Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW6609

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
22-004626-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft – kennelijk uit frustratie over de beëindigde relatie - gedurende een aantal maanden diens ex-vriendin [slachtoffer] gestalkt. Hij heeft haar op verschillende manieren lastiggevallen, te weten door het slachtoffer op te bellen, haar veel sms- en e-mailberichten te sturen en haar te volgen. De verdachte heeft het slachtoffer ook nog een keer mishandeld.

Voorts heeft de verdachte drie agenten beledigd, toen zij hem staande hielden voor een controle.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004626-11

Parketnummers: 09-930242-10 en 09-930049-11

Datum uitspraak: 27 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 maart en 13 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen jeugddetentie, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van september 2009 tot en met juni 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen (met hem te praten), niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode op een of meerdere moment(en) (al dan niet) tegen haar wil contact gezocht,

- door haar te bellen en/of bij haar in de straat te komen en/of

- door haar sms-berichten, al dan niet met een bedreigende strekking, te sturen (bijvoorbeeld op of omstreeks 1 november 2009) en/of

- door haar te benaderen in de tram en/of bij de tramhalte (onder andere) (op of omstreeks 14 mei 2010 en/of op of omstreeks 13 juni 2010) en/of haar vast te pakken en/of haar hinderlijk te volgen (op of omstreeks 14 mei 2010) en/of

- door haar in die periode meerdere emails (onder andere) (op of omstreeks 11 mei 2010 en/of 12 mei 2010 en/of 7 juni 2010 en/of 8 juni 2010 en/of 10 juni 2010 en/of 12 juni 2010), al dan niet met een bedreigende strekking, te sturen;

2.

hij op of omstreeks 13 juni 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), een kopstoot heeft gegeven en/of in/op het gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 29 maart 2011 te 's-Gravenhage (meermalen) opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 2] (agent van politie) en/of [slachtoffer 3] (aspirant van politie) en/of [slachtoffer 4] (aspirant van politie), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten tijdens een controle gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994, in diens/dier tegenwoordigheid (meermalen) mondeling heeft toegevoegd de woorden "klootzakken en/of kankerklootzakken", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft op gronden als vermeld in zijn pleitaantekeningen aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu -kort gezegd- de wettelijk vertegenwoordiger van het slachtoffer, te weten haar vader, pas op 12 maart 2011 klacht heeft gedaan van het onder 1 ten laste gelegde, hetgeen gelet op de ten laste gelegde periode en artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht te laat is.

Het hof stelt vast dat de vader van het slachtoffer op 12 maart 2011 klacht heeft gedaan en dat hij bij die gelegenheid heeft verklaard dat hij eerder geen klacht heeft gedaan, omdat hij niet was voorgelicht over de noodzaak daarvan. Als hij destijds correct zou zijn voorgelicht, dan had hij zeker klacht gedaan (proces-verbaal van politie met nr. PL1514 2010101448-2). De verbalisant [verbalisant] heeft in diens proces-verbaal(met nr. PL1514 2010101448-1) bevestigd dat de vader van het slachtoffer niet eerder correct is voorgelicht omtrent het doen van klacht ter zake van belaging.

Het hof stelt voorop dat indien, zoals in het onderhavige geval, buiten twijfel staat dat de tot klacht gerechtigde een klacht heeft willen indienen, in bijzondere omstandigheden, met name indien de klacht niet aan een formeel vereiste voldoet en zulks redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de politie, kan worden aangenomen dat een zodanig verzuim niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. Het gaat hier immers om een aan de tot klachtgerechtigde toekomende bevoegdheid voor de verwerkelijking en juiste vormgeving waarvan deze is aangewezen op de medewerking van opsporingsambtenaren.

Het hof is van oordeel dat van de bedoelde bijzondere omstandigheden in casu sprake is.

De door de raadsman overgelegde brief van het slachtoffer en haar vader met het verzoek aan de officier van justitie de aangifte met nr. PL1533/2009/57947-7 "in te trekken" duidt er naar 's hofs oordeel niet op - nog afgezien van het feit dat die aangifte een ander feit, te weten diefstal van een ketting betreft - dat de vader van de verdachte wel op de hoogte was van het klachtvereiste ter zake van belaging.

Het verweer wordt verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van september 2009 tot en met juni 2010 te 's-Gravenhage wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen (met hem te praten en te dulden, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode op meerdere momenten tegen haar wil contact gezocht,

- door haar te bellen en bij haar in de straat te komen en

- door haar sms-berichten te sturen en

- door haar te benaderen in de tram en/of bij de tramhalte op 14 mei 2010 en 13 juni 2010) en haar vast te pakken en haar hinderlijk te volgen (op 14 mei 2010) en

- door haar in die periode meerdere emails te sturen;

2.

hij op 13 juni 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), een kopstoot heeft gegeven waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden en in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 29 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (agent van politie) en [slachtoffer 3] (aspirant van politie) en [slachtoffer 4] (aspirant van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten tijdens een controle gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "klootzakken en kankerklootzakken", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Belaging;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling;

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft - kennelijk uit frustratie over de beëindigde relatie - gedurende een aantal maanden diens ex-vriendin [slachtoffer] gestalkt. Hij heeft haar op verschillende manieren lastiggevallen, te weten door het slachtoffer op te bellen, haar veel sms- en e-mailberichten te sturen en haar te volgen. De verdachte heeft het slachtoffer ook nog een keer mishandeld.

Hij heeft zodoende herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de (bewegings)vrijheid van het slachtoffer en haar - blijkens onder meer haar ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 mei 2011 afgelegde verklaring - angstig gemaakt. Door het slachtoffer te mishandelen heeft de verdachte haar bovendien zonder noodzaak fysiek pijn gedaan en haar letsel bezorgd.

Voorts heeft de verdachte drie agenten beledigd, toen zij hem staande hielden voor een controle. Dit geeft blijk van disrespect voor het gezag. Politieambtenaren moeten kunnen functioneren zonder hinder te ondervinden van beledigingen door burgers.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2012, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op de navolgende rapportages.

1. De rapportage pro justitia d.d. 29 september 2010, opgemaakt en ondertekend door drs. S. Paulides, psycholoog (opgemaakt in een andere zaak, met parketnummer 09-920257-10). Hierin wordt onder meer vermeld - zakelijk weergegeven - : bij de verdachte is sprake van een matige gedragsstoornis. Hij heeft een afwijkende sociaal-emotionele ontwikkeling en een achterstand in de gewetensontwikkeling. De verdachte kan in staat worden geacht het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar kan er onvoldoende naar handelen en kan onvoldoende de consequenties ervan overzien. Zijn geweten is onvoldoende ontwikkeld om hem bij te sturen. De verdachte kan licht verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. De gebrekkige emotieregulatie, het overschreeuwen van de eigen kwetsbaarheden, het bevredigen van de eigen behoefte, de prikkels van buiten/wederzijdse negatieve beïnvloeding, het onvoldoende ontwikkeld geweten en de achterstand in de performale vaardigheden maken de kans op gedragsmatige derailleringen groot. Vanuit gedragsdeskundig oogpunt lijkt een deels onvoorwaardelijk en deels voorwaardelijk strafdeel wenselijk met als bijzondere voorwaarde een ambulante, poliklinische behandeling. Mogelijke behandeldoelen zijn de emotie(agressie)-regulatieproblematiek en vergroten van de copingvaardigheden, het normeren van gedrag, de negatieve spanningsbehoefte en de beïnvloedbaarheid. Genoemde behandeling kan plaatsvinden bij een instelling zoals het Palmhuis.

2. De rapportage d.d. 21 maart 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming. Hierin wordt onder meer vermeld - zakelijk weergegeven - : de verdachte heeft vrijwillig een behandeling bij het Palmhuis afgerond. Hoewel de jeugdreclassering aangeeft op dit moment geen begeleidingsdoelen te zien, blijven de problemen van zijn disharmonisch intelligentieprofiel, zijn gevoeligheid voor afwijzing en zijn geringe copingvaardigheden een rol spelen in het leven van de verdachte. De Raad vindt het belangrijk dat de verdachte opnieuw en in het gedwongen kader ondersteund gaat worden om in de huidige situatie het geleerde vast te blijven houden. De Raad adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt dat hij een behandeling volgt van het Palmhuis.

Nu het hof aan de verdachte bij arrest d.d. 27 april 2012 met rolnummer 22-006078-10 reeds deels voorwaardelijke jeugddetentie heeft opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in het kader van hulp en steun houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling bij het Palmhuis, acht het hof dergelijke begeleiding in de onderhavige zaak niet nodig. Het hof zal daarom aan de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf van navermelde duur opleggen.

Het hof ziet gelet op de ernst van het feit en verdachtes justitiële documentatie geen aanleiding om ten aanzien van feit 3 toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het daartoe strekkende verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft slachtoffer] zich, wettelijk vertegenwoordigd door [vader slachtoffer], als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade, tot een bedragvan EUR 150,-- (zilveren ketting van EUR 50,-- en gescheurde jas van EUR 100,--). Daarnaast heeft zij op het voegingsformulier vermeld dat zij "emotionele schade" heeft geleden, maar geen schadebedrag gevorderd. Evenmin heeft zij dat ter terechtzitting in eerste aanleg gedaan.

De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van materiële schade afgewezen, nu de ketting een strafbaar feit betrof dat reeds eerder was berecht en afgedaan (hof: dit betreft een zaak met parketnummer 09-930090-10, onderdeel van 's hofs arrest met rolnummer 22-006078-10 d.d. 27 april 2012). Ten aanzien van de jas heeft de rechtbank de benadeelde partij op grond van artikel 361 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de benadeelde partij wel een immateriële schadevergoeding van EUR 250,-- toegekend.

Het hof is van oordeel dat nu de benadeelde partij op geen enkel moment een concreet bedrag als immateriële schadevergoeding heeft gevorderd, de rechtbank ten onrechte een schadevergoeding heeft toegekend. Het hof zal de benadeelde partij alsnog in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op het vorenstaande is de vordering in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van EUR 150,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, zoals de rechtbank dat heeft gedaan.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.

Naar oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het in de onderhavige zaak bewezen verklaarde. De ketting betreft zoals al is overwogen een in deze zaak niet ten laste gelegd feit en de gescheurde jas betreft ook een niet ten laste gelegd incident uit september 2009 (blz. 12-13 van het proces-verbaal van politie met nummer PL1514 2010101448).

De benadeelde partij dient derhalve ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg, 266, 267, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van

60 (zestig) uren,

indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. T.L Tan, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 april 2012.