Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7667

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
22-006051-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank een aanrijding met een tegemoetkomende auto veroorzaakt. Tengevolge van die aanrijding heeft de bestuurster van die auto een breuk van het borstbeen opgelopen. Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte eerder ter zake van rijden onder invloed met Justitie in aanraking kwam. In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met diens persoonlijke omstandigheden. Het hof legt de verdachte een werkstraf van 150 uren op en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-006051-11

parketnummer 09-610030-11

datum uitspraak 6 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 oktober 2010 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, (de Westvlietweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden terwijl hij een grote hoeveelheid (600 ugl) alcohol had genuttigd en/of (vervolgens)

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens) - op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of is blijven rijden, tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een hem tegemoetkomende bestuurder van een auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten borstbeenfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 oktober 2010 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Westvlietweg, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden terwijl hij een grote hoeveelheid (600 ugl) alcohol had genuttigd en/of (vervolgens)

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens) - op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of is blijven rijden, tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een hem tegemoetkomende bestuurder van een auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 05 oktober 2010 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 05 oktober 2010 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, (de Westvlietweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen:

hij, verdachte,

- heeft aldaar gereden terwijl hij een grote hoeveelheid (600 ugl) alcohol had genuttigd en

- heeft op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer gereden en is aldaar blijven rijden, tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig tegen een hem tegemoetkomende auto is gebotst, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 05 oktober 2010 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het geheel van de aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen als roekeloos handelen dient te worden gekwalificeerd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Wil een bewezenverklaring van roekeloosheid kunnen volgen dan zal op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting moeten kunnen worden vastgesteld dat de verdachte welbewust onaanvaardbare risico's heeft genomen.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken stelt het hof het volgende vast.

Op 5 oktober 2010 omstreeks 23.35 uur reed [slachtoffer] als bestuurder van een motorrijtuig over de Vlietweg te Leidschendam op de (voor het verkeer in haar richting bestemde) rechter rijstrook in de richting van de Wijkerlaan te Voorburg. Plotseling zag zij een ander motorrijtuig recht op zich af komen rijden. Zij zag dat de bestuurder van dat motorrijtuig midden op de weg reed. Ondanks een uitwijkmanoeuvre naar rechts, kon zij een aanrijding niet meer voorkomen. De bestuurder van het tegemoetkomende motorrijtuig reed met hoge snelheid tegen de voorzijde van haar motorrijtuig. Als gevolg van die aanrijding is [slachtoffer] met haar borst tegen het stuur aangekomen.

De lezing omtrent de toedracht van de aanrijding vindt steun in de op 5 oktober 2010 tegenover de politie afgelegde verklaring van de getuige [getuige I].

Kort daarop werd de verdachte op een afstand van ongeveer 100 tot 150 meter van de plaats van het ongeval door de politie aangehouden. Zijn motorrijtuig miste het linkervoorwiel. Een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 leverde een F indicatie op. De verdachte is aangehouden en meegenomen naar het bureau.

Op het bureau verleende de verdachte zijn medewerking aan een ademanalyse als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeersweg 1994. Het onderzoek leverde op dat bij verdachte sprake was van 600 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

De verdachte heeft omtrent de toedracht van de aanrijding verklaard dat hij die bewuste avond omstreeks 18.30 uur met een aantal collega's naar een café in Delft is gegaan, alwaar hij bier heeft gedronken. Op enig moment, het tijdstip herinnert hij zich niet, is de verdachte in zijn motorrijtuig gestapt en richting het Wateringse Veld gereden. Van de aanrijding zelf kan de verdachte zich, volgens eigen zeggen, niets meer herinneren.

Op grond van het hierboven staande, stelt het hof ten aanzien van de verdachte vast dat deze:

- onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank een motorrijtuig heeft bestuurd;

- niet op zijn 'eigen' weghelft is blijven rijden;

- in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend motorrijtuig.

Het hof benadrukt dat rijden onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, zoals de verdachte in de onderhavige zaak deed, van een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van medeweggebruikers getuigt. Dit enkele gegeven leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de verdachte welbewust een onaanvaardbaar risico heeft genomen en roekeloos heeft gereden.

Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, dient het geheel van de ten aanzien van de verdachte vastgestelde gedragingen naar 's hofs oordeel dan ook niet als roekeloos rijgedrag te worden gekwalificeerd.

Uit de vastgestelde gedragingen kan naar 's hofs oordeel wel worden afgeleid dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest, moet worden opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank een aanrijding met een tegemoetkomende auto veroorzaakt. Tengevolge van die aanrijding heeft de bestuurster van die auto een breuk van het borstbeen opgelopen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel jegens zijn medeweggebruikers te hebben en het slachtoffer veel narigheid bezorgd.

Voorts blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2012 dat de verdachte eerder ter zake van rijden onder invloed met Justitie in aanraking kwam en op 12 april 2009 te Rotterdam wederom werd aangehouden op verdenking van rijden onder invloed. De verdachte was dan ook een gewaarschuwd man.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met diens persoonlijke omstandigheden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Daarnaast acht het hof - ter beveiliging van medeweggebruikers - een langdurige ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geboden.

Met betrekking tot de ontzegging van de rijbevoegdheid overweegt het hof dat het belang van de verkeersveiligheid dat met deze ontzegging is gediend, zwaarder dient te wegen dan het belang van de verdachte bij het behoud van zijn rijbevoegdheid.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding een deel van die ontzegging voorwaardelijk op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. J.M. Reinking en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juni 2012.