Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW6657

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
22-005717-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:192, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en zijn medeverdachte hebben een meisje van destijds net vijf jaar oud uit haar ouderlijk [medeverdachte] meegelokt, eerst naar de woning van de medeverdachte en vervolgens naar buiten, en vervolgens seksuele handelingen met haar gepleegd, waarbij zij hen beurtelings heeft moeten pijpen.

Het Hof gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen in een proeftijd van 2 jaar. Verder wordt als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de voogdijinstelling Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden; dat de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan de uitvoering van zijn plaatsing in een accommodatie voor gesloten Jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005717-11

Parketnummer: 09-920202-11

Datum uitspraak: 24 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1998,

thans (op civielrechtelijke titel) verblijvend bij de instelling voor intensieve jeugdzorg "Avenier",

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 233 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn de bijzondere voorwaarden gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht en dat de verdachte geen contact zal hebben met het slachtoffer. Voorts is beslist over de vordering van de benadeelde partij zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Ten slotte is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juni 2011 te Haaglanden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) meermalen zijn penis gebracht in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 15 juni 2011 te Haaglanden tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- die [slachtoffer] meegenomen in een woning aan de [adres] en/of

- die [slachtoffer] meegenomen naar buiten en/of haar meegevoerd naar verschillende poorten (zodat die [slachtoffer] een half uur lopen van haar [medeverdachte] verwijderd was)

- en/of die [slachtoffer] toen en daar alleen achter gelaten en heeft hij en/of (een van) verdachtes mededader(s) daarbij de navolgende list dan wel het navolgende geweld en/of de navolgende bedreiging met geweld gebezigd: verdachte en/of (een van) verdachtes mededader(s) heeft/hebben daarbij die [slachtoffer] laten geloven dat als zij met hen mee zou gaan zij Justin Bieber zou ontmoeten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissingen ten aanzien van verweren

A. Het studioverhoor van het slachtoffer

De raadsman heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat van het studioverhoor van het slachtoffer geen

honderd procent accuraat en volledig verslag is gedaan in het proces-verbaal van politie, dat (in werkelijkheid) andere vragen zijn gesteld en andere antwoorden zijn gegeven dan gerelateerd en dat van non-verbaal gedrag van het slachtoffer geen verslag is gedaan.

Het hof heeft de - tot het dossier behorende - camerabeelden van het studioverhoor van het slachtoffer d.d. 19 juni 2011 bekeken en is van oordeel dat het naar aanleiding van het verhoor opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (met nr. PL15J2 2011125969-25) een adequate weergave van de relevante passages van het verhoor betreft. Weliswaar geeft het slachtoffer summier antwoord op vragen, maar zij doet dit naar 's hofs oordeel wel voldoende duidelijk. Zo verklaart zij concreet over twee jongens, over de plaatsen waar zij met hen is geweest (fietspad en een pleintje) en dat zij hun piemel in haar mond moest doen. De raadsman heeft naar voren gebracht dat het slachtoffer de interviewster tijdens het verhoor nauwelijks aankeek en dat zij de gehele duur van het interview aan het spelen was, maar hij heeft niet aangegeven waarom hierdoor sprake zou zijn geweest van een ondeskundige verhoorsituatie en/of op welke manier dit - voor een vijfjarige op zichzelf normale - gedrag van invloed zou zijn geweest op de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het verhoor.

De raadsman heeft voorts gesuggereerd dat de moeder van het slachtoffer inhoudelijk met haar over de zaak heeft gesproken, waardoor haar verklaring zou zijn beïnvloed.

Het hof heeft echter geen enkele aanwijzing voor de juistheid van de suggestie dat de ouders van het slachtoffer zich niet aan de instructie van de politie zouden hebben gehouden om niet inhoudelijk met haar over de zaak te spreken. De door de raadsman aangehaalde verklaring van het slachtoffer dat "de jongens wel veel uurtjes in de gevangenis moeten zitten" duidt daar ook niet op. Voor zover een dergelijke opmerking het slachtoffer al door de ouders zou zijn ingegeven, duidt dit naar 's hofs oordeel veeleer slechts op een poging hun kind gerust te stellen.

Het verweer wordt verworpen.

Het in subsidiaire zin gedane verzoek van de raadsman deskundigenonderzoek te doen verrichten naar de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer is onvoldoende onderbouwd en wordt - mede in het licht van het vorenstaande - bij gebreke van noodzakelijkheid afgewezen.

B. De betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte]

De raadsman heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] onbetrouwbaar is, nu hij door de politie onder druk is gezet in te stemmen met het door de politie wegsturen van zijn moeder en stiefvader bij het verhoor en vervolgens aan zijn lot is overgelaten.

Het hof is van oordeel dat uit het proces-verbaal van verhoor (met nr. PL15J2 2011125969-28), waarin de besluitvorming over het niet aanwezig laten zijn van de moeder en de stiefvader bij het verhoor is gerelateerd (blz. 129, bovenaan), geenszins blijkt dat [medeverdachte] daarbij/daardoor onder druk is gezet. Sterker nog, de verdachte verklaart zelf dat hij liever wil dat het verhoor zonder zijn moeder en stiefvader verder gaat.

Het hof heeft voorts de - tot het dossier behorende - camerabeelden van het betreffende verhoor van [medeverdachte] (d.d. 19 juni 2011) bekeken en geconstateerd dat na het vertrek van de moeder en de stiefvader sprake was van een rustige verhoorsituatie. Uit de camerabeelden blijkt in het geheel niet dat sprake is geweest van (ongeoorloofde) druk. Bovendien heeft [medeverdachte] dit zelf ook niet verklaard.

Ook overigens ziet het hof, anders dan de raadsman, geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte]. Diens verklaring is naar 's hofs oordeel ten aanzien van het ten laste gelegde juist heel concreet en vindt bovendien op relevante punten - zoals het feit dat het slachtoffer zowel de verdachte als [medeverdachte] moest pijpen en het feit dat de verdachten het slachtoffer na het gebeurde bij een muurtje hebben achtergelaten - steun in hetgeen het slachtoffer heeft verklaard.

Het verweer wordt verworpen.

C. Onttrekking aan het gezag

De raadsman heeft aangevoerd (kort gezegd) dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit, nu - gelet op de leeftijd en intellectuele capaciteiten van de verdachte - niet kan worden gezegd dat hij het slachtoffer (bewust in de zin van opzettelijk) onttrok aan het wettig over haar gestelde gezag.

Het hof overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer uit haar ouderlijk [medeverdachte] hebben meegelokt zonder zich ervan te vergewissen dat haar moeder wist waar zij met het slachtoffer heen gingen. Nadat de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer op straat hadden misbruikt, hebben zij haar met haar gezicht tegen een muur gezet, tegen haar gezegd dat ze haar ogen dicht moest doen en haar handen voor haar ogen moest doen en haar alleen achtergelaten op een - voor haar moeder onbekende - plek die een half uur lopen van het ouderlijk [medeverdachte] was verwijderd. Zij hebben ook daarna aan niemand verteld waar het slachtoffer was; zij is uiteindelijk door de politie gevonden en is in totaal meer dan anderhalf uur van [medeverdachte] weg geweest.

Naar 's hofs oordeel staat gelet op het vorenstaande genoegzaam vast dat de verdachte en zijn medeverdachte de moeder van het slachtoffer welbewust geruime tijd in het ongewisse hebben gelaten over de verblijfplaats van haar dochter. Zodoende hebben zij het slachtoffer - gelet op haar leeftijd - onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Er is geen aanknopingspunt in de persoon van de verdachte gelegen dat mee zou moeten brengen dat hij dit niet heeft begrepen of niet heeft kunnen begrijpen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 juni 2011 te Haaglanden, tezamen en in vereniging met een ander met [slachtoffer] (geboren op[geboortejaar] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en zijn mededader meermalen hun penis gebracht in de mond van die [slachtoffer];

2.

hij op 15 juni 2011 te Haaglanden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met een ander

- die [slachtoffer] meegenomen in een woning aan de [adres] en

- die [slachtoffer] meegenomen naar buiten en haar meegevoerd naar verschillende poorten (zodat die [slachtoffer] een half uur lopen van haar [medeverdachte] verwijderd was)

- en die [slachtoffer] toen en daar alleen achter gelaten en hebben hij en verdachtes mededader daarbij de navolgende list gebezigd: verdachte en verdachtes mededader hebben daarbij die [slachtoffer] laten geloven dat als zij met hen mee zou gaan zij Justin Bieber zou ontmoeten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen, meermalen gepleegd;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is - mede gelet op de na te noemen rapportages over de persoon van de verdachte - geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf (het hof begrijpt: jeugddetentie) voor de duur van 132 dagen, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg en dat hij geen contact met het slachtoffer zal zoeken.

Motivering van de maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben een meisje van destijds net vijf jaar oud uit haar ouderlijk [medeverdachte] meegelokt, eerst naar de woning van de medeverdachte en vervolgens naar buiten, en vervolgens seksuele handelingen met haar gepleegd, waarbij zij hen beurtelings heeft moeten pijpen. Na het gebeurde hebben de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer alleen achtergelaten op een half uur gaans van haar [medeverdachte].

De verdachte heeft, mede gelet op zijn uit het leeftijdsverschil van ruim acht jaar voortvloeiende overwicht, ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer. De verdachte heeft kennelijk de bevrediging van zijn lustgevoelens laten prevaleren zonder stil te staan bij het feit dat jonge slachtoffers van ontucht in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan.

Zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d.

8 november 2011 van de ouders van het slachtoffer (onder meer) dat het slachtoffer door het gebeurde beschadigd is geraakt en een traumabehandeling heeft moeten ondergaan. Zij is volgens de ouders niet meer puur; het kinderlijke is beschadigd en zij is zich zeer veel bewuster geworden van alles om zich heen. Daarnaast is het slachtoffer vaak onhandelbaar, helemaal overstuur en heeft zij last van boze buien. Bovendien vertoont zij seksueel overschrijdend gedrag. Ze is veel met seks bezig, speelt doktertje, maar dan niet in de onschuldige vorm die bij vijfjarigen past. De ouders hebben thans geen idee of hun dochter er weer helemaal bovenop zal komen.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer, door haar mee te lokken zonder dat haar moeder wist waar ze was, voorts onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Zodoende hebben zij haar moeder geruime tijd in onzekerheid gelaten over haar lot en haar daardoor - blijkens de voornoemde slachtofferverklaring - veel paniek en angst bezorgd.

Het hof rekent de verdachte een en ander zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op het navolgende. De overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen zijn zakelijk samengevat weergegeven.

1. de rapportage d.d. 30 september 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. R.B. Adriaensen, GZ-psycholoog: de verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD van het gecombineerde type, een reactieve hechtingsstoornis van het ongeremde type en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en zwakbegaafdheid. De verdachte leed ook ten tijde van het ten laste gelegde aan deze stoornissen en zwakbegaafdheid. Verdachtes algehele ontwikkeling verloopt in het licht van de genoemde problematiek uiterst zorgelijk. Sprake is van een achterstand in de cognitieve ontwikkeling en scheefgroei in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Ook de seksuele ontwikkeling verloopt zorgelijk. Het is daarbij verontrustend dat de verdachte voornamelijk omgaat met oudere kinderen, van wie meerderen bekend zijn met gedragsproblemen. De antisociale en oppositioneel-opstandige gedragingen en de zorgpunten qua seksuele ontwikkeling zijn volgens de rapporteur direct gerelateerd aan de hechtingsproblematiek van de verdachte. Volgens de rapporteur is intensieve en langdurige behandeling geïndiceerd om de verdachte te stimuleren in zijn ontwikkeling en om verdere scheefgroei te voorkomen.

2. de rapportage d.d. 30 september 2011, opgemaakt en ondertekend door A.J. Stierum, kinder- en jeugdpsychiater: de verdachte lijdt aan een reactieve hechtingsstoornis, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een aandachttekort stoornis met hyperactiviteit die heeft geleid tot een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met vooral antisociale kenmerken. Ten tijde van het ten laste gelegde waren de genoemde ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig. De verdachte is egocentrisch en gericht op eigen behoeftebevrediging. Hij wordt niet gestuurd door zijn geweten, is impulsief en heeft moeite zijn agressie in bedwang te houden. De combinatie van deze factoren zorgt ervoor dat hij, als hij overvallen wordt door een seksuele impuls, deze niet voldoende kan bedwingen. Het recidiverisico is hoog. Er is een sterke indicatie voor intensieve, langdurige behandeling om persoonlijkheidsproblematiek te voorkomen en de ontwikkeling van de verdachte te stimuleren. De behandeling moet gericht zijn op het verbeteren van de gewetensfunctie, de agressieregulatie en de impulsregulatie.

3. een door drs. L.A. Jansen ondertekend briefrapport d.d. 8 maart 2012 van instelling voor intensieve (gesloten) jeugdzorg "Avenier", alwaar de verdachte verblijft: er is weinig verandering in verdachtes gedrag op school en op de leergroep. Mogelijk is zelfs sprake van een geringe achteruitgang. De verdachte lijkt met iedereen in conflict te kunnen komen. Hij lijkt op de leefgroep te veel prikkels te ervaren en deze kan hij slecht reguleren. Hij lijkt het gevoel te ervaren weinig controle over zijn situatie te kunnen uitoefenen en dit slechts te kunnen door zichzelf te overschreeuwen met fysiek en verbaal grensoverschrijdend gedrag. Korte momenten van zelfinzicht lijken de enige positieve ontwikkeling op dit moment, al is er nog geen sprake van een leereffect. De verdachte is erg gericht op zichzelf en doet ernstige uitspraken richting groepsgenoten en pedagogisch medewerkers. Hierbij is regelmatig sprake van (doods)bedreigingen. Zijn ontwikkeling is zorgelijk.

4. een (niet ondertekende) brief d.d. 5 april 2012 van mw. S. Klören, in haar hoedanigheid van jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder: gezien het feit dat de verdachte over weinig zelfinzicht beschikt en er nog geen ontwikkelingen zijn gezien in zijn leerproces, zijn de zorgen om zijn ontwikkeling groot. Het is daarom van groot belang dat hij hiervoor behandeld wordt. Op de leefgroep laat hij ernstig probleemgedrag zien. Op het moment dat de verdachte niet meer te corrigeren is betekent dit dat hij zal worden teruggemeld en gedetineerd komt te zitten en dat de behandeling wordt gestaakt. Gezien de ernstige gedragsproblemen is dit niet wenselijk en is het van het grootste belang dat de behandeling wordt voortgezet. Klören adviseert het hof om aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Mevrouw Klören is ter terechtzitting in hoger beroep beëdigd als deskundige. Zij heeft bevestigd dat zij de genoemde brief heeft geschreven en zij heeft het daarin gegeven advies herhaald.

Met in achtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de (gedrags)deskundigen is het hof van oordeel dat ten aanzien van de ontwikkeling van de verdachte sprake is van een zeer zorgelijke situatie. Hoewel de verdachte thans op civielrechtelijke titel in een instelling voor gesloten jeugdzorg wordt behandeld, bestaat - gelet op de onder 3 en 4 genoemde brieven - de kans dat deze behandeling gezien het grensoverschrijdende gedrag van de verdachte op enig moment niet kan worden voortgezet.

Aangezien het hof het noodzakelijk oordeelt dat de verdachte wordt behandeld, zal het hof aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen teneinde te voorkomen dat - indien de civiele gesloten plaatsing door toedoen van de verdachte moet worden afgebroken - hij zonder verdere behandeling gedetineerd zal geraken. Het hof zal aan de PIJ-maatregel na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden. Indien de verdachte een of meer van deze voorwaarden niet naleeft, bestaat de gerede kans dat de rechter gelast dat de PIJ-maatregel alsnog ten uitvoer wordt gelegd, zodat ook in dat geval is gewaarborgd dat de verdachte behandeld wordt.

Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is - gelet op de bewezenverklaring en de beschouwingen, conclusies en adviezen van de (gedrags)deskundigen, daaronder tevens begrepen de rapportage betreffende (het verloop van) de plaatsing in gesloten jeugdzorg in het kader van de ondertoezichtstelling - voldaan. Het hof overweegt voorts nog dat de maatregel (mede) wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer.

Het hof overweegt dat het van het allergrootste belang

is voor de ontwikkeling van de verdachte dat behandeling plaats vindt. Nu er zorg is over het verloop van de behandeling en gelet op de noodzaak van behandeling om te voorkomen dat de verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, ziet het hof aanleiding om op de voet van artikel 77za Wetboek van Strafrecht de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de bijzondere voorwaarden zoals hierna te melden.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [vertegenwoordiger] zich in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van EUR 5.000,--.

Deze vordering wordt geacht te zijn gericht tegen de voogdes van de verdachte (de voogdijinstelling Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden), nu de vordering betrekking heeft op een als "doen" te beschouwen gedraging van de verdachte die ten tijde van het bewezen verklaarde de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, terwijl deze gedraging aan hem als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan.

In eerste aanleg is de vordering toegewezen tot een bedrag van EUR 1.000,--, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering voor het overige.

In hoger beroep is de vordering aan de orde tot het in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 1.000,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door noch namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde. Derhalve leent de vordering van de benadeelde partij zich voor toewijzing. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag van EUR 1.000,-- toekennen.

Het voorgaande brengt mee dat de voogdes van de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77s, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 244, 248 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt dat de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel na te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de voogdijinstelling Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden;

2. dat de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan de uitvoering van zijn plaatsing in een accommodatie voor gesloten Jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg.

Het hof draagt aan de genoemde voogdijinstelling op ter zake van de naleving van deze bijzondere voorwaarden aan de verdachte hulp en steun te verlenen.

Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de hierboven bepaalde bijzondere voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot een bedrag van

EUR 1.000,00 (duizend euro)

aan immateriële schade en veroordeelt de wettelijke vertegenwoordiger van de verdachte, zijnde de voogdijinstelling Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, die, evenals verdachtes mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de wettelijke vertegenwoordiger van de verdachte, zijnde de voogdijinstelling Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. J.A.C. Bartels en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2012.