Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4468

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
K11/0387
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art 12 Sv.

Afwijzing beklag Federatief Joods Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door

[naam] namens

Federatief Joods Nederland,

klaagster.

1. Het beklag

Het klaagschrift is op 2 augustus 2011 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te 's-Gravenhage om beklaagde [naam], niet te vervolgen ter zake van belediging van een groep mensen als bedoeld in artikel 137 c van het Wetboek van Strafrecht. In het klaagschrift vraagt klaagster tevens vervolging van N.V. ADO Den Haag en breidt zij de strafbare feiten waarvan vervolging wordt verzocht uit tot aanzetten tot haat, discriminatie of geweld als bedoeld in artikel 137 d van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 9 maart 2012 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3. De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage van 8 februari 2012.

4. De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft op 11 april 2012 het klaagschrift in raadkamer behandeld. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Namens beklaagde zijn mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage en de schriftelijk gemachtigde [naam], directeur van ADO Den Haag, verschenen en gehoord.

Beklaagde is niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal mr. R.A.F. Gerding heeft in raadkamer -overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag- geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

5. De feiten

Het hof heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de politie Haaglanden d.d. 10 januari 2012, waarin wordt gerelateerd inzake de gebeurtenissen na afloop van de voetbalwedstrijd tussen ADO Den Haag en Ajax op 20 maart 2011, meer bijzonder de filmopnames van hetgeen zich heeft voorgedaan tijdens de feestelijkheden in het supportershome.

Tevens heeft het hof kennis genomen van de brief van de officier van justitie d.d. 8 februari 2012, gericht aan klaagster.

Op grond van deze informatie en hetgeen beklaagden in raadkamer hebben aangevoerd gaat het hof uit van de volgende feiten:

Na de wedstrijd op 20 maart 2011 tussen ADO Den Haag en Ajax werd tijdens een feest in het supportershome van ADO Den Haag de leus "Hamas, Hamas, Joden aan het gas" en enige tijd later de tekst "We gaan op Jodenjacht" gescandeerd.

Op de daarvan gemaakte en op internet geplaatste filmbeelden is te zien dat na het scanderen van de Hamas-leus de groep supporters door een speler en twee trainers tot stilte wordt gemaand. Niet te zien is dat beklaagde deelnam aan het roepen van de Hamas-leus.

Nadat de festiviteiten waren voortgezet volgde enige tijd later het scanderen door de feestgangers van de leus "We gaan op Jodenjacht". Hiervan zijn ook beelden gemaakt en in een filmpje op You Tube op het internet geplaatst. Daarop is te zien dat beklaagde, staande op een verhoging en gebruikmakend van een microfoon, aan dat scanderen deelneemt.

Klaagster heeft bij brieven van 21 maart 2011 en 19 juli 2011 bij de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage aangifte gedaan tegen beklaagde van belediging van een groep mensen als bedoeld in artikel 137 c van het Wetboek van Strafrecht. Het klaagschrift is gericht tegen de weigering van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan en breidt het verwijt uit tot schending van artikel 137 d Sr.

6. De beoordeling van het beklag

Het klaagschrift geeft geen argumentatie met betrekking tot het verwijt aan beklaagde NV ADO Den Haag. Klaagster is niet in raadkamer verschenen. Ook een nadere schriftelijke toelichting voor wat betreft de betrokkenheid van ADO ontbreekt. Nog daargelaten dat de aangifte niet was gericht tegen deze beklaagde en het sepot daarop dus ook geen betrekking had, zal bij deze stand van zaken de klacht tegen NV ADO Den Haag zonder bespreking worden afgewezen.

Door de raadsman van beklaagde is tijdens het onderzoek in raadkamer naar voren gebracht dat beklaagde niet de intentie heeft gehad om leden van de Joodse gemeenschap als zodanig te beledigen. De uitingen zijn volgens hem gedaan in de overwinningsroes na afloop van de wedstrijd in het supportershome van ADO, waar alleen ADO-publiek pleegt te komen. Tot groot ongenoegen van velen - ook van de leiding van ADO Den Haag - wordt al vele jaren de strijdkreet "we gaan op Jodenjacht" geroepen als er een wedstrijd tegen Ajax wordt gespeeld. Echter, hoe verwerpelijk ook, de supporters, die dat roepen bedoelen daarbij niet een groep mensen te beledigen of aan te zetten tot haat, aldus de raadsman. Het is volgens de raadsman een feit van algemene bekendheid dat zelfs (sommige) aanhangers van Ajax zich "Joden" noemen en deze benaming als een soort geuzennaam beschouwen.

Beklaagde heeft publiekelijk afstand genomen van zijn uitlatingen en spijt betuigd.

De raadsman heeft erkend dat in bepaalde omstandigheden een dergelijk leus een schending van artikel 137 c van het Wetboek van Strafrecht kan opleveren, maar dit is op zichzelf genomen volgens hem nog geen reden voor vervolging.

Tijdens het onderzoek in raadkamer heeft de directeur van ADO Den Haag verklaard dat beklaagde zeer onder de indruk was van de gebeurtenissen en de gevolgen. Beklaagde is voor zijn uitlatingen door zijn werkgever arbeidsrechtelijk en door de KNVB tuchtrechtelijk bestraft. Aan beklaagde is een geldboete ter hoogte van een maandsalaris en vier wedstrijdpremies opgelegd en hij is geschorst voor vijf wedstrijden, waarvan één wedstrijd voorwaardelijk. Daarnaast is aan beklaagde door de werkgever een leerstraf opgelegd bestaande uit het geven van voorlichting op scholen over pesten en discriminatie.

Het hof overweegt ten aanzien van de argumenten van partijen als volgt.

Het hof is van oordeel dat de gebezigde bekritiseerde uitlatingen onder omstandigheden een strafbaar feit kunnen opleveren, maar dat in voorkomende gevallen deze telkens dienen te worden beoordeeld in samenhang met moment, plaats en intensiteit, alsmede in de context van de gebeurtenis, derhalve gelet op alle omstandigheden van het voorval.

Beklaagden stellen dat in deze zaak de bekritiseerde uiting het karakter had van een strijdkreet naar aanleiding van een gewonnen wedstrijd tegen Ajax, tijdens een feestje in het supportershome van ADO Den Haag. Hoewel voor een strijdkreet ná het behalen van de overwinning in de wedstrijd naar het oordeel van het hof geen aanleiding zou hoeven te zijn acht het hof aannemelijk geworden dat beklaagde niet de intentie had om Joden te beledigen of tot haat aan te zetten jegens het Joodse volk en dat zijn uitlating is gedaan tijdens de overwinningsroes na het verslaan van Ajax.

De intentie van beklaagde is evenwel niet doorslaggevend voor de beoordeling. Beklaagde had zich bewust moeten zijn van de aanmerkelijke kans, dat zijn uitlatingen door anderen beledigend of bedreigend kunnen worden opgevat en kunnen aanzetten tot haatgevoelens.

Bovendien trad beklaagde prominent op in zijn rol als gevierd sterspeler en had hij ermee rekening kunnen houden, dat zijn optreden als aanmoedigend zou worden ervaren door de supporters en gefotografeerd of gefilmd zou worden.

Het hof heeft bij de afweging van alle omstandigheden acht geslagen op het feit dat beklaagde publiekelijk zijn spijt heeft betuigd en dat tegen hem strafmaatregelen zijn getroffen door zijn werkgever en de KNVB, bestaande uit een aanzienlijke financiële sanctie, een schorsing voor vijf wedstrijden, waarvan één voorwaardelijk en een leerstraf.

Het hof is, gelet op de gegeven omstandigheden, de context waarin de feiten hebben plaatsgevonden en op de strafmaatregelen die tegen beklaagde zijn genomen, van oordeel dat een opdracht tot strafvervolging van beklaagde in deze zaak niet gegeven hoeft te worden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook het beklag jegens beklaagde dient te worden afgewezen.

7. De beslissing

Het hof:

Wijst het beklag jegens beide beklaagden af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 2 mei 2012 door mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. R. Noordam en mr. S.J.A.M. van Gend, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Kiela, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.