Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7669

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
22-003331-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Daarbij is aanmerkelijke schade aan personen en aan goederen aangebracht. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van openlijke geweldpleging. In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat geen geweldshandelingen van verdachte zijn komen vast te staan (hij heeft als chauffeur opgetreden naar de vechtpartij toe), alsmede met de aannemelijk geworden omstandigheid dat de verdachte thans beproeft zijn leven een wending ten goede te geven. Het hof legt de verdachte een werkstraf van 80 uur op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-003331-11

parketnummers 10-661202-09 en 10-663079-10, alsmede 09-753426-08 (TUL)

datum uitspraak 6 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

In eerste aanleg is de voeging van de zaken met de parketnummers 10-661202-09 en 10-663079-10 bevolen. Het hof zal - omwille van de leesbaarheid van het arrest - gebruik maken van een doorlopende nummering van de gevoegde zaken.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. (parketnummer 10-661202-09)

hij op of omstreeks 24 april 2009 te Capelle aan den IJssel, op of aan de openbare weg, Nijverheidsstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer I] en/of [slachtoffer II], welk geweld bestond uit het:

- meermalen, althans éénmaal (telkens) die [slachtoffer II] slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/of

- meermalen, althans éénmaal (telkens) die [slachtoffer I] slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam en/of in/op/tegen het gezicht en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer I] op de grond gooien en/of

- meermalen, althans éénmaal (telkens) (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer I] op de grond ligt) (met geschoeide voet) die [slachtoffer I] op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of op/tegen het lichaam trappen en/of schoppen;

2. (parketnummer 10-663079-10)

hij op of omstreeks 28 juni 2010 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de IJsselmondselaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en/of goederen, welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- beetpakken van [slachtoffer III] en/of

- tegen auto's duwen van [slachtoffer III] en/of

- schoppen en/of slaan op/tegen de rug en/of de/het be(e)n(en) van [slachtoffer III] en/of

- op de voet van [slachtoffer III] staan en/of

- gooien van/met één of meerdere stoel(en) en/of (bak)ste(e)n(en) en/of prullenbak(ken) en/of fiets(en) en/of (bier)flesje(s) en/of bloempot(ten) op/tegen één of meerdere auto('s) en/of op/tegen/in de richting van het hoofd/lichaam/hand/knie/arm van [slachtoffer IV] en/of [slachtoffer V] en/of [slachtoffer VI] en/of [slachtoffer VII] en/of [slachtoffer VIII] en/of

- slaan op/tegen het hoofd van [slachtoffer IV] en/of

- steken in de schouder van [slachtoffer IV] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp en/of

- duwen van en/of trekken aan [slachtoffer V] en/of

- stompen op/tegen het hoofd en/of de arm(en) van [slachtoffer V] en/of

- slaan met één of meerdere stok(ken) en/of (bak)ste(e)n(en) en/of schoppen op/tegen het lichaam van [slachtoffer VIII] en/of

- (daarbij) roepen:"Kom dan!" en/of

- lopen over en/of springen op één of meerdere auto('s) en/of

- trappen tegen een buitenspiegel van een auto, terwijl hij, verdachte, opzettelijk een Opel Agila (kleur blauw, [kenteken A]) en/of één of meerdere fiets(en) van die [slachtoffer VII] en/of [slachtoffer VIII] heeft vernield en/of terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig(e) pijn en/of lichamelijk letsel voor [slachtoffer IV] en/of [slachtoffer III] en/of [slachtoffer V] en/of [slachtoffer VI] en/of [slachtoffer VII] ten gevolge heeft gehad.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij II], [slachtoffer VIII], [slachtoffer III] en [benadeelde partij I] is beslist als nader in het vonnis omschreven. Voorts is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd als nader in het vonnis omschreven. Daarnaast is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juni 2008 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde stelt het hof op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, het volgende vast.

Op 24 april 2009 werd de verdachte door zijn broertje [getuige I] gebeld. Tijdens dat telefoongesprek deelde [getuige I] de verdachte mede dat jongens uit 's-Gravenland hem van zijn Lacoste petje hadden beroofd. Daarop besloot de verdachte om in het gezelschap van zijn broertje en een aantal anderen naar Capelle aan den IJssel te gaan om, zoals hij het zelf uitdrukt, verhaal te gaan halen.

Eenmaal daar aangekomen, kreeg de verdachte een klap op zijn achterhoofd. De verdachte werkte degene die de klap had uitgedeeld tegen de grond. Er ontstond een één op één gevecht. Terwijl hij op de grond lag, zag de verdachte dat vrienden van zijn broertje de jongen, met wie de verdachte in gevecht was, in het gezicht trapten. De verdachte, die volgens zijn eigen verklaring vond dat het een eerlijk gevecht moest blijven, heeft daarop tegen die vrienden geroepen dat zij moesten 'opkankeren'.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de verdachte, die reageerde op jegens hem uitgeoefend geweld, in vereniging geweld tegen personen heeft gepleegd. In dat verband kent het hof bijzondere betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte tegen anderen heeft gezegd dat zij moesten 'opkankeren', omdat hij vond dat het een eerlijk gevecht van één tegen één moest blijven.

Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 28 juni 2010 te Rotterdam, op de openbare weg, de IJsselmondselaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen, welk geweld bestond uit het met kracht

- beetpakken van [slachtoffer III] en

- tegen auto's duwen van [slachtoffer III] en

- schoppen en/of slaan tegen de rug en de benen van [slachtoffer III] en

- op de voet van [slachtoffer III] staan en

- gooien met meerdere stoelen en bakstenen en prullenbakken en fietsen en bierflesjes en bloempotten in de richting van het lichaam van [slachtoffer IV] en [slachtoffer V] en [slachtoffer VI] en [slachtoffer VII] en [slachtoffer VIII] en

- slaan tegen het hoofd van [slachtoffer IV] en

- steken in de schouder van [slachtoffer IV] met een scherp voorwerp en

- duwen van en trekken aan [slachtoffer V] en

- stompen tegen het hoofd en de arm van [slachtoffer V] en

- slaan met één stok en baksteen en schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer VIII] en

- lopen over en springen op meerdere auto's en

- trappen tegen een buitenspiegel van een auto.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu in de visie van de advocaat-generaal en de verdediging in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn op grond waarvan buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een significante bijdrage aan de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft geleverd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 25 april 2000 (Staatsblad 2000, 173), waarbij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht werd gewijzigd is volgens de wetgever van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Op 28 juni 2010 heeft er een gewelddadig treffen tussen een aantal bewoners van de IJsselmondselaan te Rotterdam en een groep uit Krimpen aan den IJssel plaatsgehad. Aanleiding daarvoor was een ruzie die al langere tijd aan de gang was.

Uit de verklaringen van aangevers leidt het hof af dat de groep uit Krimpen het geweld heeft ingezet door onder andere fietsen, bakstenen en stoelen naar aangevers te gooien. Ook is fysiek geweld niet geschuwd en zijn diverse auto's beschadigd.

De vraag is of het dossier voldoende aanknopingspunten biedt op grond waarvan bewezen kan worden verklaard dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd.

Ter beantwoording van die vraag heeft het hof met name acht geslagen op de verklaringen die de verdachte tegenover de politie en ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, alsmede op de op 29 juni 2010 tegenover de politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [I].

Op grond van die verklaringen stelt het hof ten aanzien van de verdachte vast dat hij in het gezelschap van de medeverdachte [II] verkeerde op het moment dat laatstgenoemde werd gebeld met de oproep naar het Kralingseveer te Rotterdam te komen om te vechten. Tijdens dat telefoongesprek is [II] met de dood bedreigd. De verdachte wist dat er reeds lange tijd ruzie gaande was tussen een groep waarvan de verdachte deel uitmaakte en een groep uit Capelle aan den IJssel. Hij besloot om mee te gaan om 'verhaal te halen'. Nadat een groep zich in de buurt van de woning van [II] had verzameld, is men in een aantal auto's gestapt en richting het Kralingsveer gereden. De verdachte heeft een van die auto's bestuurd. Eenmaal ter plaatse is de betreffende groep achter een jongen aangerend die een woning gelegen aan de [adres I] is ingevlucht. Vervolgens heeft de groep geweld tegen personen en/of goederen ingezet. De verdachte heeft verklaard te hebben gezien dat er vanuit zijn groep fietsen werden gegooid. De verdachte stond op dat moment tussen andere leden van zijn groep op een 'bruggetje' dat op een afstand van ongeveer drie meter van het bewuste huis ligt.

Uit het hierboven staande leidt het hof af dat de verdachte wist dat er gevochten zou gaan worden. Desondanks heeft de verdachte besloten om met de groep mee te gaan om verhaal te halen. Vervolgens heeft de verdachte de geweldshandelingen die door zijn groep werden gepleegd met name direct voor dan wel op korte afstand van de woning [adres I], gadegeslagen op zeer korte afstand zonder zich daarvan op enig moment te distantiëren.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte dan ook door mede de groep te vormen die verhaal ging halen, een deel van die groep als bestuurder naar de plaats te brengen waar verhaal moest worden gehaald en de uitbrekende geweldshandelingen van zeer kort nabij mee te maken, zonder er iets tegen te ondernemen, een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld geleverd als door de wetgever is bedoeld. De enkele omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf geweld heeft gebruikt, doet aan dat oordeel niet af.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Dergelijke vormen van zinloos geweld veroorzaken in het algemeen veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarbij komt in dit geval dat ook aanmerkelijke schade aan personen en aan goederen is aangebracht.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van openlijke geweldpleging. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat geen geweldshandelingen van verdachte zijn komen vast te staan, alsmede met de aannemelijk geworden omstandigheid dat de verdachte thans beproeft zijn leven een wending ten goede te geven.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit:

* [slachtoffer III], tot een bedrag van € 275,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

* [benadeelde partij I], tot een bedrag van € 75,- aan materiële schade;

* [benadeelde partij II], tot een bedrag van

€ 1.892,02 aan materiële schade;

* [slachtoffer VIII], tot een bedrag van in totaal

€ 8.718,-, te weten € 8.418,- aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade.

Op de vorderingen van de benadeelde partijen is in eerste aanleg als volgt beslist:

* de vordering van [slachtoffer III] is geheel toegewezen;

* [benadeelde partij I] is in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard;

* de vordering van [benadeelde partij II] is geheel toegewezen;

* de vordering van [slachtoffer VIII] is toegewezen tot een bedrag van € 1.218,-, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

In hoger beroep hebben de benadeelde partijen [benadeelde partij I], [slachtoffer III] en [benadeelde partij II] hun vorderingen tot schadevergoeding gehandhaafd tot de gevorderde bedragen. De benadeelde partij [slachtoffer VIII] heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding dienen te worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer III] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering tot vergoeding van immateriële schade leent zich dan ook

- naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van 275,00.

Daarbij bepaalt het hof dat het bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden tot aan de dag der algehele voldoening.

De toewijzing van bovengenoemde vordering brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij I], [benadeelde partij II] en [slachtoffer VIII] overweegt het hof dat behandeling daarvan naar 's hofs oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal dan ook bepalen dat de overige benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding zijn. Die vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij I], [benadeelde partij II] en [slachtoffer VIII] kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 275,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer III], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juni 2008 onder parketnummer

09-753426-08 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdveertig uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en met bevel dat een gedeelte van die straf, te weten veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer III] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 275,-(tweehonderd vijfenzeventig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer III] een bedrag te betalen van € 275,-(tweehonderd vijfenzeventig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij I], [benadeelde partij II] en [slachtoffer VIII] in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juni 2008 onder parketnummer 09-753426-08, te weten een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. J.M. Reinking en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juni 2012.