Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7717

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
22-004617-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ7174, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7174
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging moord en een bedreiging met de dood van een persoon. Daarnaast heeft hij zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood van een andere persoon alsook het aanwezig hebben van een vuurwapen.

De verdachte heeft van korte afstand meerdere kogels afgevuurd/afgeschoten op de auto van de slachtoffers, terwijl een van hen zich in het schootsveld van de verdachte bevond en de ander in de directe nabijheid daarvan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het hof veroordeelt de verdachte tot vijf jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004617-11

Parketnummers: 10-660078-11 en 11-710466-10 (TUL)

Datum uitspraak: 7 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 1], ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde eerste cumulatief/alternatief, voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 2], alsook het onder 1 tweede cumulatief/alternatief en onder 2 ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 maart 2011 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg, althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal (van korte afstand) één of meer kogel(s) met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft afgevuurd/afgeschoten naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en/of

dat hij op of omstreeks 5 maart 2011 te Rotterdam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan voornoemde personen een vuurwapen getoond en/of meermalen, althans éénmaal (van korte afstand) één of meer kogel(s) met dit/een vuurwapen afgevuurd naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

2.

Dat hij op of omstreeks 5 maart 2011 te Rotterdam

alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, model 66-3, kaliber .357 Magnum voorhanden heeft gehad.

Onderzoekswens

Ballistisch onderzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte gepersisteerd bij het eerder gedane schriftelijke verzoek d.d. 22 februari 2012, strekkende tot - kort gezegd - het instellen van een nader onderzoek met betrekking tot de ballistiek van de door de verdachte afgevuurde kogels. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de afwijzing van dit verzoek als gedaan bij schrijven van 22 mei 2012.

Het hof stelt vast dat ten aanzien van dit verzoek het criterium noodzakelijkheid van toepassing is en overweegt dienaangaande als volgt.

Naar het hof begrijpt is het doel van het verzochte nader onderzoek erin gelegen om, aan de hand van vaststellingen met betrekking tot de (door ricocheren dan wel door inslag in materie afgenomen) energie van de afgevuurde kogels, het - door de rechtbank aangenomen - voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] in twijfel te trekken. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat die verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Voor de beantwoording van de vraag of er (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, moet worden bezien of er op het moment van afvuren van de kogels een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] geraakt zou worden, en deze kans willens en wetens is aanvaard. Of [slachtoffer 1] vervolgens daadwerkelijk - direct, dan wel indirect - of zelfs in het geheel niet geraakt wordt, is voor de te beantwoorden vragen op zichzelf niet van belang. Voor het beantwoorden van deze vragen is een nader onderzoek als verzocht niet noodzakelijk. Het verzoek wordt mitsdien afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 05 maart 2011 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 1]

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, van korte afstand kogels met een vuurwapen heeft afgevuurd/afgeschoten in de richting van die [slachtoffer 1],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en

dat hij op 5 maart 2011 te Rotterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan voornoemde personen een vuurwapen getoond en meermalen van korte afstand kogels met dit vuurwapen afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1].

2.

Dat hij op 5 maart 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, model 66-3, kaliber .357 Magnum voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Opzet

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden dan wel hem enig zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte dient derhalve van het onder 1, eerste cumulatief/alternatief, ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. Eén en ander overeenkomstig de door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof van het navolgende uit.

De verdachte bevond zich op 5 maart 2011 in een café in Rotterdam en heeft daar op enig moment bij een gokautomaat een tik op zijn achterhoofd gekregen van een man. De verdachte voelde zich daardoor vernederd maar aangezien deze man deel uitmaakte van een grotere - in het café aanwezige - groep personen voelde de verdachte zich niet bij machte om iets terug te doen. De verdachte heeft vervolgens het café om 02.11 uur verlaten en in zijn auto gewacht, naar eigen zeggen tot hij weer nuchter genoeg was om weg te kunnen rijden. Vanuit zijn auto zag hij enige tijd later een man en een vrouw het café verlaten. Het waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die om 02:34 uur dit café verlieten en naar een geparkeerd staande auto liepen. De verdachte zag [slachtoffer 2] aan voor de vriendin van de man met wie hij even daarvoor ruzie had gehad bij de gokautomaat. Hij pakte vanonder zijn stoel een geladen vuurwapen, startte zijn auto en reed vervolgens stapvoets naar het voertuig en bleef daar, parallel aan dat voertuig met de neus van zijn auto net iets voor de neus van de auto van [slachtoffer 1] staan. Op dat moment bevond [slachtoffer 2] zich min of meer achter die auto; [slachtoffer 1] stond bij het linkervoorportier van zijn eigen auto en was voor de verdachte, die over de motorkap van [slachtoffer 1] zijn auto keek, daar goed zichtbaar. De verdachte opende zijn autoportierraam en richtte het geladen vuurwapen schuin achterwaarts om zijn linkerschouder heen. Op dat moment zag hij dat [slachtoffer 1] niet de man was met wie hij eerder ruzie had in het café, maar een man die deel uitmaakte van voornoemde groep. De verdachte zei vervolgens tegen [slachtoffer 1] "Waar is je vriend?" of woorden van gelijke strekking en vuurde direct daarop achtereenvolgens - nog steeds schuin achterwaarts om zijn linkerschouder heen - zes kogels af op de auto van [slachtoffer 1].

Uit forensisch onderzoek aan de auto van [slachtoffer 1] is gebleken dat de ruiten van de linker en rechter voorportieren vernield waren, dat er hoger op de muur waarlangs de auto van [slachtoffer 1] geparkeerd stond -parallel aan de auto van [slachtoffer 1] - twee beschadigingen zijn aangetroffen en dat een manteldeel van een afgevuurd projectiel verderop in de straat is aangetroffen. Verder zijn er twee inschoten in het linker achterportier aan de binnenzijde aangetroffen (die eerst door de ruit van het rechter voorportier zijn gegaan), alsmede een indruk in de raamstijl van het linker voorportier, een inschot in het rechtervoorportier, een inschot in de rechter buitenspiegel, een inschot in de rechter raamstijl van de voorruit en een inschot in de voorruit rechtsonder. Daarnaast volgt uit forensisch onderzoek aan de jas die [slachtoffer 1] op het moment van het schietincident aan had, dat deze op twee plaatsen door een projectiel is geraakt, te weten linksvoor en onder de rechteroksel. In de voering onder de rechteroksel is een loden kern van een verschoten projectiel aangetroffen.

Uit de FARR-verklaring d.d. 7 maart 2011 blijkt dat [slachtoffer 1] een bruine plek met rode streepvormige verkleuringen onder zijn rechteroksel heeft opgelopen, welk letsel kan passen bij geraakt worden door een klein voorwerp met hoge snelheid.

Gelet op de positie van [slachtoffer 1] en het aangetroffen kogelsporenpatroon bevond [slachtoffer 1] zich, op het moment dat de verdachte de kogels afvuurde met het vuurwapen, in het schootsveld van de verdachte. Het behoeft naar 's hofs oordeel verder geen betoog dat een kogelverwonding dodelijk kan zijn.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van de verdachte - bestaande uit het achtereenvolgens van korte afstand afvuren van zes kogels, terwijl [slachtoffer 1] zich in het schootsveld bevond - naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van die [slachtoffer 1] dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat die [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Derhalve was het opzet (begrepen in voorwaardelijke zin) van de verdachte op de dood van die [slachtoffer 1] was gericht. De stelling van de verdachte dat hij expres heeft misgeschoten berust niet op hetgeen feitelijk is aangetroffen en kan niet worden verenigd met zijn eigen verklaring met betrekking tot het schieten. Gelet op het kogelsporenpatroon heeft hij niet slechts naar beneden geschoten (hetgeen, gelet op het gevaar van ricocheren nog steeds uiterst gevaarzettend zou zijn) maar heeft hij de auto van [slachtoffer 1] op diverse plaatsen aan de rechtervoorzijde geraakt; bovendien heeft hij naar eigen zeggen - schuin achterwaarts met zijn rechterhand om zijn linkerschouder heen geschoten, terwijl hij het stuur van de auto in zijn linkerhand vast had - hetgeen met zich meebrengt dat het onwaarschijnlijk is dat met precisie gemikt kan worden; tenslotte heeft hij ook nog verklaard dat hij wel eerder heeft geschoten maar niet een echt geoefend schutter is, en ook niet echt vertrouwd is met effecten van ricocheren. Dit alles maakt zijn handelen zodanig, dat kansaanvaarding in hierboven bedoelde zin bewezen is.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Voorbedachte rade

De raadsman van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, impliciet primair, ten laste gelegde eerste cumulatief/alternatief, nu er geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Eén en ander overeenkomstig de door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Gelet op de reeds hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een tijdsspanne van enige duur - te weten de tijdspanne vanaf het moment waarop de verdachte, nadat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanuit zijn auto het café zag verlaten, het geladen vuurwapen onder zijn autostoel vandaan haalde tot aan het moment van het daadwerkelijk afvuren van de kogels - waarin de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden over zijn genomen besluit en over de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken. Dat er vanaf bedoeld moment sprake zou zijn geweest van een hevige boosheid c.q. drift, ofwel een enige tijd voortdurende psychische toestand hetwelk het helder denken van verdachte onmogelijk zou hebben gemaakt, is ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord,

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging moord en een bedreiging met de dood van [slachtoffer 1]. Daarnaast heeft hij zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood van [slachtoffer 2] alsook het aanwezig hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft van korte afstand meerdere kogels afgevuurd/afgeschoten op de auto van de slachtoffers, terwijl [slachtoffer 1] zich in het schootsveld van de verdachte bevond en [slachtoffer 2] in de directe nabijheid daarvan. Dat [slachtoffer 1] als gevolg van de handelwijze van de verdachte niet dodelijk is getroffen maar slechts licht gewond is geraakt, berust louter op een uiterst gelukkig toeval en is geenszins aan het handelen van de verdachte te danken. De verdachte heeft aldus het leven van [slachtoffer 1] in gevaar gebracht en een grove inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben zich zeer bedreigd gevoeld en hebben het schietincident - zo blijkt uit in eerste aanleg ingediende vorderingen benadeelde partij - als traumatisch ervaren. Naar de ervaring leert kunnen slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven hiervan ernstige en langdurige psychische problemen ondervinden. Naast de gevolgen die de directe slachtoffers van dit feit ondervinden, worden door een dergelijk misdrijf ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt door de schijnbare vanzelfsprekendheid waarmee vuurwapens voorhanden zijn en de lichtzinnigheid waarmee daarvan gebruik wordt gemaakt. De verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen geïntimideerde gevoelens.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Reclasseringsadvies d.d. 29 juni 2011, opgemaakt en ondertekend door reclasseringsmedewerker S. Koeijer.

Het hof is - alles overwegende en gelet op strafopleggingen in soortgelijke zaken - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf als opgelegd door de rechtbank een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.600,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.600,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.750,-. Voorts is een vergoeding gevorderd voor geleden immateriële schade ten bedrage van € 2.100,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is, voor zover betrekking hebbend op de materiële schade, namens de verdachte betwist.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het gevorderde schadebedrag wegens schade aan de auto dient te worden afgewezen, nu het schadebedrag onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij wegens materiële schade aan de auto, gelet op de zich in het dossier bevindende factuur d.d. 13 april 2010 en de advertentie van een soortgelijke auto, voldoende onderbouwd en voor volledige toewijzing vatbaar.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële- alsook immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.850,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het [slachtoffer 1].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Dordrecht van 26 oktober 2010 onder parketnummer 11-710466-10 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 36f, 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.600,- (duizend zeshonderd euro) betreffende immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 1.600,- (duizend zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.850,- (vierduizend achthonderdvijftig euro) bestaande uit

€ 2.750,- (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) betreffende materiële schade en € 2.100,- (tweeduizend honderd euro) betreffende immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 4.850,- (vierduizend achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Dordrecht van 26 oktober 2010, parketnummer 11-710466-10, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering,

mr. H.C. Wiersinga en mr. J.M. van de Poll, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juni 2012.