Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW5115

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
22-001705-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het Hof bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001705-11

Parketnummer: 09-901048-09

Datum uitspraak: 26 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank 's-Gravenhage van 8 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie) op [geboortejaar] 1988,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken.

De verdachte is ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 69 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf opgelegd voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is opgeheven.

Omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is beslist zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen - ten laste gelegd dat:

hij op een (of meer) tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 27 november 2009 tot en met 28 november 2009 te Hoorn en/of 's-Gravenhage en/of Monster en/of Ter Heide, althans in Nederland, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheidsverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, het verweer gevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat aan de wens van aangeefster om de verdachte niet te vervolgen volledig is voorbij gegaan.

Het hof verwerpt dit verweer, nu het openbaar ministerie heeft voldaan aan zijn in artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verplichting om het minderjarige slachtoffer in de gelegenheid te stellen haar mening over het gestelde strafbare feit kenbaar te maken en uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat het openbaar ministerie zwaarwegende belangen aanwezig heeft geacht om tot vervolging in deze over te gaan.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 27 november 2009 tot en met 28 november 2009 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota het verweer gevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, nu het ontuchtige karakter aan het handelen van de verdachte is komen te ontvallen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Onder 'ontuchtige handelingen' in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht, vallen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De Hoge Raad heeft bij arrest van 24 juni 1997 (NJ 1997, 67) bepaald dat het ontuchtige karakter kan ontbreken bij seksueel contact met een minderjarige als het gaat om vrijwillig contact tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en eventueel een affectieve relatie hebben.

Het hof heeft vastgesteld dat de seksuele contacten tussen de verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden op de dag van de eerste ontmoeting, zo blijkt uit de verklaringen van zowel aangever als de verdachte. Van een reeds langer bestaande affectieve relatie tussen beiden is derhalve geen sprake. Daar komt bij dat het leeftijdsverschil tussen de aangever van 14 jaar en de verdachte van 21 jaar niet als gering is te beschouwen. Dit brengt het hof tot het oordeel dat - hoewel in casu sprake is geweest van vrijwillig seksueel contact tussen de verdachte en aangever - het ontuchtige karakter aan de gedragingen niet is komen te ontvallen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Verweer ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, het verweer gevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, aangezien hij door aangever bewust op het verkeerde been is gezet ten aanzien van haar leeftijd.

Het hof verwerpt dit verweer omdat de leeftijd van de aangeefster is geobjectiveerd en opzet of schuld daaromtrent niet is vereist en voorts uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat verdachte niet de legitimatie van aangeefster heeft gevraagd noch heeft doorgevraagd omtrent haar leeftijd omdat hij aangeefster ondermeer op haar woord vertrouwde.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriele schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.072,63.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen bedrag van € 72,63.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijk toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, voor zover aan de orde in hoger beroep, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij niet gesteld dat de geleden materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, nu uit de toelichting op de vordering blijkt dat de vordering niet tegen verdachte is gericht.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Motivering van de op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof stelt gelet op de overige inhoud van het arrest dat zonder meer strafbaar is, hetgeen is bewezenverklaard. Verdachte moet dit derhalve door zijn veroordeling worden ingescherpt. Het hof is echter van oordeel dat de straf zoals die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal thans wordt gevorderd te zwaar is, met name omdat het slachtoffer seks wilde met de verdachte en te kennen heeft gegeven dat haar aangifte juist was gericht tegen een ander persoon die haar zou hebben verkracht en overigens uit het dossier is gebleken dat de verdachte het slachtoffer met respect heeft behandeld en het hof oog heeft voor de omstandigheid dat verdachte thans en met steun serieus aan zijn toekomst heeft gewerkt en het hof dit niet wil doorkruisen.

Derhalve acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot schadevergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. C.J. van der Wilt en mr. P.J. Wurzer, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 april 2012.

Mr. P.J. Wurzer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.