Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7425

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
22-006088-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2010:BO5167, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:853, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte V. in hoger beroep tot 18 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. Het hof acht bewezen dat de verdachte het slachtoffer op 10 maart 2010 heeft vermoord, oraal verkracht, haar van haar vrijheid beroofd en haar lijk verborgen.

Het slachtoffer betreft het 12-jarige buurmeisje van V. De man heeft dit ogenschijnlijk volstrekt willekeurig gekozen slachtoffer vanuit haar ouderlijke woning met een verhaal over katten meegelokt naar zijn woning. Daar heeft hij de mobiele telefoon van het slachtoffer onklaar gemaakt. Hij heef tie-wraps rond haar polsen aangebracht, haar borsten betast en zijn penis in haar mond gebracht. Vervolgens heeft hij het slachtoffer met zijn broeksriem gewurgd. Hij heeft haar in zijn achtertuin begraven. Het slachtoffer is daar zes dagen later, op aanwijzen van de verdachte, door de politie aangetroffen.

De buitengewoon grote ernst van de feiten brengt mee dat een gevangenisstraf van 20 jaar in beginsel op zijn plaats is. Daar staat tegenover dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend aan V. De gedragsdeskundigen hebben bovendien ter zitting verklaard dat de tbs-maatregel naar verwachting langer dan gemiddeld zal duren. Een deskundige noemde een duur van meer dan 9 jaar. Dit alles afwegend heeft het hof geoordeeld dat een gevangenisstraf van 18 jaar plus tbs met dwangverpleging passend en geboden is.

De rechtbank in Dordrecht had dezelfde straf opgelegd. (LJN BO5167) In plaats van verkrachting had de rechtbank ontucht bewezen geacht. De reden dat het hof ondanks de veroordeling voor dit zwaardere feit toch dezelfde straf oplegt, is gelegen in de omstandigheid dat, anders dan in eerste aanleg, nu bekend is hoe lang de vermoedelijke duur van de tbs-maatregel wordt ingeschat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 151
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2012, afl. 5, p. 206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006088-10

Parketnummer: 11-870186-10

Datum uitspraak: 5 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 26 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

thans gedetineerd in Vught PPC te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8, 15, 16 en 22 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 meer subsidiair en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (met een riem) gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien ter zake van het integraal hiervoor primair tenlastegelegde - te weten, de levensberoving met voorbedachten rade (moord) - geen bewezenverklaring met strafoplegging mocht volgen:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (met een riem) gewurgd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden en/of verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid en/of het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en/of het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

Meer subsidiair, indien ter zake van het integraal hiervoor subsidiair tenlastegelegde - te weten, de gekwalificeerde doodslag als bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht - geen bewezenverklaring met strafoplegging mocht volgen:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (met een riem) gewurgd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden door met dat opzet

- die [slachtoffer] naar zijn woning te lokken en/of te leiden

- een arm van die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- (nadat die [slachtoffer] verdachte's woning binnen was gegaan) de/een (voor)deur te sluiten en/of op slot te doen en/of

- die [slachtoffer] te vragen of zij een mobiele telefoon bij zich had en/of (vervolgens) de mobiele telefoon van die [slachtoffer] af te pakken en/of onklaar te maken en/of

- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze stil moest zijn en/of dat ze weg mocht als ze rustig bleef zitten en/of dat ze hem niet aan moest kijken, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- tie-rips aan te brengen aan/rond de polsen/armen van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] op haar knieën (voor hem) laten zitten

- (voortdurend) in de nabijheid van die [slachtoffer] te verblijven, zodat die [slachtoffer] belemmerd werd de woning te verlaten;

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of de/een borst(en) van die [slachtoffer] betast en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] naar de woning van verdachte heeft gelokt en/of geleid

- een arm van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of

- (nadat die [slachtoffer] verdachte's woning binnen was gegaan) de/een (voor)deur heeft gesloten en/of op slot heeft gedaan en/of

- aan die [slachtoffer] heeft gevraagd of zij een mobiele telefoon bij zich had en/of (vervolgens) de mobiele telefoon van die [slachtoffer] afgepakt en/of onklaar gemaakt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze stil moest zijn en/of dat ze weg mocht als ze rustig bleef zitten en/of dat ze hem niet aan moest kijken, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- tie-rips aan/rond de polsen/armen van die [slachtoffer] heeft aangebracht en/of

- (voortdurend) in de nabijheid van die [slachtoffer] heeft verbleven, zodat die [slachtoffer] belemmerd werd de woning te verlaten en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of de/een borst(en) van die [slachtoffer] betast;

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de/een borst(en) van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

- het lokken en/of leiden van die [slachtoffer] naar de woning van verdachte

- het vastpakken van een arm van die [slachtoffer] en/of

- (nadat die [slachtoffer] verdachte's woning binnen was gegaan) het sluiten en/of op slot doen van de/een (voor)deur en/of

- het vragen aan die [slachtoffer] of zij een mobiele telefoon bij zich had en/of (vervolgens) de mobiele telefoon van die [slachtoffer] afpakken en/of onklaarmaken en/of

- het tegen die [slachtoffer] zeggen dat ze stil moest zijn en/of dat ze weg mocht als ze rustig bleef zitten en/of dat ze hem niet aan moest kijken, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- het aanbrengen van tie-rips aan/rond de polsen/armen van die [slachtoffer] en/of

- het (voortdurend) in de nabijheid van die [slachtoffer] verblijven, zodat die [slachtoffer] belemmerd werd de woning te verlaten;

Meest subsidiair, voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Dordrecht met [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de/een borst(en) van die [slachtoffer];

4.

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2010 tot en met 11 maart 2010 te Dordrecht een lijk (van [slachtoffer]) (in zijn tuin) heeft begraven en/of verborgen en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 10 maart 2010 te Dordrecht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een riem gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 10 maart 2010 te Dordrecht opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door met dat opzet

- die [slachtoffer] naar zijn woning te lokken en

- een arm van die [slachtoffer] vast te pakken en

- (nadat die [slachtoffer] verdachte's woning binnen was gegaan)

- die [slachtoffer] te vragen of zij een mobiele telefoon bij zich had en vervolgens de mobiele telefoon van die [slachtoffer] af te pakken en onklaar te maken en

- tie-wraps aan te brengen rond de polsen van die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] op haar knieën te laten zitten en

- voortdurend in de nabijheid van die [slachtoffer] te verblijven, zodat die [slachtoffer] belemmerd werd de woning te verlaten;

3. primair

hij op 10 maart 2010 te Dordrecht door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en de borsten van die [slachtoffer] betast en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] naar de woning van verdachte heeft gelokt en

- een arm van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en

- (nadat die [slachtoffer] verdachte's woning binnen was gegaan)

- aan die [slachtoffer] heeft gevraagd of zij een mobiele telefoon bij zich had en vervolgens de mobiele telefoon van die [slachtoffer] heeft afgepakt en onklaar heeft gemaakt en

- tie-wraps rond de polsen van die [slachtoffer] heeft aangebracht en

- voortdurend in de nabijheid van die [slachtoffer] heeft verbleven, zodat die [slachtoffer] belemmerd werd de woning te verlaten en

- aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4.

hij in de periode van 10 maart 2010 tot en met 11 maart 2010 te Dordrecht een lijk (van [slachtoffer]) in zijn tuin heeft begraven met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren en overwegingen aangaande het bewijs

Bewijsuitsluiting ten aanzien van de verklaringen van de verdachte.

De raadsman van de verdachte, mr. O.E. de Jong, heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities - betoogd dat de verklaring die de verdachte voorafgaand aan zijn inverzekeringstelling (welke plaatsvond op 16 maart 2010 om 16.48 uur) tegenover de politie heeft afgelegd van het bewijs moet worden uitgesloten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit het proces-verbaal verhoor inverzekeringstelling verdachte d.d. 16 maart 2010 niet blijkt dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld wordt dat bewijsuitsluiting in beginsel niet in aanmerking komt ten aanzien van verklaringen die de verdachte heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en hem de in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde mededeling is gedaan dat hij niet verplicht is tot antwoorden (vgl. HR 30 juni 2009, LJN: BH3079, NJ 2009/349, rov. 2.7.3).

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie d.d. 13 april 2010 met nr. PL1810 2010023850-237 (I.AH10.2) blijkt dat de verdachte op 16 maart 2010 omstreeks 19.21 uur is bezocht door een advocaat, te weten mr. J.S. Nan, en dat het eerste inhoudelijke verhoor van de verdachte is aangevangen op 16 maart 2010 om 21.55 uur. Uit het proces-verbaal van dat laatste verhoor blijkt bovendien dat de verdachte voorafgaand aan dat verhoor is gewezen op zijn zwijgrecht.

Het staat het hof derhalve, mede gelet op hetgeen hierna door het hof omtrent het Brusco-arrest wordt overwogen, vrij om de verklaringen van de verdachte afgelegd na 16 maart 2010 te 19.21 uur tot het bewijs te bezigen. Aangezien het hof uitsluitend die verklaringen tot het bewijs zal bezigen, kan in het midden blijven of de verdachte voorafgaand aan het verhoor dat op 16 maart 2010 om 16.46 uur plaatsvond in het kader van zijn inverzekeringstelling, al dan niet afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht.

De raadsman van de verdachte heeft daarnaast betoogd dat de verklaringen die de verdachte op 16 en 17 maart 2010 tegenover de politie heeft afgelegd van het bewijs moeten worden uitgesloten nu tijdens de verhoren van de verdachte geen raadsman aanwezig is geweest. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het zogeheten Brusco-arrest (EHRM 14 oktober 2010, NJ 2011/386) voortvloeit dat een verdachte recht heeft op aanwezigheid van zijn raadsman bij het politieverhoor en dat derhalve is gehandeld in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert.

Het hof verwerpt dit verweer nu uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat uit het Brusco-arrest niet kan worden afgeleid dat een meerderjarige verdachte recht heeft op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor (vgl. HR 20 december 2011, LJN: BT7086). Mitsdien staat het het hof, zoals hiervoor overwogen, vrij om de op 16 maart vanaf 21.55 uur en de op

17 maart 2010 door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen tot het bewijs te bezigen.

Ten aanzien van de onder 1 primair bewezen verklaarde voorbedachte rade.

De raadsman van de verdachte, mr. O.E. de Jong, heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd - kort samengevat - dat gelet op de paniek waarin de verdachte verkeerde, het cannabisgebruik en de verweesdheid van de verdachte, en de door de verdediging aangevoerde contra-indicaties voor voorbedachte rade, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de verdachte heeft gehandeld in een vlaag van verstandsverbijstering, een impuls waarbij geen sprake was van voorbedachte rade.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN: BR2342 en NS 2012, 152).

De verdachte heeft over het moment voorafgaand aan de verwurging van het slachtoffer in de badkamer van zijn woning, blijkens zijn door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van 17 maart 2010, tegenover de politie verklaard (VV1.2, p. 10): "Ik heb vier blowtjes zitten draaien op de rand van de wc. Ze vroeg me wat ik zou doen. [...] Toen ik klaar was met een blowtje draaien had ik wel zoiets van: en nu."

De verdachte heeft over dit moment in de badkamer voorts tegenover de politie verklaard op 16 maart 2010 (VV1.1a, p. 5): "En daarna had ik het idee van, dit is te link. Ze weet teveel, ze kan me ruïneren. [...] Ze zat op haar knieën. Ik zei dat ze op kon staan en (dat) we zouden gaan. Ik had mijn broek nog half open. Ik heb mijn broeksriem gepakt en die heb ik om haar nek gedaan en aangetrokken."

Uit voornoemde verklaringen van de verdachte blijkt naar het oordeel van het hof niet alleen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, maar ook dat hij van die gelegenheid om na te denken daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en verwerpt mitsdien het verweer.

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde seksueel binnendringen.

De raadsman van de verdachte, mr. O.E. de Jong, heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde nu er - kort samengevat - geen enkel bewijs is dat de verdachte, die ontkent zijn penis in de mond van het slachtoffer te hebben gebracht, niet de waarheid spreekt.

Het hof acht op grond van na te noemen - in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vervatte - feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien evenwel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de mond van het slachtoffer seksueel is binnengedrongen.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft onderzoek gedaan naar biologische sporen en tevens DNA-onderzoek verricht. Er is onder meer onderzoek verricht aan de bemonsteringen 'omslag plooi lippen tandvlees' en 'buitenzijde tanden', welke bemonsteringen materiaal bevatten dat afkomstig is van het slachtoffer.

Uit het rapport van het NFI d.d. 21 april 2010, opgemaakt en ondertekend door de deskundige drs. ing. T.J.P. de Blaeij, blijkt dat van het DNA in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen 'omslag plooi lippen tandvlees' en 'buitenzijde tanden' DNA-mengprofielen zijn verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van een man en een vrouw.

Het DNA-profiel van de verdachte matcht met de DNA-(neven)kenmerken in die DNA-mengprofielen. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze combinatie van afgeleide DNA-(neven)kenmerken is kleiner dan één op één miljard. De deskundige stelt dat, hoewel in de microscooppreparaten behorende bij genoemde bemonsteringen microscopisch geen spermacellen zijn aangetroffen, de uitslag van het DNA-onderzoek een sterke aanwijzing geeft voor de aanwezigheid van (een geringe hoeveelheid) spermacellen in beide bemonsteringen.

In haar aanvullende rapport van 6 augustus 2010 stelt De Blaeij dat met de zogeheten PSA-test - een test waarmee wordt onderzocht of bemonsteringen het eiwit ProstaatSpecifiek Antigeen (PSA) bevatten, een eiwit dat in hoge concentratie voorkomt in spermavloeistof - een sterke aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van menselijk spermavloeistof in de bemonsteringen 'omslag plooi lippen tandvlees' en 'buitenzijde tanden' en dat in samenhang met het resultaat van het DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat zich in die bemonsteringen een gering aantal spermacellen heeft bevonden.

De Blaeij heeft die conclusie ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 november 2010 nader toegelicht (proces-verbaal van de terechtzitting, p. 22 e.v.). Zij heeft verklaard - verkort en zakelijk weergegeven - dat bij de isolatie van DNA eerst een milde lysis wordt gedaan, waarbij alle cellen die geen spermacellen zijn (en mitsdien een zachtere celwand hebben) worden opengemaakt zodat het DNA eruit kan komen. Het DNA dat uit die cellen komt, wordt in de milde lysisfractie opgeslagen en daar wordt een DNA-profiel van gemaakt. Vervolgens blijven in het ideale geval alleen de spermacellen over. Die spermacellen worden gelyseerd met een iets stevigere methode, zodat ook spermacelwanden kapot gaan. Dit betreft een tweede fractie, stringente lysisfractie genoemd, en daarin zit het DNA van spermacellen. Van het DNA van de spermacellen wordt een apart DNA-profiel gemaakt. Omdat de DNA-kenmerken die matchen met de DNA-kenmerken van de verdachte alleen in die stringente lysisfractie (zijn aangetroffen), is dat een extra ondersteuning voor de conclusie dat in die fractie ook daadwerkelijk spermacellen moeten hebben gezeten.

De Blaeij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg weliswaar verklaard dat het PSA-eiwit niet alleen voorkomt in spermavloeistof, maar ook in het bloed van patiënten met prostaatkanker, maar het hof overweegt hieromtrent dat door de verdediging is gesteld noch is gebleken dat de verdachte prostaatkanker heeft.

Het hof stelt op grond van de bevindingen en conclusies van deskundige De Blaeij vast, dat zich in de mond van het slachtoffer, te weten bij de omslag plooi lippen tandvlees en bij de buitenzijde van de tanden, spermavloeistof bevond en dat deze spermavloeistof afkomstig is van de verdachte.

Het hof stelt voorts vast dat niet alleen spermavloeistof, maar ook sperma van de verdachte op het slachtoffer is aangetroffen.

Uit het rapport van het NFI d.d. 15 juli 2010, opgemaakt en ondertekend door de deskundige drs. ing. T.J.P. de Blaeij, blijkt immers dat in de bemonstering van de spijkerbroek verkregen van de buitenzijde van de voorkant van de broek boven de knoopssluiting spermacellen zijn waargenomen. Het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal kan afkomstig zijn van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal is kleiner dan één op één miljard.

Omtrent het aantreffen van sperma(vloeistof) op het slachtoffer heeft de verdachte tegenover de politie het volgende verklaard (VV1.1a, p. 5 e.v., VV1.2, p. 11 e.v., VV1.6, p. 12 e.v., VV1.8, p. 2 e.v.), verder door het hof aan te duiden als 'scenario A'.

Nadat hij het slachtoffer in de badkamer van zijn woning had gewurgd is hij naar beneden gelopen, heeft hij een paar vuilniszakken gepakt en daarmee het slachtoffer op de bovenverdieping half ingewikkeld. De verdachte heeft daarbij een hele vuilniszak over het hoofd van het slachtoffer getrokken en met plakband vastgeplakt.

Daarna is hij naar beneden gegaan en heeft hij een condoom gepakt en zichzelf afgetrokken. Toen hij het condoom in de keuken weg wilde gooien, schrok hij van iets dat zich buiten afspeelde. Hierdoor liet hij het condoom vallen en hij heeft gezien dat daarbij sperma op de keukenvloer terecht kwam. Daarna heeft hij het slachtoffer naar beneden gesleept en de verdachte vermoedt dat hij het slachtoffer bij het naar buiten brengen toen door het sperma heeft gesleept, omdat hij zag dat er een flap van een vuilniszak omsloeg en hij toen vlekken op de broek van het slachtoffer constateerde.

De verdediging gaat ter terechtzitting in hoger beroep uit van een iets andere lezing, zoals die ook door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg als mogelijkheid is geopperd, en die door het hof verder aangeduid wordt als 'scenario B'.

De verdachte heeft, nadat hij het slachtoffer had gedood, zich beneden op de bank afgetrokken met een condoom om. Hij heeft het condoom laten vallen, als gevolg waarvan sperma op de keukenvloer terecht kwam. Hij heeft dit opgeruimd.

Pas hierna heeft de verdachte het slachtoffer verpakt in vuilniszakken en haar lichaam naar buiten gebracht, waarbij hij haar onder andere over de keukenvloer heeft gesleept. De spermacellen in de mond van het slachtoffer kunnen aldus bij wege van 'secondary transfer' in de mond van het slachtoffer terechtgekomen zijn.

Daarnaast wijst de verdediging op een mogelijk 'scenario C', waarbij de verdachte spermacellen aan zijn handen kan hebben gehad en ze op die manier eveneens bij wege van 'secondary transfer' kan hebben overgebracht bij het verpakken van het lichaam. (Alles blz. 15 pleitnota mr. O.E. de Jong).

Kenmerkend aan de scenario's A en B is dat (in ieder geval) het hoofd van het slachtoffer verpakt was in vuilniszakken op het moment dat zij verplaatst werd vanuit de badkamer via de keuken naar buiten.

Het hof acht niet aannemelijk dat door het slepen van het lichaam van het slachtoffer over de keukenvloer spermavloeistof in de mond van het slachtoffer is gekomen, aangezien in deze scenario's het slachtoffer een dichtgeplakte vuilniszak om haar hoofd had toen de verdachte haar naar beneden bracht en het niet aannemelijk is dat zij onder die omstandigheden spermavloeistof op twee plaatsen in haar mond heeft kunnen krijgen.

Daar komt bij dat door de politie is geconstateerd dat de vuilniszakken geen beschadigingen bevatten en het zodoende niet aannemelijk is dat de verdachte het slachtoffer überhaupt heeft gesleept van de bovenverdieping door de keuken naar het graf.

Dat de verdachte spermacellen heeft overgebracht in de mond van het slachtoffer bij het verpakken van het hoofd in vuilniszakken, acht het hof evenmin aannemelijk geworden. In geen van de door de verdachte tegenover de politie afgelegde gedetailleerde verklaringen over de feitelijke toedracht, noch in de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is dit door de verdachte ook expliciet beschreven. Een toevallige aanraking van de moeilijk bereikbare vindplaatsen van de sporen, met name waar het betreft de omslagplooi lippen tandvlees acht het hof niet aannemelijk.

Bij gebrek aan aannemelijkheid van de door de verdachte geschetste scenario's blijft de vraag hoe spermavloeistof in de mond van het slachtoffer is terecht gekomen. Voor de beantwoording van die vraag slaat het hof acht op de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard (VV1.2, p. 9 e.v.) dat hij de trui van het slachtoffer heeft opgetild en dat hij de borsten van het slachtoffer heeft aangeraakt. Hij heeft voorts verklaard dat het in hem is opgekomen hoe het zou zijn om het met haar te doen, dat hij zijn broek heeft losgemaakt en over zijn boxershort is gaan wrijven, dat het slachtoffer op dat moment op haar knieën naast hem zat, dat hij op de rand van de wc zat en dat het slachtoffer hem heeft gevraagd of hij haar alstublieft niet wilde neuken. De verdachte heeft tevens verklaard dat de politie wat op de broek van het slachtoffer zal vinden en dat dit van hem is. De verdachte heeft later tegenover de politie verklaard (VV1.6, p. 9 e.v.) dat, toen hij zich met het slachtoffer in de badkamer van zijn woning bevond, hij tegen het slachtoffer heeft gezegd dat zij op het badmatje moest knielen, hij zich afvroeg of hij seks zou kunnen hebben met zo iemand die hij had meegenomen, hij het slachtoffer wilde aanraken op de borsten, het kruis en de billen, hij de bh van het slachtoffer heeft omgeklapt en dat hij denkt dat hij de bh niet meer goed heeft gedaan.

De verklaringen van de verdachte omtrent (zijn gedachten aan) seksuele handelingen met het slachtoffer worden ondersteund door de bevindingen van de politie omtrent de kleding van het slachtoffer.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek van de politie d.d. 22 mei 2010 blijkt dat de ritssluiting van de spijkerbroek van het slachtoffer geopend was, dat de sluitknoop aan de voorzijde van de spijkerbroek los in het knoopsgat zat (het hof begrijpt: niet meer aan de broek bevestigd zat), en dat de linkercup van de bh van het slachtoffer naar binnen was gevouwen.

De ex-vriendin van de verdachte, [ex-vriendin], heeft tegenover de politie verklaard (1.G1.5, p. 9) dat de verdachte gek was op gepijpt worden.

Andere ex-vriendinnen hebben zich in gelijke zin uitgelaten.

Ook heeft ex-vriendin [ex-vriendin] verklaard dat de verdachte veel porno op de computer bekeek en dat die porno in ieder geval vaak met pijpen te maken had.

Uit een en ander leidt het hof af dat de verdachte belangstelling heeft voor orale seks en graag oraal bevredigd wordt.

De verdachte heeft gezegd dat hij op de wc zat en dat hij het slachtoffer op haar knieën naast/voor hem heeft doen zitten. Dit geeft ondersteuning voor de veronderstelling dat hij haar ook in een positie heeft gebracht om gemakkelijk orale seks met haar te kunnen hebben.

In deze omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof bewezen dat de spermavloeistof in de mond van het slachtoffer is terecht gekomen, doordat de verdachte met zijn penis in haar mond is binnengedrongen.

Ten aanzien van de onder 3 primair bewezen verklaarde dwang.

Ten aanzien van de voor een bewezenverklaring van verkrachting vereiste dwang overweegt het hof voorts nog dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte het slachtoffer op grond van de in de bewezenverklaring opgenomen feitelijkheden, bezien in onderling verband en samenhang met het postuur van de verdachte (een grote, fors gebouwde man) en het verschil in leeftijd en levenservaring tussen de toen 26-jarige verdachte en het 12-jarige slachtoffer, alsmede het daarmee samenhangende overwicht van de verdachte op het slachtoffer, heeft gebracht in een positie waarin zij geen weerstand heeft kunnen bieden aan het seksueel binnendringen door de verdachte.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

Verkrachting.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Een lijk begraven met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdachte zal worden opgelegd, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Motivering van de straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich achtereenvolgens schuldig gemaakt aan opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, orale verkrachting, moord, en het begraven van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het slachtoffer is het 12-jarige buurmeisje van de verdachte, [slachtoffer]. De verdachte heeft dit ogenschijnlijk volstrekt willekeurig gekozen slachtoffer vanuit haar ouderlijke woning met een verhaal over katten meegelokt naar zijn woning. Aldaar heeft hij de mobiele telefoon van het slachtoffer onklaar gemaakt, tie-wraps rond haar polsen aangebracht, haar borsten betast en zijn penis in haar mond gebracht. Vervolgens heeft hij het slachtoffer met zijn broeksriem gewurgd en haar in de bij zijn woning behorende achtertuin begraven. Het slachtoffer is daar zes dagen later, op aanwijzen van de verdachte, door de politie aangetroffen.

Hoewel de verdachte aanvankelijk op onderdelen gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, heeft hij gaande het onderzoek minder gedetailleerd verklaard/kunnen verklaren. Dat heeft het verdere politie-onderzoek bemoeilijkt, het heeft de gedragsdeskundigen enigszins parten gespeeld in hun onderzoek en het heeft geleid tot frustratie bij de familie van het slachtoffer, die nu geen volledig beeld heeft van wat [slachtoffer] precies is overkomen.

Vaststaat dat de verdachte welbewust een jong meisje het leven heeft ontnomen. De verdachte heeft groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, hetgeen ook uit de door de vader van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen verklaring blijkt.

Het hof rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

Een feitencomplex zoals het onderhavige draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van verbijstering, angst en onveiligheid teweeg.

Op een feitencomplex zoals het onderhavige kan mede uit een oogpunt van vergelding en normhandhaving naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Rekening houdend met het gegeven dat de verdachte - zoals hierna aan de orde komt - als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, alsmede met de ter terechtzitting in hoger beroep door één van de deskundigen gedane mededeling dat de - in het kader van de maatregel tot terbeschikkingstelling te ondergane - behandeling van de verdachte naar verwachting langer dan gemiddeld, vermoedelijk meer dan 9 jaar, zal duren, zal het hof evenwel een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren opleggen.

Het hof overweegt hierbij tenslotte nog dat niet aannemelijk is geworden dat, zoals de verdediging heeft betoogd, de detentie voor de verdachte aanzienlijk zwaarder weegt dan die van andere veroordeelden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de zich in het dossier bevindende rapportages daaromtrent en de in die rapportages vervatte conclusies.

J. Hout-Sels, milieurapporteur, J.M.J.F. Offermans, psychiater, en B.W. Roelofs-Van Bon, klinisch psycholoog, hebben een multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek verricht.

Ter terechtzittingen van 8 en 15 mei 2012 hebben voormelde psychiater en psycholoog op verzoek van de verdediging als getuige-deskundige een verklaring afgelegd naar aanleiding van het door hen in 2010 ingestelde multidisciplinair forensisch gedragsdeskundig onderzoek omtrent de persoon van verdachte. Naar de kern genomen blijven zij bij de inhoud en de conclusies van hun rapport d.d. 25 oktober 2010: er is bij de verdachte sprake van cannabisafhankelijkheid, een gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling en een niet nader omschreven persoonlijkheidsstoornis. Hij dient als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd voor het ten laste gelegde. Er is sprake van een aanzienlijk risico op recidive. Geadviseerd wordt ter beschikking stelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Niet kan worden volstaan met het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf, dan wel een ter beschikking stelling met voorwaarden.

D. Harari, psychiater, en J.M. Oudejans, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, hebben eveneens een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte. Blijkens hun rapportage van 19 maart 2012 hebben zij op grond van dat onderzoek het volgende geconcludeerd - verkort en zakelijk weergegeven -:

Bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheids-stoornis NAO (het hof begrijpt: niet anders omschreven) met narcistische, vermijdende en afhankelijke trekken. Tevens is er sprake van cannabisafhankelijkheid.

De verdachte heeft bijzonder weinig zicht en greep op de pathologische kwetsbaarheid. Meer in het bijzonder heeft hij weinig zicht en greep op de agressieve onlustgevoelens die worden losgewoeld wanneer hij gekrenkt wordt en zich tekortgedaan voelt. De verdachte is slecht in staat dit soort gevoelens onder ogen te zien en te uiten, juist omdat dit soort gevoelens zo slecht passen in het beeld dat hij van zichzelf heeft en in het beeld dat hij denkt dat anderen van hem hebben. Bovendien is hij bang dat hij, als hij de confrontatie aangaat en uiting geeft aan zijn boosheid, de erkenning en waardering die hij zo zoekt niet zal krijgen. In die zin kan gesproken worden van een gestoorde agressieregulatie in de vorm van een pathologische agressieremming. De narcistische pathologie maakt de beleving tekort te schieten voor de verdachte onverdraaglijk en de vermijdende coping resulteert in het wegmaken van onlustgevoelens in het algemeen en gevoelens van tekortschieten en krenking in het bijzonder. Dit gebeurt zowel door het loochenen van negatieve gevoelens over zichzelf als door excessief cannabisgebruik.

De verdachte positioneert zich op basis van zijn persoonlijkheidspathologie consequent op alle levensterreinen in situaties waarin de draaglast zijn psychische draagkracht overstijgt.

Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een parafilie, dat wil zeggen een specifieke afwijkende seksuele voorkeur.

Er is op het moment van het onderzoek geen sprake van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Er zijn eveneens onvoldoende aanwijzingen om een PTSS ten tijde van het ten laste gelegde vast te stellen.

Ten tijde van het ten laste gelegde was de verdachte in een toestand van ontregeling die een zeer lange aanloop had en in hoge mate samenhing met zijn persoonlijkheidsstoornis. De verdachte ontwikkelde crimineel agressieve fantasieën om 'iets bij iemand te doen'. Deze fantasieën hadden waarschijnlijk vooral de functie de chronisch ervaren krenking - de beleving dat hij te kort schoot op zijn werk en in zijn relatie - te repareren. In deze fantasieën werd zijn passieve positie omgekeerd in de positie van iemand die de ander in zijn macht heeft. Tevens werd hierin zijn maatschappelijke positie omgekeerd, van iemand die misdaad bestrijdt in iemand die deze pleegt en ermee wegkomt.

Op de dag van het ten laste gelegde zelf was oppervlakkig bezien weinig aan de verdachte te merken. Zelf meldt hij paniek en arousal. De gebruikte cannabis kan mogelijk een rol gespeeld hebben in verhoging van de hartslag en kan mogelijk de cognitieve rem op de fantasieën van de verdachte hebben verminderd. De inhoud van de fantasieën en van het denken van de verdachte is niet door de cannabis bepaald. Hij zocht de confrontatie met het slachtoffer en keerde in het ten laste gelegde de rollen om. In deze toestand van ontregeling, paniekgevoelens, mogelijk verminderde cognitieve rem door de cannabis, waren de oplossingsstrategieën van de verdachte beperkt. Hij kwam (indien bewezen) tot doding en het wegmaken van het stoffelijk overschot. Op grond van deze overwegingen wordt geadviseerd om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor alle ten laste gelegde feiten, daar deze alle nauw samenhangen met de toestand van ontregeling die terug te voeren is op zijn persoonlijkheidsstoornis.

De verdachte lijdt aan een complexe persoonlijkheidsstoornis die hem, indien hij onbehandeld terugkeert in de samenleving, duurzaam ernstig zal belemmeren in zijn functioneren op belangrijke levensterreinen. Indien de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij, zeker op de wat langere termijn, is de kans groot dat de verdachte onder invloed van externe spanningen en innerlijke agressieve onlustgevoelens die hij slecht kan hanteren, in het kader van een spanningsontlading en ter reparatie van een cumulatie van krenkingen tot een seksueel-agressieve impulsdoorbraak komt. Daarmee kan worden gezegd dat de kans op herhaling van een delict dat vergelijkbaar is met het huidige ten laste gelegde - indien bewezen - zeker op de wat langere termijn reëel is.

Om het recidiverisico tot aanvaardbare proporties te reduceren is het noodzakelijk dat de verdachte behandeld wordt. Gegeven de aard en ernst van de complexe persoonlijkheidspathologie zal een behandeling intensief en langdurig moeten zijn en binnen een klinische setting moeten plaatsvinden. Geadviseerd wordt een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Slechts in die klinische situatie en binnen dat juridische kader zijn er voldoende mogelijkheden om verdachte's stoornis adequaat te behandelen, en voldoende waarborgen met betrekking tot de veiligheid van de maatschappij. De behandeling zal onder andere moeten bestaan uit zeer langdurige intensieve psychotherapie gericht op versteviging van het zelfgevoel en het anders leren omgaan met agressieve gevoelens.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2012 hebben voornoemde psychiater en psycholoog gepersisteerd bij de inhoud van hun rapportage.

Het hof neemt de - gelijkluidende - conclusies van de deskundigen Harari en Oudejans over en maakt die tot de zijne. Het hof acht de verdachte derhalve verminderd toerekenbaar voor de bewezenverklaarde feiten.

PTSS ten tijde van de bewezenverklaarde feiten is niet vastgesteld zodat deze kwestie geen rol kan spelen bij de beoordeling van de op te leggen straf/maatregel.

Gelet op die conclusies en in aanmerking genomen de ernst van de bewezen verklaarde feiten alsmede de kans op herhaling van soortgelijke feiten, zal het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, met bevel tot verpleging van overheidswege. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de eventuele oplegging van deze maatregel ook te aanvaarden. Aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan nu:

- tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond;

- de onder 1 primair, 2, en 3 primair bewezen verklaarde feiten een misdrijf opleveren als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht;

- de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling en de verpleging eist;

- door ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de verdachte hebben onderzocht een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies is uitgebracht, welk advies niet eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend;

- de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij] - de ouders van het slachtoffer - zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17.815,17.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en bepaling van de vervangende hechtenis op 1 jaar.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.815,17 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij].

Het hof ziet - anders dan de verdediging - geen aanleiding om - vanwege de duur van de op te leggen gevangenisstraf alsmede de maatregel tot terbeschikkingstelling - de duur van de bij gebreke van betaling en verhaal toe te passen vervangende hechtenis te bepalen op een kortere duur dan de duur die, in geval van een bedrag van ruim € 17.800,-, doorgaans binnen de rechtspraak wordt gehanteerd. Het hof zal de duur van de vervangende hechtenis mitsdien bepalen op 124 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 151, 242, 282 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 17.815,17 (zeventienduizend achthonderdvijftien euro en zeventien cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 17.815,17 (zeventienduizend achthonderdvijftien euro en zeventien cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 124 (honderdvierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 juni 2012.