Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7181

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
200.093.232-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Van meet af aan is uitgegaan van onjuiste gegevens. Behoefte(verhoging); behoeftigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 7 maart 2012

Zaaknummer : 200.093.232/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-7328

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.J.M. Schlicher te ’s-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.T.H. Vuurens-Mulder te Delft.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juni 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 11 oktober 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 18 oktober 2011 een brief van 17 oktober 2011 met bijlage;

- op 6 januari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 9 januari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 20 januari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 januari 2007 gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de vrouw ten laste van de man toegekende uitkering tot haar levensonderhoud ten bedrage van € 3.800,- per maand met ingang van 1 juni 2011 op € 4.986,- per maand is bepaald. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook te noemen: de partneralimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- het in eerste aanleg gedane zelfstandige verzoek van de vrouw af te wijzen, althans de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek;

- de vrouw te verplichten ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering na te noemen financiële informatie in de procedure te brengen: de in positum 24 van het beroepschrift genoemde informatie met betrekking tot de inkomsten van de vrouw als hondenfokster;

- primair de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 januari 2007 te wijzigen in die zin dat de in die beschikking aan de man opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw definitief wordt beëindigd per 1 september 2012, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum, zonder dat die termijn kan worden verlengd, alsmede de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van de door haar tot aan de datum van de door het hof te wijzen beschikking te veel ontvangen alimentatie, en wel binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de te dezen te wijzen beschikking tot de dag van algehele voldoening; en

subsidiair de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 januari 2007 te wijzigen in die zin dat de in die beschikking aan de man opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 september 2009, althans per een door het hof in goede justitie te bepalen datum, wordt verlaagd tot de door het hof vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van afgerond € 3.800,- bruto per maand minus in ieder geval het geldende bruto wettelijk minimumloon, zijnde per 1 juli 2011 € 1.435,20 bruto per maand voor iemand van 23 jaar en ouder, of het hogere door de vrouw genoten inkomen, althans de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te bepalen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van de door haar tot aan de datum van de door het hof te wijzen beschikking te veel ontvangen alimentatie en wel binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking, zulks vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de te dezen te wijzen beschikking tot de dag van algehele voldoening.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hoger beroep van de man af te wijzen.

Behoefte van de vrouw

4. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de bij de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 maart 2007 vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ten onrechte heeft verhoogd met een bedrag ad € 746,- per maand in verband met de behoefte aan een pensioenvoorziening. Primair voert hij daartoe aan dat de door de vrouw gestelde toename van haar huwelijksgerelateerde behoefte rechtens irrelevant is omdat de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 maart 2007 gezag van gewijsde heeft gekregen. Subsidiair stelt hij dat de kosten van een pensioenvoorziening niet behoren tot de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw omdat tussen partijen vaststaat dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij [naam werkgever]. Naar de mening van de man gaat het niet aan om, nu de weg van de pensioenverevening is afgesloten, via de weg van het alimentatierecht alsnog een pensioenvoorziening te treffen. De man merkt nog op dat het volstrekt onduidelijk is hoe de rechtbank tot het bedrag van € 746,- bruto per maand is gekomen. De juistheid van de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde berekening van [naam financieel adviseur] wordt door de man betwist.

5. De vrouw stelt dat zij er op basis van de echtscheidingsbeschikking en de daarop volgende beschikking van de rechtbank van uit is gegaan dat zij recht had op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij [naam werkgever]. Toen het gerechtshof ’s-Gravenhage bij beschikking van 28 mei 2008 oordeelde dat de pensioenregeling binnen [naam werkgever] niet is te kwalificeren als een Nederlandse pensioenregeling in de zin van de pensioenwet dan wel de pensioen- en spaarfondsenwet en dat het door de man opgebouwde pensioen bij [naam werkgever] derhalve niet behoeft te worden verevend, is de vrouw ermee geconfronteerd dat zij geen enkele voorziening heeft voor de oude dag. De vrouw heeft een offerte van de ABN AMRO bank aan het hof overgelegd waaruit blijkt dat jaarlijks een bedrag van € 8.194,- netto benodigd is voor het treffen van een adequate pensioenvoorziening.

6. Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat naar haar mening van de aanvang af bij het bepalen van haar behoefte is uitgegaan van onjuiste gegevens, namelijk van de veronderstelling dat het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij [naam werkgever] diende te worden verevend. Nu pas ruim twee jaar na de echtscheidingsbeschikking is gebleken dat het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij [naam werkgever] niet behoeft te worden verevend, is in de echtscheidingsbeschikking en in de beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 maart 2007 bij het bepalen van de behoefte van de vrouw inderdaad uitgegaan van onjuiste gegevens. Op basis van artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoordt doordat bij die uitspraak van onjuiste gegevens is uitgegaan.

7. Het hof acht het redelijk om de behoefte van de vrouw te verhogen met een bedrag dat nodig is om een pensioenvoorziening te treffen. De vrouw baseert zich voor wat betreft het volgens haar benodigde bedrag op een offerte van de ABN AMRO bank. Het hof acht het in deze offerte opgenomen bedrag, mede gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd. Voor de bepaling van het bedrag dat de vrouw nodig heeft voor het treffen van een adequate pensioenvoorziening zal het hof aansluiten bij de door de man overgelegde berekening van [naam financieel adviseur]. Uit deze berekening volgt dat een bedrag van € 170,- netto per maand benodigd is. Deze door de man overgelegde berekening is gebaseerd op de pensioenaanspraken die de vrouw zou hebben opgebouwd tijdens de huwelijkse periode indien de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing zou zijn geweest.

8. De netto behoefte van de vrouw begroot het hof gelet op het hiervoor onder 7 overwogene op € 3.330,- per maand. Uitgaande van de gewisselde processtukken en hetgeen ter zitting ter sprake is geweest begroot het hof de bruto behoefte van de vrouw - rekening houdend met een gemiddelde belastingdruk - in goede justitie op € 4.440,- per maand.

Behoeftigheid van de vrouw

9. De man stelt dat de vrouw niet behoeftig is. In dit kader wijst hij erop dat de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking de dato 9 februari 2006 heeft overwogen dat verwacht wordt dat de vrouw binnen een periode van drie jaar in elk geval ten dele in haar eigen behoefte zal kunnen voorzien. Inmiddels zijn er sinds de echtscheiding ruim vijf jaar verstreken. De man betoogt dat de vrouw nog altijd geen enkele activiteit heeft ontplooid om (gedeeltelijk) te gaan voorzien in haar eigen levensonderhoud. Volgens de man valt dit de vrouw te verwijten. Het door de vrouw aangedragen argument dat zij in 2009/2010 ziek is geweest, snijdt naar de mening van de man geen hout nu de vrouw geen medische stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat haar ziekte haar verdiencapaciteit nadelig heeft beïnvloed en nog steeds nadelig beïnvloedt. Van de vrouw kan redelijkerwijs worden gevergd dat zij een inkomen uit arbeid genereert dat ten minste gelijk is aan het geldende wettelijk minimumloon, zijnde per 1 juli 2011 € 1.435,20 bruto per maand, aldus de man. De man pleit ervoor de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te verlagen met gemeld bedrag. Indien de inkomsten van de vrouw hoger blijken te zijn dan het geldende wettelijke minimumloon, verzoekt de man zijn alimentatieverplichting te verlagen met dat hogere bedrag. Uit informatie die de man heeft verkregen, volgt dat de vrouw bijverdiensten heeft als hondenfokster. De omstandigheid dat uit de door de vrouw overgelegde stukken niet van dergelijke inkomsten blijkt, betekent volgens de man niet dat die inkomsten er niet zijn. De man verzoekt de vrouw te verplichten een verklaring over te leggen van de dierenartsen die de vrouw sinds de echtscheiding heeft ingeschakeld ten behoeve van haar honden, waarin opgave wordt gedaan van de handelingen die de dierenartsen in opdracht van de vrouw hebben verricht ten behoeve van de honden van de vrouw en tot welk ras die honden behoren.

10. De vrouw stelt dat zij vooralsnog niet in staat is om arbeid te verrichten. In de eerste helft van 2009 is de vrouw ziek geworden. De diagnose kanker is pas later gesteld. In de tweede helft van 2010 is de vrouw geopereerd. De vrouw betoogt dat de ziekte die zij heeft gehad van zeer ingrijpende aard is geweest en haar psychisch zeer heeft geraakt. Ook de moeizame situatie tussen partijen en de problemen rond de dochter van partijen hebben een grote impact gehad op het psychische welzijn van de vrouw. De vrouw meent dat het niet zo kan zijn dat zij in verband met de alimentatie volledig inzicht aan de man dient te geven in haar medische dossier. Zij heeft wel verklaringen van haar huisarts en haar psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat zij op dit moment niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. De vrouw geeft te kennen dat zij zich in de periode voordat zij ziek werd wel degelijk heeft georiënteerd op de mogelijkheden om werk te vinden. Zij betwist dat zij ooit heeft bijverdiend als hondenfokster.

11. Het hof overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat een ieder in beginsel in zijn/haar eigen levensonderhoud dient te voorzien. De onderhoudsverplichting in de zin van artikel 1:157 BW is slechts een financieel vangnet indien een onderhoudsgerechtigde niet in zijn/haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Van een onderhoudsgerechtigde mag in alle redelijkheid worden verlangd dat hij/zij alles in het werk stelt om in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank heeft in haar beschikking van 9 februari 2006 reeds gewezen op het feit dat de vrouw een inspanningsverplichting heeft om tot betaalde arbeid te komen. Ondanks deze duidelijke aanwijzing van de rechtbank heeft de vrouw naar het oordeel van het hof een zeer afwachtende houding aangenomen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Van de vrouw kan, ook mede gezien haar leeftijd, verwacht worden dat zij zich inspant om alles te doen om een betaalde baan te vinden. De vrouw heeft na de echtscheiding geen activiteiten ontwikkeld om zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt. De vrouw had een opleiding kunnen volgen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Dit heeft zij niet gedaan. De vrouw heeft ook onvoldoende inzage verstrekt naar banen waarop zij heeft gesolliciteerd. De medische toestand waarop de vrouw zich thans beroept heeft zich eerst in 2009 voorgedaan. Ook vóór 2009 kon van de vrouw verwacht worden dat zij zich zou inspannen om zelf een inkomen te verwerven. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Gelet op het voorgaande acht het hof de vrouw met ingang van de datum van de bestreden beschikking in staat om werkzaamheden te verrichten en daarmee ten minste het wettelijk minimumloon ad € 1.435,20 bruto per maand te genereren.

12. Met inachtneming van de eigen bruto verdiencapaciteit van de vrouw is er sprake van een aanvullende behoefte aan partneralimentatie van € 3.005,- per maand. Nu de man geen draagkrachtverweer heeft gevoerd, zal het hof de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van de bestreden beschikking vaststellen op gemeld bedrag. De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigd.

13. Voor zover de vrouw meer partneralimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptief karakter ervan, bepalen dat zij het eventueel teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

14. Het verzoek van de man om de vrouw te verplichten stukken over te leggen met betrekking tot haar bijverdiensten als hondenfokster zal het hof afwijzen nu het hof niet aannemelijk gemaakt acht dat de vrouw, zo zij al inkomsten als hondenfokster heeft, hiermee meer zou verdienen dan het wettelijk minimumloon. Het hof beschouwt het hondenfokken als een hobby van de vrouw, maar niet als een bron van inkomsten.

15. Het hof passeert de stelling van de man dat bij het bepalen van de aanvullende behoefte van de vrouw aan partneralimentatie rekening dient te worden gehouden met het gegeven dat de vrouw een LAT-relatie heeft met de heer [naam]. De man heeft zijn stelling - in het licht van de betwisting door de vrouw - onvoldoende onderbouwd.

16. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 31 januari 2007 van het gerechtshof ’s-Gravenhage - de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 juni 2011 op € 3.005,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw het eventueel door haar teveel ontvangene niet aan de man behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2012.