Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7809

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
200.080.452-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van curator tegen failliet tot onruiming van door hypotheekhouder verkochte woning en tot medewerking aan overdracht; vordering in reconventie voor het eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.080.452/01

Zaaknummer rechtbank : 374071

Arrest van 5 juni 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. Snoek te 's-Gravenhage,

tegen

Liebegien Alexandra VAN WALREE-BRASCAMP, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. P.S. Jonker te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 1 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 3 september 2010. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd, die door de curator bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat in deze zaak van het volgende uit.

1.1 [appellant] heeft in 2007 een appartementsrecht te [plaats] als woning verworven voor een koopprijs van € 300.000,- (verder: de woning). Op de woning rustten twee hypotheken: een eerste hypotheek van Sparck Hypotheken N.V. (verder: Sparck) voor € 238.000,- en een tweede hypotheek van de moeder van [appellant], [naam] (verder: [de moeder van appellant]) voor € 91.950,-.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 augustus 2009 is [appellant] failliet verklaard met benoeming van de curator als zodanig. Naar aanleiding van nieuwe schulden heeft de curator Sparck een termijn gesteld tot uitoefening van haar recht (art 58 Fw). In opdracht van Sparck is de woning getaxeerd op € 270.000,- of € 280.000,- bij onderhandse verkoop, afhankelijk van de verkoopsnelheid. Eind mei 2010 heeft Sparck de curator laten weten dat zij een koper voor de woning had gevonden voor een prijs van € 280.500,-. De met toestemming van de rechter-commissaris opgemaakte koopovereenkomst is op 21 juni 2010 door de koper getekend en lag daarna voor ondertekening bij de curator.

1.3 De curator heeft [appellant] bij brief van 9 juni 2010 gesommeerd de woning per 1 augustus 2010 te ontruimen in verband met de verkoop en levering daarvan. Bij e mail van 22 juni 2010 heeft [X] van Park Adviesgroep aan de curator gemeld dat [de moeder van appellant] het recht van eerste hypotheek van Sparck wilde overnemen. Hij heeft op 30 juni 2010 aan de curator een offerte van ING Hypotheken aan [de moeder van appellant] doen toekomen voor een hypotheek van € 270.000,-. De curator heeft op 1 juli 2010 aan [appellant] aangegeven dat zij bereid is [de moeder van appellant] in de gelegenheid te stellen het hypotheekrecht van Sparck over te nemen, mits uiterlijk op 7 juli 2010 € 30.000,- op de boedelrekening zou worden gestort en een onherroepelijke bereidstellingsverklaring van ING Bank zou worden overgelegd. [appellant] heeft aan die voorwaarden niet voldaan. De curator heeft de koopovereenkomst op 8 juli 2010 ondertekend en aan de makelaar gezonden.

1.4 [appellant] is op 28 juli 2010 door de rechter-commissaris gehoord. Bij die gelegenheid is aan [de moeder van appellant] een laatste kans geboden de woning te kopen, onder de voorwaarden dat uiterlijk 29 juli 2010 € 50.000,- op een kwaliteitsrekening bij de notaris zou worden gestort en dat uiterlijk op 3 augustus 2010 een onherroepelijke bereidstellingsverklaring van ING Bank zou worden overgelegd. Tevens is in het proces-verbaal van het verhoor opgenomen dat [appellant] zijn medewerking aan de verkoop aan derden zal verlenen als de verkoop aan [de moeder van appellant] niet zou plaatsvinden. [appellant] heeft op 29 juli 2010 aan de curator laten weten dat [de moeder van appellant] geen hypotheek bij ING Bank kon verkrijgen. Evenmin is binnen de gestelde termijn € 50.000,- op bedoelde rekening gestort. Ondanks sommatie heeft [appellant] niet meegewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde.

2. De curator heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat deze [appellant] zal veroordelen de woning binnen 48 uur te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte van de sleutels, en de woning ter vrije beschikking aan de curator te stellen, alsmede dat deze de curator zal machtigen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen. De voorzieningenrechter heeft de vordering grotendeels toegewezen.

3. Blijkens de conclusie van de memorie van grieven vordert [appellant] dat het hof de curator zal veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Deze vordering is blijkens de in de memorie van grieven opgenomen stellingen van [appellant] gebaseerd op een beweerde onrechtmatige daad van de curator bij de verkoop van de woning. Uit de stukken van de eerste aanleg blijkt niet dat [appellant] in die instantie enige vordering in reconventie heeft ingesteld. Artikel 353, eerste lid, Rv staat eraan in de weg dat een vordering in reconventie voor het eerst in hoger beroep wordt ingesteld. Deze vordering ligt reeds om deze reden voor afwijzing gereed.

4. [appellant] heeft in de appeldagvaarding ook vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter gevorderd. Het hof zal nagaan of de grieven, die het hof aldus begrijpt dat [appellant] beoogt te stellen dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vorderingen heeft toegewezen omdat zij niet bewezen achtte dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende met zijn belangen rekening te houden, door te verhinderen dat ING Bank aan [de moeder van appellant] een hypothecaire lening verschafte en door daarover ING Bank ongevraagd te adviseren.

5. Zoals de curator terecht heeft aangevoerd, dient zij in haar functie niet alleen rekening te houden met de belangen van de failliet, maar ook met de belangen van de boedel en de belangen van alle (niet alleen de hypothecaire) crediteuren. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om aannemelijk te maken dat de curator onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belang om in de woning te blijven. Zij heeft hem immers meerdere malen, en zelfs nadat een koopovereenkomst met een derde was gesloten, in de gelegenheid gesteld te bewerkstelligen dat [de moeder van appellant] het hypotheekrecht van de eerste hypotheekhoudster zou overnemen. Aan de daarbij gestelde voorwaarden, die het hof voorshands niet onredelijk voorkomen, heeft [appellant] telkens niet voldaan. Onder deze omstandigheid kon niet van de curator worden verlangd dat zij de effectuering van de reeds gesloten koopovereenkomst nog langer ophield.

6. In het licht van het boedelbelang (voortgang bij de afwikkeling van het faillissement) acht het hof het voorshands evenmin onrechtmatig dat de curator eigenmachtig contact heeft opgenomen met ING Bank teneinde na te gaan welk realiteitsgehalte de overgelegde offerte van ING Bank aan [de moeder van appellant] had. [appellant] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de curator in dat contact meer gegevens aan ING Bank heeft verstrekt dan nodig voor het krijgen van een duidelijk antwoord, en evenmin dat de curator aan ING Bank onjuiste gegevens heeft verstrekt. Dat de curator daarbij ING Bank in enige richting heeft geadviseerd is door de curator betwist en door [appellant] niet met feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat het hof die stelling passeert.

7. De slotsom is dat de grieven falen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Daarbij past een kostenveroordeling van [appellant].

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 3 september 2010;

- wijst het door [appellant] in hoger beroep gevorderde af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de curator tot op heden vastgesteld op € 284,- aan verschotten en € 1788,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.