de beschikking van 1 september 2010 van het gerechtshof ’s-Gravenhage inzake de (het hof leest:) zorgregeling tussen de vader en de minderjarige na te komen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vader daarmee in gebreke blijft, een gedeelte van een dag geldende als een dag, met een maximum van € 50.000,-, met dien verstande dat de vader geen dwangsommen verbeurt tot en met zeven dagen na de bevalling van zijn echtgenote.

Bij arrest van 22 februari 2011 van het gerechtshof ’s-Gravenhage is het vonnis van 25 november 2010 bekrachtigd.

Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 1 september 2010 van dit hof gewijzigd ten aanzien van de daarbij vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vastgestelde kinderalimentatie en is:

- de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

- de minderjarige zal twee van de drie weekends bij de vader doorbrengen, waarbij de vader haar op vrijdag bij het kinderdagverblijf zal ophalen en haar daar op maandagochtend weer zal terugbrengen;

- de vakanties zullen tussen partijen worden verdeeld in die zin, dat de minderjarige steeds de helft van iedere vakantie bij één van partijen zal doorbrengen;

- de vader veroordeeld de hierboven vastgestelde zorgregeling na te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;

- de volgende informatie- en consultatieregeling vastgesteld:

de moeder dient de vader ieder kwartaal schriftelijk te informeren over en steeds te raadplegen bij belangrijke aangelegenheden die de minderjarige aangaan, zoals medische aangelegenheden, (zoals artsenbezoeken) en schoolinformatie (zoals schoolkeuze, ouderavonden, rapporten, nieuwsbrieven, roosters, etc.);

- de door de vader ten behoeve van de minderjarige aan de moeder te betalen alimentatie met ingang van 27 juli 2011 op nihil (€ 0,00 per maand) gesteld;

- de door de vader ten behoeve van de minderjarige verschuldigde alimentatie over de periode van 31 juli 2010 tot 27 juli 2011 vastgesteld op hetgeen feitelijk door de vader is betaald of op hem is verhaald.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat vast dat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

De echtscheidingsbeschikking is op 1 juli 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige (verder: de zorgregeling), de informatieregeling en de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest:) voor zover het betreft de kinderalimentatie, zorgregeling en informatieregeling en, in zoverre opnieuw beschikkende,

- te bepalen dat de vader vanaf 1 augustus 2010 wordt veroordeeld bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met een bedrag van € 370,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

- een vakantieregeling te bepalen waarbij de minderjarige de helft van alle vakanties bij de vader is en waarbij de vader uitsluitend gerechtigd zal zijn om met de minderjarige op vakantie te gaan naar de (Europese) landen waartoe een Nederlandse identiteitskaart toegang geeft;

- een informatieregeling te bepalen waarbij de moeder de vader ieder kwartaal schriftelijk informeert over belangrijke aangelegenheden die de minderjarige aangaan met uitzondering van schoolinformatie die de vader op eigen gelegenheid kan verwerven.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar beroep ongegrond te verklaren. In incidenteel appel verzoekt de vader de bestreden beschikking te vernietigen daar waar het de beslissingen inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de dwangsom betreft en, (het hof leest:) in zoverre opnieuw beschikkende:

- een zodanige zorg- en opvoedingsregeling vast te stellen inhoudende dat de vader voor de minderjarige zal zorgen gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot maandagochtend, waarbij de vader de minderjarige zal ophalen bij het kinderdagverblijf en de minderjarige aldaar weer zal terugbrengen;

- primair: te bepalen dat de vader geen dwangsom zal worden opgelegd;

- subsidiair: de moeder te veroordelen de tussen partijen vastgestelde c.q. door het hof vast te stellen zorgregeling na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, een gedeelte van de dag daarbij te beschouwen als een dag;

- de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg.

4. De moeder verzet zich daartegen en verzoekt de vader in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn incidenteel appel ongegrond te verklaren.

5. De vader heeft ter terechtzitting zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige ingetrokken. Dit verzoek in incidenteel appel behoeft derhalve geen bespreking meer.

Zorgregeling en paspoort

6. De moeder stelt dat van de vader in alle redelijkheid kan worden verwacht dat hij ieder weekend voor de minderjarige zorgt en niet, zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking is beslist, twee van de drie weekends. Immers, de vader zorgt ook ieder weekend voor zijn zoon geboren uit zijn relatie met zijn huidige vrouw. Daar komt bij dat de moeder de weekenden nodig heeft om te herstellen van haar werkweek (die qua uren is toegenomen) alsmede om haar nieuwe relatie een kans te geven. Leuke activiteiten met de minderjarige onderneemt de moeder al op doordeweekse dagen. Ten aanzien van de vakantieregeling merkt de moeder op dat zij erop tegen is dat de vader de zomervakantie doorbrengt met de minderjarige in [land buiten Europa]. Zij vreest dat hij haar daar permanent bij familieleden zal achterlaten en is derhalve niet bereid het paspoort van de minderjarige aan de vader af te geven. Wel is zij bereid een identiteitskaart van de minderjarige aan de vader ter beschikking te stellen.

7. De vader stelt dat hij wegens zijn werk (waarbij hij geregeld storingsdiensten moet draaien in de weekenden) en de zorg voor zijn huidige vrouw en kind niet (meer) in staat is om elk weekend of twee van de drie weekends voor de minderjarige te zorgen. Een dergelijke regeling is, gelet op de verhouding tussen partijen, ook niet in het belang van de minderjarige, aldus de vader. Hij wenst dan ook aanpassing van de zorgregeling, met dien verstande dat hij één weekend per twee weken zorgdraagt voor de minderjarige. De vader betwist dat de moeder elk weekend volledig nodig heeft om van haar werk te herstellen. Voorts stelt de vader dat hij, als gezagsdragende ouder van de minderjarige, het recht heeft naar eigen inzicht de vakanties met de minderjarige in te delen zonder bemoeienis van de moeder daartoe, een en ander met inachtneming van de belangen van de minderjarige. De vader wil graag met de minderjarige zijn zieke vader alsmede zijn overige familieleden in [land buiten Europa] bezoeken. Daartoe heeft hij echter een paspoort van de minderjarige nodig. De vader betwist dat hij de minderjarige in [land buiten Europa] zal achterlaten. Van enige contra-indicaties is volgens de vader niet gebleken. De vader beseft dat de minderjarige in Nederland haar sociale omgeving heeft en hij wenst dan ook dat zij in Nederland zal blijven. Indien hij de minderjarige in [land buiten Europa] had willen achterlaten, dan had hij dat reeds jaren geleden al gedaan, aldus de vader.

8. Het hof ziet in hetgeen partijen hebben aangevoerd ten aanzien van de zorgregeling geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Niet is gebleken dat de door de rechtbank vastgestelde regeling niet in het belang van de minderjarige is. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. Het hof ziet voorts geen aanleiding een vakantieregeling te bepalen waarbij de vader uitsluitend gerechtigd zal zijn om met de minderjarige op vakantie te gaan naar de (Europese) landen waartoe een Nederlandse identiteitskaart toegang geeft. De moeder heeft dit verzoek naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, terwijl voorts is gebleken, dat de vader een reguliere dienstbetrekking heeft en met zijn nieuwe partner en hun beider kind ook woonplaats heeft in [woonplaats binnenland], zodat onvoldoende grond voor de genoemde vrees van de moeder is gebleken. Het hof zal dit verzoek in hoger beroep dan ook afwijzen.

Dwangsom

9. De vader stelt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld de vastgestelde zorgregeling na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens de vader leidt de dwangsom tot een onredelijke en onhoudbare situatie. Daarbij komt dat hij zich tot op heden aan de zorgregeling heeft gehouden. De moeder echter niet. Zo is zij in de zomervakantie 2011 zonder overleg met en zonder toestemming van de vader met de minderjarige (langer dan de helft van de vakantie) op vakantie gegaan. De vader heeft zij daartoe niet in de gelegenheid gesteld. De vader verzoekt dan ook primair de hem opgelegde dwangsom te vernietigen en subsidiair de moeder een gelijke dwangsom op te leggen aangezien zij de zorgregeling niet behoorlijk nakomt.

10. De moeder stelt dat uit ervaring is gebleken dat de vader zonder mogelijke sanctie van een dwangsom zijn verantwoording betreffende de zorg over de minderjarige niet, althans onvoldoende neemt. Met name in 2010 heeft de vader de zorgregeling ingevuld zonder enig overleg daartoe met de moeder. Daarnaast is hij destijds meerdere malen voor langere perioden vertrokken naar het buitenland, waardoor de moeder volledig werd belast met de zorg over de minderjarige. De moeder meent dat de vader het er in de afgelopen jaren zelf naar heeft gemaakt dat bij haar weinig vertrouwen bestaat dat hij de zorgregeling zal nakomen wanneer dit op vrijwillige basis moet geschieden. Volgens de moeder is de vader de zorgregeling in 2011 uitsluitend nagekomen juist omdat er een dwangsom op ‘stond’. Zij meent dan ook dat de dwangsom dient te worden gehandhaafd. Het feit dat de moeder heeft geweigerd de minderjarige in de zomervakantie 2011 aan de vader mee te geven, was omdat zij het paspoort van de minderjarige niet aan hem ter beschikking durfde te stellen. Deze enkele omstandigheid is echter onvoldoende om haar te veroordelen aan de bestaande zorgregeling op straffe van een dwangsom mee te werken, aldus de moeder.

11. Het hof is van oordeel dat de dwangsom verbonden aan de nakoming van de zorgregeling gehandhaafd dient te blijven. Het hof verenigt zich te dien aanzien met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Hetgeen de vader in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het hof ziet geen aanleiding om naast de vader ook de moeder te veroordelen de zorgregeling na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom. Hiertoe heeft de vader naar het oordeel van het hof onvoldoende aangevoerd. Het hof zal derhalve het subsidiaire verzoek van de vader afwijzen.

Informatieregeling

12. De moeder is van mening dat zij in het huidige digitale tijdperk niet verplicht kan worden ieder kwartaal schriftelijk de vader te informeren over schoolinformatie met betrekking tot de minderjarige. Immers, de vader kan deze informatie eenvoudig zelf via de website van de school van de minderjarige verkrijgen. De moeder was en blijft daarentegen wel bereid de vader te informeren over zaken die hij niet via andere wegen (zoals een website of de school zelf) kan verkrijgen.

13. De vader meent dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan. Volgens de vader zendt de moeder hem slechts sporadisch informatie toe. Daarbij komt dat, ondanks verzoeken om informatie zijnerzijds, instanties veelal verwijzen naar de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft. Schoolinformatie wordt bovendien slechts eenmalig verstrekt, aldus de vader. Volgens hem is de informatieregeling niet achterhaald door het digitale tijdperk. De uitvoering van de regeling is eerder vereenvoudigd doordat de moeder thans alle (school)informatie digitaal naar hem kan doorsturen.

14. Het hof stelt voorop dat het van belang is dat de vader door de moeder wordt geïnformeerd over alle gewichtige aangelegenheden die de persoon en het vermogen van de minderjarige betreffen. Echter, nu de vader – die evenals de moeder belast is met het ouderlijk gezag – de minderjarige bijna elke week haalt en brengt bij (thans nog) het kinderdagverblijf (en op die wijze informatie aangaande de minderjarige kan verkrijgen, evenals via de website van het kinderdagverblijf) en de moeder bereid blijft de vader te informeren over zaken aangaande de minderjarige die hij niet zelf kan verwerven, ziet het hof aanleiding de tussen partijen geldende informatieregeling te beperken conform het verzoek van de moeder in hoger beroep. Het belang van de minderjarige verzet zich hier naar het oordeel van het hof niet tegen.

Kinderalimentatie

Wijziging van omstandigheden

15. Vaststaat dat de vader in eerste aanleg heeft gesteld dat de omstandigheden sinds 31 juli 2010 zijn gewijzigd (einde WW-uitkering en sindsdien geen tot weinig inkomen), waardoor de beschikking van dit hof van 1 september 2010 is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

16. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:401 leden 1 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak kan worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

17. Het hof constateert dat de vader niet heeft gesteld en de rechtbank niet heeft overwogen dat de beschikking van dit hof van 1 september 2010 van de aanvang af niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven, terwijl wel is beslist met ingang van een tijdstip dat aan die beschikking voorafgaat (te weten 31 juli 2010). Evenmin is kennelijk in geschil – dit ligt in het oordeel van de rechtbank en het tussen partijen gevoerde procesdebat in hoger beroep besloten – dat sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vader, die een nieuwe beoordeling aan de hand van de wettelijke maatstaven met zich brengt.

Het inkomen van de vader en zijn woonsituatie

18. De moeder stelt dat de rechtbank de stelling van de vader, inhoudende dat hij gedurende de periode van 1 augustus 2010 tot 1 januari 2011 is onderhouden door familie en vrienden, niet zonder bewijsstukken had mogen aannemen. Voorts, zo stelt de moeder, heeft de vader niet aangetoond wie zijn kostbare reizen naar het buitenland heeft betaald gedurende deze periode, nog afgezien van de ritten die hij regelmatig naar [woonplaats buitenland] maakt (waar hij sinds 1 januari 2010 officieel staat ingeschreven). Van enige sollicitatieactiviteit aan de zijde van de vader is de moeder niet gebleken. Volgens de moeder dient voor deze periode dan ook aan de vader een fictief modaal inkomen te worden toegerekend. Met ingang van 1 januari 2011 beschikt de vader over een baan voor 20 uur per week, zodat hij regelmatig naar [woonplaats buitenland] kan gaan om daar tot rust te komen. De moeder meent (evenals de rechtbank) dat deze ‘keuze’ niet verenigbaar is met zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de minderjarige en zijn andere kind. Van de vader mag op zijn minst worden verwacht dat hij fulltime in dienst treedt bij zijn huidige werkgever of dat hij op een andere manier zijn parttime dienstverband aanvult met extra inkomsten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, dient naar de mening van de moeder voor de periode vanaf 1 januari 2011 te worden uitgegaan van een modaal inkomen van € 35.000,- bruto per jaar.

19. Ter zitting bij het hof is namens de moeder nog aanvullend verklaard dat de vader met zijn huidige werkgever een dusdanig laag inkomen heeft afgesproken dat loonbeslag wegens de beslagvrije voet praktisch onuitvoerbaar is. De moeder heeft het vermoeden dat deze werkgever een goede vriend van de vader is. Voorts heeft de moeder laten weten dat zij heeft begrepen dat de vader vanaf 21 december 2011 niet meer werkzaam is voor zijn huidige werkgever. De moeder is dan ook verbaasd dat de vader een loonstrook over januari 2012 heeft overgelegd van deze werkgever (waarop echter geen inkomsten staan vermeld). De moeder heeft daarnaast gewezen op het door haar overgelegde afschrift van een pagina van de website van [naam] waarop te zien is dat de vader een iPad uitdeelt namens – naar de mening van de moeder – zijn bedrijf [naam] (en hij dus inkomsten genereert). Als laatste heeft de moeder te kennen gegeven twijfels te hebben bij de woonsituatie van de vader. Volgens haar verblijft hij samen met zijn huidige vrouw en zijn zoon niet in [woonplaats buitenland], maar in [woonplaats binnenland]. De reden dat hij in [woonplaats buitenland] staat ingeschreven heeft volgens de moeder te maken met het feit dat hij op die wijze de schuldeisers van zijn bedrijf [naam] kan ontlopen, aldus de moeder.

20. De vader stelt dat hij - na beëindiging van zijn WW-uitkering - wel degelijk door familie en vrienden is onderhouden. Met ingang van 2 januari 2011 is de vader als oproepkracht in dienst getreden bij [naam werkgever], alwaar hij een bedrag van € 828,- bruto per maand verdient. Volgens de vader dient bij de berekening van zijn draagkracht dan ook uit te worden gegaan van dit bedrag. De vader stelt dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om een baan te vinden met een zo hoog mogelijk inkomen, doch dat hij als gevolg van het handelen van de moeder (zwartmaken, ruzie zoeken) hier niet in heeft kunnen slagen. Ook de economische crisis heeft hierbij een rol gespeeld, aldus de vader.

21. Ter zitting bij het hof is namens de vader aanvullend verklaard dat hij nog altijd werkzaam is voor zijn huidige werkgever. In 2011 heeft hij, zoals blijkt uit zijn overgelegde jaaropgaaf 2011, een bedrag van € 7.896,- bruto per jaar aan inkomsten ontvangen. In de maanden december 2011 en januari 2012 is de vader niet opgeroepen en heeft hij dus ook geen inkomsten kunnen genereren. De vader betwist dat hij inkomsten ontvangt uit de onderneming [naam]. Deze onderneming staat niet op zijn naam. Wel is getracht door middel van [naam werkgever] werkzaamheden voor [naam organisatie] te verrichten, doch die werkzaamheden zijn niet doorgegaan. Namens de vader is ter zitting bevestigd dat hij voornemens is de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening op zijn naam te laten zetten.

22. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van de vader om hetgeen hij stelt voldoende te onderbouwen. Immers, het is de vader geweest die in eerste aanleg heeft bepleit voor een verlaging van zijn alimentatieverplichting. De vader heeft dit echter naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende gedaan. Zo heeft hij geen duidelijkheid verstrekt over de invulling van zijn daadwerkelijke verdiencapaciteit en zijn inkomsten over de achterliggende jaren. Voorts heeft hij geen duidelijkheid gegeven over zijn woonsituatie en de relatie met zijn werkgever, waarvan de moeder stelt dat die werkgever een goede vriend van hem is en aldus het salaris niet waarheidsgetrouw is opgegeven. Een afdoende verklaring voor het - kennelijke - optreden van de vader namens [naam bedrijf] en het uitreiken van iPads is naar het oordeel van het hof ook niet gegeven. Evenmin heeft de vader inzicht verschaft in de realisatie van de namens hem ter zitting van het hof uitgesproken plannen om de hypothecaire geldlening waarmee de voormalige echtelijke woning is bezwaard over te nemen, zulks in het licht van zijn stelling dat hij geen of nauwelijks inkomsten heeft.

23. Uit het vorenstaande volgt de conclusie dat de vader geacht moet worden ofwel voldoende inkomsten te genieten dan wel over een zodanige verdiencapaciteit te beschikken dat hij – tegen de achtergrond van hetgeen hij onweersproken heeft aangevoerd over de economische crisis en zijn overige persoonlijke omstandigheden (zoals de geboorte van zijn zoon op [dag] december 2010) – een bedrag van € 100,- per maand kan betalen.

Ingangsdatum

24. Het hof zal voor wat betreft de ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie aansluiting zoeken bij de datum van de geboorte van zijn zoon. Het hof stelt de ingangsdatum aldus vast op [dag] december 2010.

25. Hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de informatieregeling en de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt een informatieregeling waarbij de moeder de vader ieder kwartaal schriftelijk informeert over belangrijke aangelegenheden die de minderjarige aangaan, zoals medische aangelegenheden, met uitzondering van schoolinformatie die de vader op eigen gelegenheid kan verwerven;

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 1 september 2010 van het gerechtshof ’s-Gravenhage – de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van [dag] december 2010 op € 100,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Lückers en Husson, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2012.