Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8037

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
200.062.257-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout van advocaat? Overwegingen ten overvloede in het bestreden vonnis beschouwd als subsidiaire grondslag voor de beslissing in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.062.257/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 270762 / HA ZA 06-2652

Arrest van 12 juni 2012

inzake

[…],

wonende te […],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.A. Bravenboer te Rotterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.A.G. Hoogeveen te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 22 februari 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een op 8 april 2009 door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussenvonnis en een op 25 november 2009 door die rechtbank gewezen eindvonnis in een zaak tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] alsmede […] (hierna: [X]) als gedaagden. In die vonnissen is tevens beslist over een tweetal vrijwaringsprocedures. Het hoger beroep ziet alleen op het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde]. Bij memorie van grieven (met productie) heeft [appellant] negen grieven aangevoerd, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Daarna hebben partijen procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1 De rechtbank heeft in het tussenvonnis sub 2.1 tot en met 2.10 de belangrijkste feiten geresumeerd. Partijen hebben daartegen geen bezwaren aangevoerd, zodat deze samenvatting ook het hof tot uitgangspunt dient. Met inachtneming hiervan gaat het in dit geding in hoofdzaak om het volgende.

1.1 [geïntimeerde] is advocaat en is in die hoedanigheid opgetreden als raadsman van [appellant] en diens broer [X] in afzonderlijke, tegen deze broers in 1996 aanhangig gemaakte strafzaken. De broers werden verdacht van deelneming aan een criminele organisatie die drugstransporten uitvoerde vanuit Marokko naar Nederland. Voor dit feit zijn zij strafrechtelijk zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld. Het door [appellant] ingestelde cassatieberoep is verworpen.

1.2 Aan de strafzaken waren ontnemingsvorderingen gekoppeld. Bij arrest van dit hof van 31 januari 2001 zijn beide broers ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel veroordeeld om aan de Staat een bedrag van bijna € 600.000 te betalen.

1.3 In 1996 was onder [X] door het Openbaar Ministerie conservatoir beslag gelegd op een aantal vervoersmiddelen en een bedrag van bijna € 335.000 (hierna: het geldbedrag), dat bij een huiszoeking was aangetroffen in de woning van een dochter van [X].

1.4 Op 24 juni 2003 heeft [X] verklaringen, die hem waren toegezonden door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB), ondertekend waarin was opgenomen dat hij akkoord ging met aanwending van (onder meer) het geldbedrag en de opbrengst van de in beslag genomen vervoersmiddelen ter gedeeltelijke betaling van de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel. Deze verklaringen zijn door [geïntimeerde] naar het CJIB gezonden.

1.5 [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag en een kwart van de (waarde van de) vervoersmiddelen aan hem toebehoorden en dat dat bedrag en de corresponderende opbrengst van de vervoersmiddelen hadden moeten worden verrekend met de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel. Hij stelt verder dat [X] door de ondertekening van de sub 1.4 genoemde verklaringen onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld dan wel toerekenbaar tekortgeschoten is door, kort gezegd, daaraan mee te werken. Op basis hiervan heeft hij in eerste aanleg de hoofdelijke veroordeling van [X] en [geïntimeerde] gevorderd om hem een bedrag van € 427.393,94 met rente te betalen.

1.6 De rechtbank heeft deze vordering ten aanzien van [X] toegewezen en ten aanzien van [geïntimeerde] afgewezen. Tegen de afwijzing van de vordering tegen [geïntimeerde] is [appellant] in hoger beroep gekomen. Van een hoger beroep van [X] tegen [appellant] is het hof niet gebleken.

1.7 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis primiar overwogen dat in de onderlinge relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] bij gebreke van een voldoende onderbouwing niet kan worden uitgegaan van het gestelde eigendomsrecht van [appellant]. Voorts heeft zij enige overwegingen ten overvloede opgenomen, die hierna aan de orde komen.

1.8 In de procedure in eerste aanleg is door [appellant] op de voet van artikel 843a Rv voorts nog gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld het dossier in de strafzaak en in de ontnemingszaak tegen [appellant] in het geding te brengen. Die vordering is bij gebreke van voldoende onderbouwing en voldoende belang door de rechtbank afgewezen.

2 De grieven III, IV, V en VI lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van het tussenvonnis. Weliswaar heeft de rechtbank deze "ten overvloede" gegeven, maar zij lijkt daarmee de intentie te hebben gehad een subsidiair dragende grond voor haar beslissing te geven.

2.1 In deze overwegingen bespreekt de rechtbank de vraag of het verwijt van [appellant] doel treft dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort geschoten is dan wel toerekenbaar onrechtmatig gehandeld heeft jegens [appellant]. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is, kort gezegd, omdat er in de onderlinge relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] niet van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde], ten tijde van de ondertekening van de eerder genoemde verklaringen door [X] (juni 2003), [appellant] had moeten beschouwen als eigenaar van het geldbedrag en (een gedeelte van) de vervoersmiddelen. Hiertegen richten zich de grieven III - VI.

2.2 [appellant] stelt dat hij [geïntimeerde] in het bijzijn van getuigen vóór juni 2003 heeft gezegd dat het geldbedrag zijn eigendom was. Aangenomen dat dat bewezen kan worden, betekent dat echter niet dat [geïntimeerde] die mededeling onder de gegeven omstandigheden voor waar moest aannemen toen in juni 2003 de ondertekening van de door het CJIB aan [X] toegezonden verklaringen aan de orde was. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld aan [X] voorgehouden te hebben dat hij de papieren moest controleren. Laatstgenoemde heeft toen, naar uit de gedingstukken valt op te maken, alleen gevraagd of hij zich niet in de vingers zou snijden door tot ondertekening over te gaan nadat hij in de strafzaak zijn betrokkenheid bij het in beslag genomen bedrag had ontkend. Vervolgens is hij tot ondertekening van de verklaringen overgegaan.

[appellant] stelt niet dat [X] te kennen heeft gegeven dat hij de verklaringen niet kon ondertekenen omdat [appellant] als eigenaar van het geld moest worden beschouwd. Evenmin is gesteld dat [X] - bij wiens dochter het geld was aangetroffen - op enig ander moment vóór de ondertekening kenbaar had gemaakt dat het geld niet van hem maar van [appellant] was. [geïntimeerde] behoefde onder die omstandigheden geen verder onderzoek te doen, ook niet wanneer hij op basis van de gestelde mededeling van [appellant] in redelijkheid had moeten twijfelen over de vraag wie van de twee broers hij als rechthebbende kon beschouwen. Dat mocht hij beschouwen als een zaak tussen de twee broers, die zij onderling dienden uit te vechten en waarin hij niet als scheidsrechter behoorde op te treden. Van een tekortschieten of een onrechtmatige gedraging van [geïntimeerde] is aldus geen sprake.

2.3 Het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

2.4 De grieven III, IV, V en VI treffen mitsdien geen doel.

3 Hieruit volgt dat ook grief II tevergeefs wordt voorgesteld. Grief VII bouwt voort op de grieven III - VI en deelt in hun lot.

4 Grief I behoeft bij deze stand van zaken slechts behandeling voor zover zij opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] met betrekking tot zijn gepretendeerde eigendomsrecht van de vervoersmiddelen onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan.

4.1 [appellant] heeft in de toelichting op de grief geen enkele nadere onderbouwing van zijn gepretendeerde (mede)-eigendomsrecht gegeven, hoewel de rechtbank dienaangaande uitdrukkelijk een aantal vraagpunten had geformuleerd. In zoverre treft de grief derhalve geen doel. Uit hetgeen hiervoor sub 2.1 en 2.2 is overwogen volgt dat de grief verder geen behandeling behoeft.

5 Grief VIII bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de vordering ex artikel 843a Rv wordt afgewezen. In de toelichting op de grief heeft [appellant] alsnog een precisering gegeven van de door hem in afschrift gewenste stukken. Het betreft het dossier in de strafzaak en de aantekeningen die [geïntimeerde] heeft gemaakt tijdens gesprekken met [appellant].

[geïntimeerde] heeft gesteld bereid te zijn de gevraagde stukken te geven en dat ook al zoveel mogelijk gedaan te hebben, zodat hij (thans) niets meer heeft waarover [appellant] niet al kan beschikken.

Het hof ziet geen reden om aan dit laatste te twijfelen. [appellant] heeft niet geadstrueerd waarom daarover anders gedacht moet worden. Het hof verwerpt daarom ook deze grief.

6 Grief IX komt op tegen een zinsnede in het tussenvonnis, waarvan geoordeeld moet worden dat de rechtbank een door [appellant] gemaakte opmerking niet geheel juist heeft geïnterpreteerd. Hoewel de grief slaagt leidt zij niet tot vernietiging van het bestreden vonnis omdat de desbetreffende overweging niet dragend is voor de motivering ervan.

7 Geen van de aangevoerde grieven leidt tot vernietiging van de bestreden vonnissen. Het hof zal die dan ook bekrachtigen. Bij deze uitkomst van het hoger beroep is het passend dat [appellant] de proceskosten in deze instantie aan de zijde van [geïntimeerde] draagt.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op € 1.188,- voor verschotten en € 3.263,- voor salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, H.J.H. van Meegen en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.