Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW5362

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
200.042.590-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij, inbraakverzekering, mededeling van bestemmingswijziging, onbekendheid met bestemmingswijziging, opschorting dekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.042.590/01

Zaaknummer rechtbank : 284746/ HA ZA 07-993

arrest d.d. 8 mei 2012

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [X],

advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: NN,

advocaat: mr. H.J. Arnold te 's-Gravenhage.

Het geding

1.1 Bij exploot van 20 mei 2009 is [X] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnissen van 12 maart 2008 en 15 april 2009. Bij memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering/wijziging van eis heeft [X] zijn eis vermeerderd en twee grieven aangevoerd.

1.2 Bij memorie van antwoord met een productie heeft NN de grieven bestreden. Bij diezelfde memorie heeft NN incidenteel appel ingesteld tegen de vonnissen van 12 maart 2008 en 15 april 2009 en daartegen zes grieven aangevoerd.

1.3 Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [X] de grieven van NN bestreden.

1.4 Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in haar vonnis van 12 maart 2008 onder 2.1 tot en met 2.3 een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [X] heeft de inboedel van zijn woning in Purmerend verzekerd bij NN. Nadat hij in 2004 de woning had verhuurd, is daar in april 2005 een hennepkwekerij ontmanteld. Omstreeks 22 april 2005 heeft in de woning brand gewoed, waarna [X] aangifte heeft gedaan van brandstichting. NN heeft uitkering van de brandschade geweigerd omdat de dekking van de verzekering op het moment van de brand was opgeschort wegens het niet betalen van de premie. Op 28 april 2005 is de dekking hervat. Op 5 mei, 30 mei en 14 juni 2005 heeft [X] aangifte gedaan van diefstal van inboedel uit de woning. NN heeft ook uitkering van de diefstalschade geweigerd. Zij heeft de verzekeringsovereenkomst bij brief van 24 augustus 2005 per 31 januari 2005 beëindigd.

2.2 In deze procedure vordert [X] in conventie vergoeding van de schade die hij lijdt door de diefstal van de inboedel. NN vordert in reconventie vergoeding van door haar gemaakte onderzoekskosten. De rechtbank heeft, na bij tussenvonnis een aantal verweren van NN te hebben verworpen, bij eindvonnis de vordering in conventie afgewezen omdat [X] niet was geslaagd in het leveren van het bewijs van zijn schade. Ook de vordering in reconventie is afgewezen, omdat NN niet duidelijk heeft gemaakt waarom zij de onderzoekskosten moest maken.

Het incidenteel appel

3. De grieven in het incidenteel appel hebben de meest vergaande strekking, omdat zij zich keren tegen de verwerping van de verweren van NN. Het hof zal daarom eerst het incidenteel appel behandelen.

4. De grieven I en II zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in haar vonnis van 12 maart 2008 onder 4.3 en 4.4 dat NN geen beroep op de bestemmingswijziging toekomt. NN stelt zich op het standpunt dat [X] niet heeft voldaan aan de op grond van art. 7.1.1 van de polisvoorwaarden op hem rustende mededelingsplicht dat er een hennepkwekerij was. Dat heeft, aldus NN, op grond van art. 7.3 van de polisvoorwaarden tot gevolg dat de dekking was opgeschort ten tijde van de brand en de diefstallen.

5. Het polisblad van de door [X] gesloten verzekering vermeldt dat verzekerd is/zijn:

1. Gebouw(en) dienende tot particuliere bewoning

Westerweg 52, Purmerend

Bouwaard steen met harde dekking

Hiervoor geldt de dekking woonhuis

2. Inboedel in een woning

Op het sub 1 omschreven adres

Hiervoor geldt de dekking inboedel"

Op de verzekering zijn de polisvoorwaarden Zeker Wonen Combinatie van toepassing (hierna: de polisvoorwaarden). Die voorwaarden bevatten de volgende bepalingen:

Artikel 1.1 Begrippen

(...)

1.1.4 Woonhuis

Een gebouw dat uitsluitend dient tot particuliere bewoning en als zodanig in gebruik is.

1.1.5 Gebouw

Een als zodanig in de polis omschreven onroerende zaak met inbegrip van de hierna genoemde zaken.

a. Al hetgeen volgens verkeersopvatting daarvan deel uitmaakt.

b. Alle bijbehorende bouwsels die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, voorzover niet afzonderlijk verzekerd.

"Artikel 7.1 Risicowijziging

Verzekeringnemer is verplicht zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee maanden, aan de maatschappij kennis te geven van wijzigingen, zoals hierna per Dekking en/of Rubriek is aangegeven, tenzij verzekeringnemer aannemelijk maakt dat hij van het optreden van de desbetreffende wijziging niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn."

7.1.1 Risicowijziging Dekkingen woonhuis / inboedel / glas

a. Wijziging van gebruik (...) van het woonhuis, zoals in de polis omschreven, dan wel van het gebouw waarin de inboedel zich bevindt.

Artikel 7.3 Opschorting na risicowijziging

a. Verzuimt verzekeringnemer tijdig aan de maatschappij kennis te geven van de risicowijziging, dan wordt onmiddellijk na het verstrijken van de daarin genoemde termijn van twee maanden de dekking van de Dekking en/of Rubriek waarop de risicowijziging betrekking heeft, opgeschort, tenzij deze ook na kennisgeving op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde of lagere premie zou zijn voortgezet. (...)

6. [X] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat de bestemming van de woning niet is gewijzigd, omdat de hennepkwekerij in de bijgebouwen was gevestigd, dat hem pas in april 2005 bekend was dat er een hennepkwekerij naast de woning was en dat ten gevolge van de ontmanteling van de hennepkwekerij geen sprake meer was van een daarop betrekking hebbende risicowijziging op het moment van de diefstallen.

7. Het verweer dat de bestemming niet is gewijzigd, omdat de hennepkwekerij zich niet in de woning bevond, wordt verworpen. In zijn aangifte van de brand op 25 april 2005 verklaart [X] dat "er een hennepkwekerij in het huis was gevestigd". In zijn verklaring op 4 mei 2005 tegenover […], toedrachtonderzoeker ten behoeve van NN, en in zijn verklaring op 25 september 2007 op de comparitie bij de rechtbank specificeert hij dat in die zin dat de hennepkwekerij zich in de aanbouw bevond. Naar het oordeel van het hof dient de aanbouw van een woning tot de bij het gebouw behorende onderdelen in de zin van art. 1.1.5 onder a en b van de polis te worden gerekend. Buiten twijfel staat dat het telen van hennep een bestemmingswijziging oplevert van een gebouw dat volgens het polisblad dient tot particuliere bewoning. Ook is niet in geschil dat NN, indien zij van de bestemmingswijziging op de hoogte zou zijn geweest, de verzekering zou hebben beëindigd. De conclusie moet dan ook zijn dat [X] op grond van artikel 7.1. van de polisvoorwaarden die bestemmingswijziging in beginsel aan NN diende te melden.

8. [X] meent dat hij aan zijn meldingsplicht heeft voldaan. Hij stelt dat hij pas op 7 april 2005 van het bestaan van de hennepkwekerij op de hoogte raakte en daarvan binnen twee maanden, namelijk op 4 mei 2005, mededeling heeft gedaan aan [...], toen deze een gesprek met [X] voerde in het kader van zijn toedrachtonderzoek naar de brand ten behoeve van NN. NN betwist niet dat het (hebben) bestaan van de hennepkwekerij op 4 mei 2005 aan [...] is meegedeeld en evenmin dat een mededeling aan [...] kan worden gelijkgesteld met een mededeling aan NN zelf. Wel weerspreekt zij dat [X] pas in april 2005 op de hoogte kwam van het bestaan van de hennepkwekerij.

9. Het hof oordeelt als volgt. De stelplicht en bewijslast dat [X] verzuimd heeft om binnen twee maanden na de risicowijziging daarvan aan de verzekeraar kennis te geven, rust op NN. NN heeft gemotiveerd gesteld dat er voorafgaande aan de brandstichting en de diefstallen sprake was van langdurige aanwezigheid van een hennepkwekerij (memorie van grieven in incidenteel appel onder 18 en de omstandigheden genoemd in de conclusie van antwoord onder 16, die erop neerkomen dat de hennepkwekerij rechtstreeks verband houdt met de verhuur van de woning). [X] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel niet weersproken dat er al langdurig een hennepkwekerij in het verzekerde gebouw was; hij heeft in tegendeel erkend dat de huurder een hennepplantage naast de woning hield tijdens de periode dat de woning verhuurd werd (memorie van antwoord in incidenteel appel onder 6). Aangezien de woning vanaf mei 2004 was verhuurd, mag worden aangenomen dat kort na de verhuur een hennepplantage in het verzekerde pand was ingericht. Het hof zal er dan ook als onvoldoende weersproken vanuit gaan dat [X] verzuimd heeft om binnen twee maanden na de risicowijziging daarvan aan de verzekeraar kennis te geven.

10. Volgens artikel 7.1 van de polisvoorwaarden is de verzekerde niet verplicht tot kennisgeving binnen twee maanden als hij aannemelijk maakt dat hij van de wijziging niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn. Gezien de woorden "tenzij verzekeringnemer aannemelijk maakt" in artikel 7.1 van de polisvoorwaarden rust de bewijslast van het feit dat hij niet bekend was en redelijkerwijs niet kon zijn met de risicowijziging op [X]. Op grond van het hiervoor in rov. 9. overwogene moet ervan worden uitgegaan dat zich kort na de verhuur in mei 2004 een hennepkwekerij in de (aanbouw van de) woning bevond. Gelet op het feit dat hij op 4 mei 2005 aan NN (in de persoon van [...]) heeft gemeld dat zich een hennepkwekerij in de aanbouw bevond, zou in elk geval aannemelijk moeten worden gemaakt dat [X] vóór 4 maart 2005 niet van de wijziging op de hoogte was en dat ook redelijkerwijze niet kon zijn. [X] heeft zelf gesteld dat hij pas op 7 april 2005 bekend raakte met de hennepkwekerij. Hij heeft, toen hij op 25 april 2005 aangifte van de brand deed, verklaard dat hij elke maand huur kreeg tot oktober 2004 en toen niets meer en dat hij toen zelf naar het huis was gegaan om te kijken of hij zijn geld kon krijgen en toen de hennepkwekerij ontdekte. Hieruit lijkt voort te vloeien dat [X] in oktober 2004 naar zijn woning is gegaan. Vervolgens verklaart hij echter dat hij meteen na de ontdekking van de hennepkwekerij uit het huis is weggegaan en zich bij de politie in Amersfoort heeft gemeld, daar te horen kreeg dat hij naar Purmerend moest gaan, maar voordat hij dat kon doen al een telefoontje kreeg van de politie in verband met het aantreffen van een illegale hennepkwekerij. Daarmee situeert hij het bezoek aan zijn woning in dezelfde tijd als het oprollen van de hennepplantage. Die gebeurtenis vond volgens informatie van de genoemde [...] (rapportage blz. 6) plaats op 7 april 2005. Tijdens de comparitie heeft [X] verklaard dat het kan zijn dat hij in januari 2005 naar het pand is gegaan, maar dat het ook in maart 2005 kan zijn geweest.

11. Het hof acht deze verklaringen niet zodanig consistent dat [X] daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vóór 4 maart 2005 (maar pas op 7 april 2005) op de hoogte was van de hennepkwekerij en dat hij daarvan redelijkerwijs niet eerder op de hoogte kon zijn. Daarbij weegt mee dat het het hof niet duidelijk is waarom [X] zegt dat hij in Amersfoort aangifte ging doen (en toen te horen kreeg dat hij in Purmerend moest zijn), terwijl hij net tevoren zijn in Purmerend gelegen woning had bezocht. Ook acht het hof het opmerkelijk dat [X] in het interview met meergenoemde [...] verklaart dat hij de politie in Amersfoort in kennis heeft gesteld van de hennepplantage, waarna de politie van Amersfoort de politie te Purmerend heeft getipt, terwijl hij in zijn aangifte van de brand verklaart dat hij van de politie in Amersfoort te horen kreeg dat hij zelf naar de politie in Purmerend moest om dit te melden. Verder weegt het hof mee dat [X] verklaart dat hij aangifte bij de politie in Amersfoort heeft gedaan en tijdens de comparitie bij de rechtbank meedeelt dat hij thuis nog een kopie van die aangifte heeft liggen, maar deze aangifte, in tegenstelling tot alle andere aangiften (van de brand en van de diefstallen), niet in de procedure heeft overgelegd. Tot slot weegt het hof mee dat onaannemelijk is dat [X] - die naar eigen zeggen net een groot faillissement achter de rug had en de huurpenningen gebruikte om privéschulden af te betalen (zie de rapportage van [...]) - tot 7 april 2005 heeft gewacht om naar de woning te gaan om te trachten de toen volgens eigen zeggen reeds zes maanden achterstallige huur (van € 30.000,-) te innen. Dat hij in die tijd niet erg mobiel was acht het hof geen afdoende verklaring, mede in aanmerking genomen dat hij na de ontmanteling van de hennepplantage kennelijk in staat was spullen vanuit de serre en garage naar het huis te verplaatsen.

Daarbij komt dat [X] onvoldoende heeft weersproken het standpunt van NN (memorie van grieven in incidenteel appel onder 25 onder verwijzing naar de conclusie van antwoord onder 17) dat hij redelijkerwijs bekend had behoren te zijn met de activiteiten in zijn woning, aangezien van een verhuurder van een verzekerd gebouw verlangd kan worden dat hij met een zekere regelmaat de toestand van het verhuurde en verzekerde controleert.

De conclusie is dat [X] met de in de procedure afgelegde verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet (vóór 4 maart 2005) op de hoogte was van de hennepplantage en dat ook redelijkerwijs niet behoefde te zijn. Hij heeft verder geen - voldoende gespecificeerd - bewijs aangeboden. De conclusie uit het voorgaande is dan ook dat de in artikel 7.1.1 van de polisvoorwaarden gemaakte uitzondering op de mededelingsplicht niet opgaat.

12. De stelling van [X] dat de bestemming van de woning niet is gewijzigd omdat ten gevolge van de ontmanteling van de hennepkwekerij geen sprake meer was van een risicowijziging op het moment van de diefstal, leidt in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet tot een ander oordeel. Uit het hiervoor overwogene vloeit immers voort dat [X] de wijziging niet tijdig had gemeld, en dientengevolge daarvan was de dekking op grond van artikel 7.3 van de polisvoorwaarden reeds opgeschort. Deze opschorting is niet ongedaan gemaakt doordat de hennepkwekerij in april 2005 is ontmanteld. Het hof tekent hierbij nog aan dat [X] het pand daarna niet als particulier woonhuis is gaan bewonen en dat de bestemming, zoals vermeld op het polisblad, niet is hersteld.

Weliswaar heeft NN bij brief van 28 april 2005 aan [X] meegedeeld dat de verzekering weer van kracht wordt voor gebeurtenissen die plaatsvinden nadat de premie is ontvangen, maar niet in geschil is dat NN toen nog niet op de hoogte was van de risicowijziging van het pand. De brief had daarop dan ook geen betrekking.

13. Het beroep op opschorting van de dekking wordt niet aanvaard indien dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het antwoord op de vraag of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. [X] heeft erop gewezen dat de bestemmingswijziging ten tijde van de diefstallen, de schadevoorvallen waarvoor hij uitkering vraagt, ongedaan was gemaakt. Verder heeft hij gesteld dat er geen verband is tussen de bestemmingswijziging en het risico zoals zich dat heeft verwezenlijkt. Ten slotte acht [X] van belang dat NN de verzekering niet direct na 4 mei 2005, toen zij van de bestemmingswijziging op de hoogte raakte, heeft beëindigd.

NN heeft van haar kant aangevoerd dat de verzekering niet zou zijn voortgezet als [X] de bestemmingswijziging tijdig had gemeld. Zij is van mening dat er geen verband behoeft te zijn tussen de wijziging van het risico en het schadevoorval, maar voert bovendien aan dat dat verband in het onderhavige geval aanwezig was: als er geen hennepkwekerij was geweest, zou er ook geen brand zijn gesticht en zou er geen leegstand zijn geweest, gevolgd door inbraken.

14. Het hof is een en ander afwegend, vanuit het uitgangspunt dat terughoudendheid dient te worden betracht bij het aanvaarden van een uitzondering op het beginsel dat partijen aan het overeengekomene gebonden zijn, van oordeel dat de aangedragen omstandigheden niet meebrengen dat het beroep op opschorting van de dekking door NN naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij heeft het hof het volgende meegewogen. De verzekering zou voor de ongedaanmaking van de bestemmingswijziging al zijn beëindigd als [X] aan zijn mededelingsplicht had voldaan. Het hof acht niet aangetoond dat er geen enkel verband is tussen de niet tijdig gemelde hennepkwekerij en de diefstallen. [X] verklaart tegenover [...] met betrekking tot de brand dat hij het vermoeden heeft dat hangjeugd uit Purmerend Zuid in de woning heeft lopen klooien, nu de woning door de inval een interessant object was geworden. Ten gevolge van het oprollen van de hennepkwekerij en de brand stond het huis leeg, althans was het onbewoond, waardoor diefstal werd vergemakkelijkt. Ten slotte acht het hof het tijdsverloop tussen 4 mei 2005, het moment waarop NN met de risicowijziging bekend is geworden, en de datum van opzegging, 24 augustus 2005, niet zodanig lang dat [X] niet meer behoefde te verwachten dat NN een beroep op opschorting van de dekking zou doen.

15. De conclusie van het voorgaande is dat de grieven I en II slagen. Dat betekent dat NN de dekking onder de verzekering terecht heeft opgeschort, zodat [X] geen recht heeft op vergoeding van de diefstalschades.

16. De grieven III en IV, die ertoe strekken de vordering van [X] op een andere grond te doen afwijzen, behoeven geen behandeling.

17. De grieven V en VI betreffen de afwijzing van de vordering in reconventie.

NN vordert vergoeding van haar onderzoekskosten in mei 2005 naar de hennepkwekerij en de betrokkenheid van [X] daarbij.

18. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep maakt NN niet duidelijk waarom zij deze kosten moest maken. De kosten betreffen het onderzoek van [...] en van een firma, genaamd Confid. Zowel de werkzaamheden van[...], zoals blijkt uit paragraaf 1.0 van zijn rapport, als de werkzaamheden van Confid, zoals blijkt uit haar factuur, hadden betrekking op de brand, terwijl aan NN bekend moest zijn dat de verzekering niet van kracht was voor deze gebeurtenis, aangezien zij dit reeds bij brief van 28 april 2005 (productie 4 bij dagvaarding) aan [X] had meegedeeld. De grieven falen dan ook.

In het principaal appel:

19. De grieven in het principaal appel hebben betrekking op de oordelen van de rechtbank met betrekking tot (het bewijs van) de schadeomvang.

20. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [X] geen recht op uitkering van de door de diefstallen geleden schade. De grieven behoeven dan ook geen behandeling. Ook indien zij alle zouden slagen, is immers geen plaats voor schadevergoeding op grond van hetgeen in het incidenteel appel is overwogen.

Slotsom

21. De slotsom van het voorgaande is dat de grieven in het incidenteel appel slagen en dat het principaal appel faalt. Het vonnis van 12 maart 2008 zal worden vernietigd, het vonnis van 15 april 2009 zal met verbetering van de gronden worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:

recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2008;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 april 2009 met verbetering van de gronden;

- veroordeelt [X] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NN begroot op € 4.685,00 voor griffierecht en op € 1631,00 voor salaris van de advocaat;

- veroordeelt [X] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NN begroot op € 815,50 voor salaris van de advocaat;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, M.M. Olthof en A.M. Voorwinden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2012 in aanwezigheid van de griffier.