Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7227

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
200.082.789-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woning; schotelantenne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.082.789/01

Rolnummers rechtbank : 256735 CV EXPL 10-4562 en 256107 CV EXPL 10-4253

Arrest van 22 mei 2012

inzake

1. [Naam],

hierna te noemen: [appellant sub 1], en

2. [Naam],

hierna te noemen: [appellant sub 2],

beiden wonende te [Woonplaats],

appellanten,

hierna tezamen te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. J.M.G. Hulsman te Delft,

tegen

STICHTING WOONKRACHT10,

gevestigd te Zwijndrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Woonkracht10,

advocaat: mr. E.J.P. Nolet te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 16 februari 2011 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, tussen partijen gewezen vonnissen van 6 januari 2011. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellanten] vijf grieven tegen deze vonnissen aangevoerd. Woonkracht10 heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 12 januari 2012, waarbij zij pleitnotities hebben overgelegd. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Hierna heeft het hof de zaak aangehouden om een oplossing te onderzoeken, een en ander zoals in het slot van het proces-verbaal van de pleitzitting weergegeven. Dit heeft geen resultaat gehad, waarna arrest is gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Aan het hof zijn twee vonnissen voorgelegd, waarin identieke problematiek speelt en die grotendeels gelijkluidend zijn. Het hof zal gemakshalve in de regel verwijzen naar het vonnis tegen [appellant sub 1] (256735 CV EXPL 10-4562), met dien verstande dat het hof waar nodig het vonnis tegen [appellant sub 2] apart zal bespreken.

2. De feiten, zoals weergegeven in de bestreden vonnissen in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.8) staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

3. Kort en zakelijk weergegeven gaat het om het volgende.

3.1 [appellant sub 1] huurt van Woonkracht10 (en voorheen van haar rechtsvoorgangster Stichting Forta; hierna ook: verhuurster) de woning [adres] te [woonplaats]. [appellant sub 2] huurt van dezelfde verhuurster een woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde).

3.2 Woonkracht10 is een woningcorporatie en beheert ruim 11.500 woningen, winkels en bedrijfspanden. [appellanten] hebben in strijd met de toepasselijke huurvoorwaarden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming een schotelantenne bevestigd aan de buitengevel respectievelijk balkonreling van het gehuurde. Ondanks verzoeken daartoe heeft [appellant sub 1] geweigerd de schotelantenne te verwijderen of te verplaatsen. [appellant sub 2] heeft naar aanleiding van het bestreden vonnis de schotelantenne verwijderd.

4. Inzet van deze procedure is de vraag of [appellanten] de schotelantenne moeten verwijderen en verwijderd moeten houden. De kantonrechter heeft de vordering van verhuurster van deze strekking toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe, kort gezegd en voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

(i) Verhuurster heeft het plaatsen van schotelantennes niet verboden, maar hanteert het toestemmingsvereiste en een aantal voorwaarden. Dit is ten aanzien van [appellant sub 2] gebaseerd op artikel 7:215 lid 1 juncto lid 6 BW. In beginsel is verhuurster gerechtigd handhavend op te treden. [appellant sub 1] heeft zich evenmin aan deze huurvoorwaarden gehouden. Daarmee handelt [appellant sub 1] in beginsel in strijd met artikel 7:213 BW, dat overeenkomt met artikel 7A:1596 lid 1 (oud) BW, om zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als goed huurder te gedragen. Met de wijziging van de huurovereenkomst per 1 juli 2005, waarbij het Schotelantennebeleid van toepassing werd, is ook artikel 7:215 BW jegens [appellant sub 1] van toepassing.

(ii) Hier staat tegenover de aard en strekking van artikel 10 lid 1 EVRM, waarop [appellanten] zich beroepen. Aan deze verdragsbepalingen wordt directe horizontale werking toegekend. Dit recht is niet onbeperkt, gelet op lid 2 van artikel 10 EVRM.

(iii) Er dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds de belangen van verhuurster bij handhaving van haar schotelantennevoorwaarden en anderzijds de belangen van [appellanten] bij hun grondrecht van vrije informatiegaring.

(iv) Zwaar weegt het belang van verhuurster om wildgroei van schotelantennes tegen te gaan, gelet op de leefbaarheid van de wijk en de (voor zover mogelijk) vrijwaring van overige huurders tegen overlast door het gedrag van andere huurders. Het ontsierende karakter van een schotelantenne betreft een subjectieve waardering. Verhuurster heeft terecht voorwaarden gesteld, juist om deze subjectieve discussie te vermijden. De verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 16 december 2008 omtrent aspecten van esthetische aard maakt dit niet anders.

(v) Bovendien is verhuurster als opstaleigenaar risicoaansprakelijk voor schade.

(vi) Daarnaast speelt mee de wens van verhuurster om een strikt beleid te voeren en precedentwerking te voorkomen.

(vii) Niet is gebleken dat [appellanten] door het naleven van de voorwaarden, te weten het plaatsen van een schotelantenne op een mast van 1.20 m, onevenredig in hun recht op vrije informatiegaring worden beperkt.

(viii) Het enkele feit dat de via alternatieve bronnen te ontvangen zenders kwantitatief niet gelijkwaardig zijn betekent niet dat het recht van [appellanten] op vrije informatiegaring ingrijpend wordt beperkt. Daarnaast hebben [appellanten] niet aangegeven welke programma’s, die zij niet via alternatieve bronnen (kabel/internet) kunnen ontvangen, voor hen van belang zijn en waarom.

(ix) Niet is gebleken dat verhuurster een redelijk alternatief in de weg heeft gestaan.

(x) Daarom valt de belangenafweging in het voordeel van verhuurster uit.

5. [appellanten] klagen met hun grieven over deze beslissing. Grief 1 bevat klachten over overweging (iv), grief 2 over overweging (v), grief 3 over overweging (vii), grief 4 over overweging (viii), terwijl met grief 5 wordt geklaagd over overweging (ix). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Het hof stelt voorop dat het hof geen acht zal slaan op nieuwe stellingen en weren, die pas bij pleidooi naar voren zijn gebracht, nu dit zich niet verdraagt met de beginselen van een goede procesorde

7. Niet in geschil is dat bij wet is voorzien in de mogelijkheid van inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid EVRM. Op grond van artikel 7:215, zesde lid, BW is het naar Nederlands recht toegestaan de plaatsing van een schotelantenne aan de buitenzijde van de gehuurde woning, zoals in dit geval, contractueel te onderwerpen aan toestemming van de verhuurder. Hiermee hebben [appellanten] als huurders in hun privaatrechtelijke verhouding tot verhuurster een deel van hun vrijheid van meningsuiting aan die toestemming onderworpen en in zoverre afstand gedaan van onbeperkte toegang tot het verkrijgen van informatie.

8. Het hof zal, gelet op de door de nationale rechter te toetsen beginselen die aan het EVRM ten grondslag liggen, onderzoeken of de weigering van Woonkracht10 om toestemming te verlenen in de gegeven omstandigheden en gelet op de tussen partijen geldende privaatrechtelijke verhouding, een gerechtvaardigde inbreuk (ex artikel 10, lid 2 EVRM) vormt op het grondrecht op vrije nieuwsgaring, dat iedere burger in de gemeenschap toekomt, ongeacht de vraag of hij hiermee slechts privé-hobbies beoefent of ook zakelijke belangen dient (EHRM 16-12-2008, LJN: BH1809, AB 2009,286, NJ 2010,149).

9. Het hof zal bij de beoordeling hiervan veronderstellenderwijs tot uitgangspunt nemen dat de ontvangst met een schotelantenne op een door verhuurster gewenste paal van 1.20 m hoog op het balkon van [appellanten] in hun geval geen deugdelijke ontvangst oplevert. Bij bespreking van grief 3 hebben [appellanten] daarom geen belang.

10. De op grond van het tweede lid van artikel 10 EVRM vereiste belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verhuurster uit, zoals hierna zal worden toegelicht.

11. Aan de kant van [appellanten] staat het grondrecht op vrije nieuwsgaring. Op dit recht wordt echter in dit geval slechts een beperkte inbreuk gemaakt. [appellanten] kunnen immers gebruikmaken van alternatieven, zoals kabel en (breedband)internet, waarbij zij in ieder geval een flink aantal Turkse/Arabische zenders kunnen ontvangen. Ook in hoger beroep hebben [appellanten] niet voldoende concreet aangegeven welke programma’s, die zij niet via alternatieve bronnen kunnen ontvangen, voor hen van belang zijn en waaróm. De stellingen bij pleidooi dat Mevrouw […] en mevrouw […] verstoken zijn van de door hen gevolgde series, met een zekere mate van depressiviteit tot gevolg, alsmede het achteruitgaan van de tweetaligheid van de kinderen zijn dusdanig vaag dat daaraan voorbij wordt gegaan. Ten aanzien van dit laatste argument wordt bovendien opgemerkt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de kinderen de kennis van de Turkse taal niet met de wel toegankelijke Turkse zenders op peil zouden kunnen houden.

Anders dan [appellanten] stellen biedt artikel 10, lid 1 EVRM bovendien geen absoluut en onbeperkt recht om de door hen gewenste 200 of 99 voorkeurszenders in het gehuurde te ontvangen, noch op ontvangst daarvan op elk moment en van de door hen gewenste kwaliteit.

12. Woonkracht10 heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat haar belangen zijn gelegen in het volgende:

(1) Voorkoming van beschadiging. De schotelantenne is schadelijk voor de woning, omdat bij de bevestiging ervan invasieve handelingen in het gehuurde plaatsvinden.

(2) Voorkoming van gevaarlijke en onveilige situaties en risicoaansprakelijkheid.

(3) Vrijwaring van de leefomgeving tegen ontsierende en overlastgevende schotelantennes.

(4) Waarborging van verzorgde uitstraling van haar woonbezit.

(5) Voorkoming van precedentwerking, zeker gelet op haar grote huizenbezit.

(6) Het tegengaan van wildgroei van schotelantennes.

(7) Gelijke behandeling huurders.

13. De argumenten (3), (4) en (6) hangen alle samen met de esthetiek en de leefomgeving. Het is een feit van algemene bekendheid dat (een) schotelantenne(s) aan de buitengevel van woningen veelal een stigmatiserend beeld oplevert/ opleveren, zulks met risico op verloedering van de leefomgeving met alle negatieve gevolgen van dien (niet alleen voor de betreffende individuele huurder maar ook voor de overige huurders in de omgeving). Schotelantennes worden, mede hierom, veelal als ontsierend ervaren. In het licht hiervan is onder omstandigheden te billijken dat een verhuurder, zeker een grote verhuurster als Woonkracht10 die zich (naast bedrijfsmatige verhuur) richt op sociale huisvesting en een groot aantal woningen onder zich heeft, een beleid voert en wil handhaven dat is gericht op het reguleren van de wijze van plaatsing van schotelantennes/ het tegengaan van wildgroei. Onder deze omstandigheden heeft verhuurster krachtige argumenten om precedentwerking (5) en (7) te voorkomen, zoals de kantonrechter met juistheid heeft overwogen (rechtsoverweging 10 vonnis [appellant sub 1]). [appellanten] hebben niet met de vereiste tijdigheid over dit oordeel van de kantonrechter geklaagd, zodat dit ook hierom vast staat. Met de opmerkingen ter zake bij pleidooi, die in feite een nieuwe grief inhouden, is [appellanten] te laat.

De argumenten (1) en (2) lijken op het eerste gezicht minder zwaarwegend, maar worden niet zonder belang geacht. Een eigenaar van een woning heeft belang bij het voorkomen van beschadiging van zijn woning en het beperken van zijn (risico)aansprakelijkheid als bezitter van de opstal (artikel 6:174 BW). De wens om potentiële schade te voorkomen is valide.

14. Alles afwegende worden de belangen van Woonkracht10 zwaarder bevonden dan die van [appellanten].

Daarnaast verdient, zoals gezegd, nog aandacht dat [appellanten] tegenover verhuurster contractueel is gebonden aan de door verhuurster gestelde regels ter zake (zie de – in hoger beroep niet weersproken – overweging van de kantonrechter, zoals kort weergegeven in rechtsoverweging 4 (i) van dit arrest). Aldus hebben [appellanten] afstand gedaan van onbeperkte toegang in hun woning tot (de wijze van) informatie(vergaring).

15. De slotsom is dat de overige grieven eveneens falen, althans niet verder (afzonderlijk) besproken hoeven te worden. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden vonnissen;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woonkracht10 tot op heden begroot op € 649,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.J. van der Ven en J.E.H.M. Pinckaers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2012 in aanwezigheid van de griffier.