Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4052

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
22-000908-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte, door het gedrag van zijn vriendin [slachtoffer] boos geworden, heeft zich jegens haar schuldig gemaakt aan zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend door hevig geweld uit te oefenen op haar hoofd.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het kweken en aanwezig hebben van hennep.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000908-10

Parketnummer: 10-630125-09

Datum uitspraak: 23 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 23 november 2010, 6 september 2011 en 9 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 29 april 2009 tot en met 1 mei 2009 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

- (met kracht) (met gebalde vuisten) die [slachtoffer] in/op/tegen het hoofd/gezicht gestompt en/of geslagen en/of

- (met kracht) die [slachtoffer] met haar hoofd/gezicht op/tegen een muur/wand en/of toilet en/of wasbak en/of (water)kraan, althans (een) hard(e) voorwerp(en), geslagen en/of gestoten en/of geduwd en/of

- (met kracht) die [slachtoffer] in/op/tegen het hoofd/gezicht gestompt/geslagen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (met haar hoofd) op/tegen een muur/wand en/of toilet(pot) en/of wasbak en/of (water)kraan, althans een hard voorwerp en/of hard oppervlak, is gevallen/gestoten en/of

- heftig (botsend/stotend) geweld op/tegen het hoofd/schedel van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met 1 mei 2009 te Rotterdam aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk

- die [slachtoffer] (met kracht) (met gebalde vuisten) in/op/tegen het hoofd/gezicht te stompen en/of slaan en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) met haar hoofd/gezicht op/tegen een muur/wand en/of toilet en/of wasbak en/of (water)kraan, althans (een) hard(e) voorwerp(en), te slaan en/of stoten en/of duwen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) in/op/tegen het hoofd/gezicht te stompen/slaan, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (met haar hoofd) op/tegen een muur/wand en/of toilet(pot) en/of wasbak en/of (water)kraan, althans een hard voorwerp en/of een hard oppervlak, is gevallen/gestoten en/of

- heftig (botsend/stotend) geweld op/tegen het hoofd/schedel van die [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met 1 mei 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

- (met kracht) (met gebalde vuisten) die [slachtoffer] in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

- (met kracht) die [slachtoffer] met haar hoofd/gezicht op/tegen een muur/wand en/of toilet(pot) en/of wasbak en/of (water)kraan, althans (een) hard(e) voorwerp(en), heeft geslagen en/of gestoten en/of geduwd en/of

- (met kracht) die [slachtoffer] in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft gestompt/geslagen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (met haar hoofd) op/tegen een muur/wand en/of toilet(pot) en/of wasbak en/of (water)kraan, althans een hard voorwerp en/of een hard oppervlak, is gevallen/gestoten en/of

- heftig (botsend/stotend) geweld op/tegen het hoofd/schedel van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, tengevolge waarvan deze is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2006 tot en met 17 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan de Tollenstraat) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij op of omstreeks 18 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 269 hennep-planten en/of 95 hennep-stekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissing omtrent het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en uit de wettige bewijsmiddelen is het volgende gebleken.1

1. Op 30 april 2009 komt omstreeks 10:16 uur bij de meldkamer van de politie de melding binnen dat er een mishandeling zou hebben plaatsgevonden op de [adres] te Rotterdam, waarbij een vrouw gewond is geraakt. De verbalisanten begeven zich omstreeks 10.16 uur naar de woning en worden binnengelaten door de verdachte. Verbalisant Sloote ziet op de vloer van de woonkamer een vrouw liggen die uit haar hoofd en mond bloedt en niet meer aanspreekbaar is.2 De melding wordt gedaan door de verdachte, die tijdens het gesprek met de medewerker van de Meldkamer Ambulance mededeelt: "Kan u een ambulance sturen voor mijn vriendin? Ze ligt op de grond met een hoofdwond. (...) Ik heb haar geslagen en ze viel met haar hoofd op tafel. (...) Ze ademt een beetje zwaar en ik krijg haar niet wakker. (...) Het is net gebeurd".3 Door een dienstdoende arts van het Erasmus Medisch Centrum wordt medegedeeld dat het slachtoffer [slachtoffer] op 1 mei 2009 tengevolge van haar verwondingen is overleden.4 Voordien had het slachtoffer een neurochirurgische operatie aan haar hoofd en andere medische interventies ondergaan. Deze ingrepen hadden echter niet geholpen.5

Verklaring verdachte

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011 onder meer het navolgende verklaard:

"Toen het ambulancepersoneel arriveerde, heb ik nog wel gedacht aan het feit dat ik [slachtoffer] die nacht had geslagen. (...) Ik was die nacht om ongeveer 3:30 uur thuisgekomen. (...) [slachtoffer] zat op de wc. Ze was niet gewond. Ik vroeg haar waar ze was geweest en wat ze had gedaan. (...) Ik was boos en teleurgesteld. (...) Ik trof in haar tas een nieuw pak shag aan en condooms. Ik werd bozer omdat (...) bleek dat ze had gelogen. Ik ben teruggelopen naar de wc en heb gevraagd hoe ze aan die spullen kwam. Ze zei weer dat er niets gebeurd was en dat ze de condooms had gekregen. Ik geloofde haar niet. Ik gaf haar met mijn vlakke hand een klap tegen de linkerkant van haar gezicht. (...) Ik was boos en dacht niet na. (...) Ze kwam met haar hoofd tegen de muur achter haar. Ik hoorde de bonk van haar hoofd tegen de muur. Ik heb haar daarna nog een keer geslagen op dezelfde plek. Daarbij kwam ze weer met haar hoofd tegen de muur aan en hoorde ik weer een bonk. De tweede klap was even hard als de eerste. (...) Ik zag bloed op de tegels. Ik nam aan dat dit van haar hoofd kwam. (...) Tussen het slaan en het moment dat ik naar bed ging zat denk ik een uur. Ik denk dat ik ongeveer om 5:00 uur ben gaan slapen. (...) U houdt mij voor de verklaring van de moeder van [slachtoffer] d.d. 2 mei 2009. Het klopt dat ik [slachtoffer] eerder heb geslagen. Ik kwam haar op straat tegen en dacht dat ze zichzelf aan het prostitueren was. Ik heb haar toen een klap tegen haar gezicht gegeven. (...) Het klopt dat ik flinke armspieren heb.(...) U vraagt mij naar het eerdere incident waarbij ik haar had geslagen. Ik denk dat die klap even hard was als de klappen die ik haar op de wc heb gegeven. (...) [slachtoffer] heeft de klappen niet afgeweerd."6

Verklaring van [getuige], moeder van het slachtoffer, met betrekking tot de eerdere mishandeling

3. [getuige] heeft bij de politie d.d. 2 mei 2009 onder meer het navolgende verklaard:

"Ongeveer twee maanden geleden hebben [slachtoffer] en [verdachte] slaande ruzie met elkaar gehad. (..) [slachtoffer] heeft mij telefonisch verteld dat [verdachte] haar langdurig en hard op haar hoofd had geslagen. (...) In een van de daaropvolgende dagen heb ik [slachtoffer] gezien en ik zag toen dat zij een blauw oog had."7

Verklaring getuige [getuige 2]

4. De getuige [getuige 2], buurvrouw van verdachte en [slachtoffer], heeft op 1 november 2011 bij de raadsheer-commissaris onder meer het navolgende verklaard:

"Ik schrok om ongeveer 4:00 uur wakker. Ik hoorde dat er met grote voorwerpen werd gesmeten tegen de muur en tegen de grond. Ik hoorde ook geschreeuw. Het was dit keer heel extreem. (...) Deze geluiden kwamen van mijn naaste buren op nr [nr.]. (...) De herrie duurde ongeveer een uur. (...) Het werd gedurende de tijd steeds minder. (...) Ik heb zowel haar als de mannenstem veel gehoord met schreeuwen. (...) Tegen 05:30 uur was het niet heel hard meer. Toen hoorde ik geen stemmen meer maar wel kleine geluiden, alsof er iemand liep of alsof er iemand opruimde."8

Forensisch onderzoek

5. Op 30 april 2009 is forensisch onderzoek verricht in de woning aan de [adres] te Rotterdam.9 Onder de conclusies wordt vermeld: in de woonkamer werden op de vloer enkele bloedvlekken in de vloerbedekking aangetroffen. Dit betrof passief bloed dat vermoedelijk uit een bloedende wond, dan wel ten gevolge van overdracht met een bebloed voorwerp dan wel lichaamsdeel, op de vloerbedekking terecht was gekomen. In de toiletruimte werden bloedsporen aangetroffen. Gezien het aangetroffen bloedsporenbeeld is in de toiletruimte op enig moment geweld in bloed en/of op bebloede personen uitgeoefend.10

6. Er is een bloedspoorpatroon-onderzoek uitgevoerd waarbij bloedsporen zijn veiliggesteld en bemonsterd.11 Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut naar deze bloedsporen is gebleken dat de in het toilet bemonsterde bloedsporen onder meer afkomstig zijn van het slachtoffer.12

7. Eveneens is er een bloedsporeninterpretatieonderzoek verricht in de woning aan de [adres] te Rotterdam.13 Geconcludeerd wordt dat er gelet op de aangetroffen impactsporen op de beide zijmuren en de achtermuur van het toilet tenminste drie keer geweld is uitgeoefend op (met) een bebloed voorwerp dan wel op (met)een bebloed of bloedend persoon.14

Pathologisch onderzoek

8. Op 1 mei 2009 vond er tussen 12.30 en 15.25 in het Nederlands Forensisch Instituut een gerechtelijke sectie plaats op het stoffelijk overschot van [slachtoffer].15 Uit het desbetreffende rapport betreffende het pathologisch onderzoek16 van arts-patholoog A. Maes blijkt dat aan beide zijden van het hoofd van het slachtoffer sprake was van een acuut subduraal hematoom, een bloeding onder het harde hersenvlies. Aan beide zijden van het hoofd en in het gezicht waren bloeduitstortingen zichtbaar. De letsels zijn het gevolg geweest van heftig botsend geweld aan beide zijden van het hoofd en in het gezicht (tenminste drie keer impact).

Het overlijden is volgens Maes te verklaren door functieverlies van de hersenen en inklemmings-verschijnselen als gevolg van bloedstolsels onder het harde hersenvlies beiderzijds en sterke hersenzwelling. De conclusie op basis van de bevindingen van Maes is dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van meermalen toegepast heftig botsend geweld op het hoofd. Volgens de deskundige is het op grond van de sectiebevindingen niet mogelijk aan te geven welke van de op het hoofd en gezicht opgelopen letsels meer schade heeft veroorzaakt en daardoor meer heeft bijgedragen aan het overlijden. Ook het neuropathologisch onderzoek maakt geen onderscheid in welk van de letsels het meest heeft bijgedragen aan de dood.17

Het gezicht en het behaarde hoofd waren links zijwaarts sterk gezwollen en paarsblauw verkleurd als gevolg van onderhuidse bloeduitstortingen. De gehele linkerwang was vlekkig rood verkleurd en bezaaid met stipvormige bloeduitstortingen en kleine huidkneuzingen. De zwelling van het behaarde hoofd kan maar ten dele worden verklaard door de verrichte operatie. De overige letsels zeer zeker niet.18

Naar aanleiding van door het hof gestelde aanvullende vragen op bovengenoemd rapport vermeldt Maes in een brief d.d. 4 augustus 2011 dat de letsels van het slachtoffer aan beide zijden van het hoofd en in het gezicht niet goed passen bij door het slachtoffer aan zichzelf toegebrachte verwondingen. De schedelhersenletsels passen ook niet bij een simpele val of bij vallen tegen een hard voorwerp (vanaf beperkte hoogte).19 Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 heeft Maes verklaard dat een achterwaartse val op het hoofd op geen enkele wijze past bij het door haar geconstateerde letsel.20

Uit het neuropathologisch onderzoek d.d. 20 oktober 2009 van patholoog B. Kubat komt naar voren dat de herseninklemming ten gevolge van de hersenzwelling bij hersenoedeem het overlijden volledig verklaart door verstoring van de hersenfuncties.21

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 heeft Kubat verklaard dat het subduraal hematoom is ontstaan door geweldsinwerking. Zij acht het niet waarschijnlijk dat er sprake is geweest van onwel worden en vervolgens vallen.

10. Op 17 februari 2012 is door forensisch arts H.G.T. Nijs van het Nederlands Forensisch Instituut een rapport 'Medisch forensisch onderzoek' opgemaakt. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de bloeduitstorting rechts aan het hoofd bij het oor suspect is voor een niet-accidentele toedracht (dat wil zeggen: toegebracht letsel), veroorzaakt door heftig botsend samendrukkend stomp mechanisch geweld.

De bevinding dat de gehele linkerwang vlekkig rood was verkleurd en bezaaid was met stipvormige bloeduitstortingen en kleine huidkneuzingen past, onder meer, zeer wel bij tenminste één harde klap met de vlakke hand tegen het gelaat conform de verklaring van de verdachte.22

Contra-expertise

11. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011 heeft het hof ambtshalve besloten een contra-expertise te laten uitvoeren naar het pathologie onderzoek van Maes. Dit heeft geleid tot een herbeoordeling door patholoog F.R.W. van de Goot van het materiaal verkregen bij de sectie verricht door het Nederlands Forensisch Instituut op het lichaam van [slachtoffer], opgesteld door patholoog F.R.W. van de Goot. Ook hij stelt in zijn rapport - alles gezamenlijk beschouwend - onder punt één dat het slachtoffer is overleden als gevolg van uitval van hersenfuncties en verwikkelingen en dat het ontstaan hiervan aannemelijkerwijs het gevolg is van herhaaldelijke mechanische geweldinwerking.23

12 Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 heeft Van de Goot als getuige-deskundige verklaard dat het letsel het beste past bij een val, maar dat slaan niet is uitgesloten. Indien al het letsel aan het hoofd zou zijn ontstaan door één geweldinwerking, dan is het volgens Van de Goot vrijwel uitgesloten dat het slachtoffer erna nog handelingsbekwaam was.24

Dit laatste heeft de deskundige Kubat ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 betwist. De mate van handelingsbekwaamheid van het slachtoffer na het oplopen van het fatale hoofdletsel acht zij sterk afhankelijk van de bloedingsneiging, oftewel: de snelheid waarmee een bloeding in heftigheid toeneemt.25

13. In het rapport heeft Van de Goot voorts gesteld dat het slachtoffer leed aan sikkelcelziekte, een afwijking die zeker in combinatie met alcohol en cocaïne een sterk verhoogde bloedingsneiging veroorzaakt. Hierdoor kunnen subdurale hematomen en andere bloedingen verergeren of zelfs spontaan ontstaan, zodat dergelijke afwijkingen volgens hem ook bij minder substantieel geweld zouden kunnen optreden dan wel zich uitbreiden.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 is de deskundige hiervan teruggekomen, naar aanleiding van de resultaten van het biochemisch onderzoek van femoraal bloed en nierweefsel van [slachtoffer].26 Hij stelt echter nog wel dat er sprake is van een merkwaardig beenmerg en een (mogelijk) verhoogde bloedingsneiging.

Dit laatste is tijdens de terechtzitting betwist door de deskundige Kubat. Volgens haar is het niet waarschijnlijk dat het slachtoffer een verhoogde bloedingsneiging had aangezien er voorafgaande aan de operatie geen behandelingsmaatregelen zijn genomen tegen een verhoogde bloedingsneiging.27

Op deze kwestie wordt in het navolgende nog ingegaan.

Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van het bewijs

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 heeft de raadsvrouw een aantal bewijsverweren gevoerd die zijn opgenomen in de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota. De verweren laten zich, voor zover het hof daarop dient te reageren, als volgt samenvatten:

1. De getuigenverklaring van [getuige], de moeder van het slachtoffer, is niet betrouwbaar aangezien zij deze verklaring daags na het overlijden van het slachtoffer in emotionele toestand heeft afgelegd.

2. Zowel het bloedsporenonderzoek als de sectiebevindingen duiden op de mogelijkheid dat er slechts sprake is geweest van minimaal geweld van de kant van de verdachte.

3. Er dient vrijspraak te volgen van het primair en subsidiair ten laste gelegde aangezien de ten laste gelegde causale verbanden niet kunnen worden bewezen. Het is namelijk op de gronden die in de pleitnota zijn aangegeven onwaarschijnlijk dat de geweldstoepassing door de verdachte tot de dood dan wel tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid van het slachtoffer. Ook liggen oorzaak en gevolg in tijd zover van elkaar af dat dit gevolg niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

4. Ook overigens is er sprake van ontlastend bewijs. Zo is er een opvallend briefje aan het zoontje van het slachtoffer gevonden dat zeer waarschijnlijk door het slachtoffer zelf is geschreven.

Ten aanzien van hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige], de moeder van het slachtoffer, overweegt het hof dat zij heeft verklaard dat de verdachte en het slachtoffer twee maanden eerder ruzie hebben gehad waarbij de verdachte het slachtoffer hard op het hoofd heeft geslagen. Geconfronteerd met deze verklaring ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011 heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer toen inderdaad heeft geslagen. Nu deze beide verklaringen in de kern overeenstemmen ziet het hof mede in het licht van hetgeen ter onderbouwing van het verweer is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige].

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof zal de overige bewijsverweren hieronder bespreken, mede naar aanleiding van de bewijsoverwegingen van het hof betreffende het onder 1 ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt

Wat zich in de nacht van 30 april 2009 in de woning aan de [adres] precies heeft afgespeeld valt moeilijk te achterhalen. Vaststaat dat er tussen de verdachte en het slachtoffer een ruzie is geweest die, gelet op de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011 alsmede de verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd bij de raadsheer-commissaris d.d. 1 november 2011, zo'n 1,5 uur heeft geduurd. De verdachte heeft in zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011 toegegeven geweld te hebben gebruikt. Volgens de verdachte heeft dit geweld bestaan uit twee klappen tegen het hoofd van het slachtoffer, waarbij zij tweemaal met haar hoofd tegen de muur van het toilet is gekomen en waarbij hij tweemaal een bonk hoorde.

De verklaring van de moeder van het slachtoffer is aan de verdachte voorgehouden. Zij verklaart dat het slachtoffer haar heeft verteld over een eerder incident waarbij de verdachte het slachtoffer hard had geslagen. De verdachte heeft hierop verklaard dat de klap die hij het slachtoffer bij dat incident heeft gegeven even hard was als de klappen die hij op 30 april 2009 heeft gegeven. Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat de verdachte het slachtoffer (in ieder geval) tweemaal hard heeft geslagen.

De verdediging wijst erop dat uit het bloedspoor-patroononderzoek niet valt af te leiden of er al dan niet fors geweld is gebruikt door de verdachte. Dit doet echter niet aan de bovenstaande conclusies af, aangezien het voornoemde onderzoek ook geen contra-indicatie is voor het forse geweld. Het hof wijst in dit verband ook op het aanvullende rapport van Maes d.d. 17 oktober 2011, waarin deze deskundige stelt dat de acute en levensbedreigende letsels subdurale hematomen waren, die waren gelegen onder het schedeldak. Aangezien dit een van de buitenwereld afgesloten plek is, betekent dit volgens haar dat er ten tijde van het oplopen van deze letsels geen uitwendig bloedverlies hoeft te zijn opgetreden.28 Het hof volgt deze opvatting.

Tussenconclusie

Uit het bovenstaande blijkt het slachtoffer heftig botsend dan wel stotend geweld op of tegen het hoofd dan wel schedel van het slachtoffer heeft uitgeoefend.

Causaal verband

Gezien het onder 8 vermelde pathologisch onderzoek staat vast dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van zwaar lichamelijk letsel, namelijk hersenletsels die hebben geleid tot functieverlies van de hersenen en inklemmingsverschijnselen.

Door de verdediging wordt betwist dat de verdachte, door het slachtoffer te mishandelen, dit fatale hersenletsel heeft veroorzaakt. Mede naar aanleiding van de gevoerde verweren heeft het hof een drietal scenario's onderzocht, te weten:

1. het slaan van het slachtoffer door de verdachte is geen conditio sine qua non voor het fatale hersenletsel, aangezien dit letsel louter is ontstaan door één of meer oorzaken die geen verband houden met de mishandelingen van het slachtoffer door de verdachte;

2. het fatale hoofdletsel is alleen door slaan van de verdachte veroorzaakt;

3. het fatale hoofdletsel is veroorzaakt door combinatie van factoren, namelijk slaan door de verdachte en (een) andere geweldsinwerking(en).

Het eerste scenario

Naar het oordeel van het hof is het eerste scenario hoogst onwaarschijnlijk. Uit de sectiebevindingen alsmede de verklaringen van de getuige-deskundige Maes kan namelijk worden afgeleid dat het slachtoffer is overleden als gevolg van meermalen hevig uitwendig botsend geweld tegen haar hoofd. Maes spreekt over tenminste drie keer impact. Ook volgens de deskundige Van de Goot is de dood aannemelijkerwijs het gevolg van herhaaldelijke mechanische geweldsinwerking. Voorts volgt eveneens uit het bloedsporeninterpretatieonderzoek dat (minimaal) drie keer geweld is uitgeoefend.

Nu er geen enkele indicatie is dat iemand anders in de woning is geweest dan de verdachte en het slachtoffer, is het hoogst onwaarschijnlijk dat iemand anders dan de verdachte het letsel in de woning heeft toegebracht. De verdachte heeft dit ook niet aangevoerd.

Ook is het hoogst onwaarschijnlijk dat eerder die avond of nacht een ander dan de verdachte geweld op het hoofd van het slachtoffer heeft uitgeoefend, dat (mede) tot haar dood heeft geleid. De verdachte heeft immers verklaard dat hij voorafgaand aan de door hem gepleegde mishandelingen geen (hoofd)letsel heeft gezien bij het slachtoffer.

De verdediging heeft gesuggereerd dat het letsel wellicht ontstaan kan zijn doordat het slachtoffer enkele uren na de mishandeling is gevallen. Nu de dood van het slachtoffer echter het gevolg is van meerdere geweldsinwerkingen met ten minste drie keer impact, is het hoogst onwaarschijnlijk dat het fatale letsel louter door het vallen van het slachtoffer is ontstaan. Dit zou alleen denkbaar zijn bij een zeer bijzondere vorm van vallen, zoals een val van een trap waarbij het hoofd verschillende keren tegen een hard voorwerp botst. Er is echter geen enkel technisch bewijs of spoor dat duidt op een val van de trap. Ook overigens is er geen enkele indicatie dat het slachtoffer van de trap is gevallen of dat het letsel is veroorzaakt door andere factoren waarmee de verdachte niets van doen had. Zo blijkt uit het onder 5 vermelde forensisch onderzoek dat aan het in de woonkamer aanwezige meubilair, waaronder eettafel, stoelen en salontafel, geen recente beschadigingen en/of bloedsporen werden aangetroffen.

Het tweede en derde scenario

Wat betreft het tweede scenario merkt het hof op dat er tussen de door het hof geraadpleegde deskundigen verschil van mening bestaat over de waarschijnlijkheid van dit scenario. De deskundige Van de Goot heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 verklaard dat het op zichzelf beschouwd niet uitgesloten is dat het letsel is veroorzaakt doordat het slachtoffer is geslagen. Wel vindt hij het opmerkelijk dat er op de sectiefoto's geen patroon op de linkerwang van het slachtoffer te zien is dat kan duiden op een handafdruk. Het is naar zijn mening daarom meer waarschijnlijk dat de de zwellingen die zijn geconstateerd aan de linkerwang van het slachtoffer zijn ontstaan door contact met een ruw hard oppervlak dan contact met een vuist of open hand.29

Getuige-deskundige Kubat heeft echter op 9 maart 2012 ter terechtzitting in hoger beroep dienaangaande verklaard dat er aanvankelijk mogelijk wel een patroon te zien is geweest op de wang van het slachtoffer. Dit patroon zou echter - in aanmerking genomen dat het slachtoffer een behandeling in het ziekenhuis heeft ondergaan - niet meer zichtbaar kunnen zijn geweest op het moment van de sectie.

Het hof gaat uit van de juistheid van deze laatste opvatting, mede gezien de tijd die is verlopen tussen het moment dat de verdachte naar eigen zeggen het slachtoffer tegen de linkerkant van haar gezicht heeft geslagen en het moment van de sectie en gelet op het letsel dat bij de sectie is geconstateerd op de linkerwang van het slachtoffer.30

De opvatting van Kubat wordt ondersteund door de deskundige Maes, die op 9 maart 2012 ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de geweldsinwerking kan zijn toegebracht met de hand of met een voorwerp. Het hof hecht meer gewicht aan de opvatting van de laatstgenoemde deskundige dan aan die van de deskundige Van de Goot, aangezien Maes de sectie van het slachtoffer zelf heeft verricht, terwijl Van de Goot zijn opvatting heeft gebaseerd op foto's van de sectie. Zoals uit het voorgaande blijkt wordt de opvatting van Maes overigens ook ondersteund door de deskundige Nijs.31

Nu de verdachte heeft bekend het slachtoffer twee keer te hebben geslagen en uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat dit harde klappen zijn geweest waarbij het slachtoffer met haar hoofd tegen de muur is gekomen, staat naar het oordeel van het hof met voldoende mate van waarschijnlijkheid vast dat tenminste twee van de door de deskundige Maes geconstateerde impacts zijn veroorzaakt door het slaan door de verdachte.

Onduidelijk is gebleven wat de oorzaak is geweest van de derde geweldsimpact. Het is mogelijk dat de verdachte vaker heeft geslagen dan hij heeft toegegeven(het tweede scenario). Het is echter ook mogelijk dat er - naast de twee slagen - sprake is geweest van andersoortig hevig uitwendig botsend geweld tegen het hoofd van het slachtoffer (het derde scenario). Zo is het mogelijk dat de verdachte het slachtoffer ook nog heeft geduwd, waardoor er sprake is geweest van een versnelde val.

Ten aanzien van het tweede en het derde scenario is het hof van oordeel dat deze scenario's, gelet op de bevindingen van de getuige-deskundigen alsmede gelet op de bevindingen uit forensisch onderzoek en overige wettige bewijsmiddelen, beide kunnen hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof is een keuze tussen deze scenario's niet mogelijk en ook niet nodig. Bij beide scenario's valt namelijk de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan het handelen van de verdachte toe te rekenen, aangezien hij door de ten laste gelegde mishandelingen de kans op het intreden van dit gevolg aanzienlijk heeft verhoogd. Van belang daarbij is dat deze mishandelingen, waarbij hard tegen het hoofd van het slachtoffer is geslagen en zij met haar hoofd tegen een muur is gekomen, naar hun aard geschikt zijn om de dood van het slachtoffer teweeg te brengen.

In verband met de causaliteitscriteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest van 27 maart 2007, LJN: BT6397 overweegt het hof voorts het volgende. De slagen die de verdachte aan het slachtoffer heeft toegebracht kunnen de onmisbare schakels hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid, terwijl het ook aannemelijk is dat dit gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door deze gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Hieraan doet niet af dat niet geheel kan worden uitgesloten dat ook een of meer latere handelingen van de verdachte en/of enige andere oorzaak mede heeft/hebben geleid tot dit gevolg.

Van belang hierbij is dat het, zoals hierboven aan de orde is gekomen, op grond van de sectiebevindingen en het neuropathologisch onderzoek niet mogelijk is aan te geven welke van de op het hoofd en gezicht opgelopen letsels meer schade heeft veroorzaakt en daardoor meer heeft bijgedragen aan het overlijden. Uit dit gegeven maakt het hof op dat de handelingen van de verdachte - waardoor zoals gezegd tenminste twee van de drie van de door Maes geconstateerde impacts zijn veroorzaakt - in ieder geval tot zeer substantieel letsel geleid.

Anders dan de verdediging stelt kan uit het bovenstaande rapport van Van de Goot niet worden afgeleid dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de geweldstoepassing van de verdachte tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. Van de Goot, die ter terechtzitting in hoger beroep deels is teruggekomen van zijn rapportage, wijst wel op de mogelijkheid dat er sprake is geweest van een verhoogde kwetsbaarheid van het slachtoffer. Volgens hem was er namelijk bij haar sprake van een merkwaardig beenmerg, waardoor er sprake kan zijn geweest van een verhoogde bloedingsneiging.

Ook indien men deze opvatting volgt, kan echter de dood van het slachtoffer nog steeds redelijkerwijs aan (de bewezen verklaarde gedragingen van) de verdachte worden toegerekend. Indien al moet worden aangenomen dat de stellingen van Van de Goot op dit punt juist zijn (hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is betwist door de deskundige Kubat), heeft namelijk de verhoogde kwetsbaarheid van het slachtoffer in de keten van gebeurtenissen niet een zodanige invloed gehad dat de causale keten hierdoor is doorbroken.32 In een geval als het onderhavige, waarin de verdachte het slachtoffer fors heeft mishandeld waardoor er hersenletsel is ontstaan, geldt de stelregel: "you have to take the victim as he is".

Van belang hierbij is dat ook Van de Goot aanneemt dat de dood het gevolg is van herhaaldelijke mechanische geweldsinwerkingen.33 Gezien de bevindingen van het pathologisch onderzoek is het hoogst onwaarschijnlijk dat de dood van het slachtoffer louter is veroorzaakt door afwijkingen in het beenmerg dan wel een andere medische aandoening die lijdt tot bloedingsneigingen.

De verdediging stelt dat het onmogelijk is dat het slachtoffer na de mishandelingen op het toilet nog handelingen heeft verricht, zoals het overhoop halen van de woonkamer en roepen naar de verdachte. Volgens de verdediging is het daarom uitgesloten dat slachtoffer de fatale hersenschade op het toilet heeft opgelopen.

Het hof volgt de verdediging niet in deze opvatting. Volgens de deskundige Kubat is namelijk de mate van handelingsbekwaamheid van het slachtoffer na het oplopen van het fatale hoofdletsel sterk afhankelijk van de bloedingsneiging.34 Volgens haar is het derhalve niet uitgesloten dat het slachtoffer na de fatale hersenschade nog enige handelingen heeft verricht. Kubat wordt hierin ondersteund door de deskundige Maes die stelt dat de sectiebevindingen geen uitsluitsel geven over de vraag in hoeverre het slachtoffer nog handelingsbekwaam was na het oplopen van de fatale schedelhersenletsels.35 Het hof volgt de deskundigen Kubat en Maes in deze opvatting, mede omdat Maes degene is die de sectie heeft verricht en omdat de deskundige Kubat blijkens de sectierapporten gespecialiseerd neuropathologisch onderzoek op het slachtoffer heeft verricht.

Anders dan de verdediging aanneemt is het tijdsverloop tussen het door de verdachte uitgeoefende geweld en de dood van het slachtoffer niet zodanig, dat dit aan een redelijke toerekening in de weg staat. Uit de bovenstaande bewijsmiddelen valt immers af te leiden dat dit tijdsverloop minder dan 24 uur is geweest.

Tussenconclusie

Al het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat er sprake is van causaal verband tussen het slaan van de verdachte en het hoofdletsel van het slachtoffer dat uiteindelijk heeft geleid tot haar overlijden.

Het hof verwerpt de verweren met betrekking tot het causaal verband.

Opzet

Vast staat dat het slachtoffer is overleden als gevolg van meermalen hevig uitwendig botsend geweld tegen haar hoofd. De verdachte heeft toegegeven dat hij het slachtoffer tweemaal heeft geslagen waarbij zij tweemaal met haar hoofd tegen de muur van het toilet is gebotst. Echter, mede gezien de onduidelijkheid over de precieze toedracht van het feit is niet met voldoende mate van zekerheid vast komen te staan dat op het moment van de mishandeling het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer was gericht. Het hof heeft daarbij ook niet de overtuiging gekregen dat de verdachte, die met het slachtoffer een relatie had, een toekomst met haar wilde opbouwen en uit eigen beweging 112 heeft gebeld, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft willen aanvaarden dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

Het hof is dan ook - met de raadsvrouw en anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag.

Het hof acht de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend wel bewezen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011 verklaard het slachtoffer tweemaal te hebben geslagen waarbij zij tweemaal met haar hoofd tegen de muur is gebotst en hij tweemaal een bonk heeft gehoord. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer mede aan de zijkanten van haar hoofd is geraakt althans verwond geraakt. Naar algemeen bekend is, is (de zijkant van) het hoofd een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Indien daar (hard) op of tegen geslagen wordt, kan dat tot ernstig letsel leiden.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld op de wijze zoals hieronder bewezen verklaard, waarbij hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door de klappen zwaar lichamelijk letsel zou opgelopen en ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande opzet van de verdachte op zware mishandeling kan worden vastgesteld.

Zoals hierboven overwogen onder het kopje 'causaal verband' acht het hof causaal verband aanwezig tussen het slaan van de verdachte en het hoofdletsel bij het slachtoffer dat uiteindelijk heeft geleid tot haar dood.

Reactie op de hierboven onder 2 t/m 4 genoemde bewijsverweren van de verdediging.

Zoals uit het voorgaande blijkt verwerpt het hof ook

de hierboven onder 2 en 3 genoemde bewijsverweren.

Ten aanzien van het door de verdediging hierboven onder punt 4 genoemde briefje aan [zoon] overweegt het hof als volgt. Inderdaad is dit briefje mogelijkerwijs een

afscheidsbriefje van het slachtoffer aan haar zoontje [zoon]. In het briefje staat:

[zoon]

Het spijt me zo erg

Maar mama draagt een berg

Pijn.

Beter kan ze er niet meer zijn

Voel je niet schuldig

Ze was te ongeduldig36

Niet duidelijk is echter wanneer dit briefje is geschreven, wat de aanleiding hiertoe was en hoe het briefje dient te worden geïnterpreteerd.

Voor zover de verdediging heeft willen suggeren dat het slachtoffer in de bewuste nacht zelfmoord heeft gepleegd wordt dit tegengesproken door de bovenstaande bevindingen van het pathologisch onderzoek. Volgens de deskundige Maes passen de geconstateerde letsels van het slachtoffer aan beide zijden van het hoofd en in het gezicht immers niet goed bij door het slachtoffer aan zichzelf toegebrachte verwondingen.

Ook overigens verwerpt het hof de bewijsverweren van de verdediging die in de pleitnota zijn genoemd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:

hij in de periode van 29 april 2009 tot en met 1 mei 2009 te Rotterdam aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk

- heftig botsend/stotend geweld op/tegen het hoofd/schedel van die [slachtoffer] uit te oefenen,

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

2.

hij in de periode van 16 november 2006 tot en met 17 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de Tollenstraat) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 18 februari 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 269 hennep-planten en 95 hennep-stekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de - in de paragrafen nr 1 t/m 11 in voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Aangezien de verdachte de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend, wordt ten aanzien van die feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012;

- een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 19 februari 2007, met nummer 2007060403-3, opgemaakt en ondertekend door twee daartoe bevoegde opsporingsambtenaren;

- een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 16 mei 2007, met nummer 2007060403-4, opgemaakt en ondertekend door een bevoegde opsporingsambtenaar.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012 is door de raadsvrouw betoogd dat er sprake was van psychische overmacht bij de verdachte. Hij zou zijn eigen emotie en handelen niet meer onder controle hebben gehad, wat ook blijkt uit zijn woorden "Kijk waar je me toe brengt" en uit het feit dat hij na het slaan van het slachtoffer een gat in de muur heeft geslagen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. In casu was er een ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer. De verdachte was boos omdat hij condooms had aangetroffen in de tas van het slachtoffer en het idee had dat zij tegen hem loog over waar ze die avond was geweest en wat zij had gedaan. In zijn boosheid heeft hij het slachtoffer geslagen.

Het hof is van oordeel dat er in casu geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon of behoefde te bieden en overweegt daartoe dat het enkele feit dat het slachtoffer zich niet gedroeg zoals de verdachte dat graag had gewild nog niet maakt dat hij daardoor zijn zelfbeheersing mocht verliezen en haar zwaar mocht mishandelen. Daarbij merkt het hof nog op dat de persoon van de dader, zoals daarvan is gebleken uit de stukken in het dossier en bij de behandeling van de zaak ter terechtzittingen in hoger beroep, geen aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen.

Het hof verwerpt het verweer.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, door het gedrag van zijn vriendin [slachtoffer] boos geworden en onder de omstandigheden als hiervoor geschetst, heeft zich jegens haar schuldig gemaakt aan zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend, door hevig geweld uit te oefenen op het hoofd van [slachtoffer], als gevolg van welk geweld zij is overleden. Dat voor het slachtoffer onomkeerbare en voor haar nabestaanden ook ondraaglijke en afschuwelijke gevolg, dat nooit meer op enigerlei wijze kan worden goedgemaakt, moet strafrechtelijk redelijkerwijs aan het handelen van de verdachte worden toegerekend en vraagt dan ook om bestraffing.

In strafverzwarende zin heeft het hof meegewogen dat de verdachte het geweld tegen het slachtoffer, dat nog maar 31 jaar oud was, heeft gepleegd in haar eigen woning, een omgeving waar zij zich juist veilig moest kunnen voelen. Het feit brengt bovendien in de maatschappij gevoelens van ongeloof, verontwaardiging en onrust teweeg. Door een feit als dit wordt de rechtsorde ernstig geschokt.

In strafmatigende zin heeft het hof meegewogen dat doodslag niet is bewezen en dat de gebeurtenissen ook voor de verdachte zelf, die de dood van [slachtoffer] niet heeft gewild, zelf moeilijk te verwerken zullen zijn: hij moet immers leven met de wetenschap verantwoordelijk te zijn voor de dood van een ander mens.

Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het kweken en aanwezig hebben van hennep. Door aldus te handelen heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van dat handelen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, zij het niet voor geweldsmisdrijven.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 maart 2012.

Mr. A.J.M. Kaptein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft dit - tenzij anders vermeld - al dan niet voor kopie conform gewaarmerkte ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm, door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, binnen het onderzoek "Ruwaard", met nummer 2009147544.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2009, 0904301019.AMB, p.1-2.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2009, 0905011500.AMB, p.45-46.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2009, 0905010255.AMB, p.36.

5 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) getiteld 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood', overledene [slachtoffer] [slachtoffer], d.d. 21 augustus 2009.

6 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 september 2011.

7 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 2 mei 2009, 0905021000.G03.

8 De verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 1 november 2011.

9 Proces-verbaal van forensische opsporing d.d. 7 juni 2009, met nummer 0906071655.AMB, p.133 (met bijlagen p.1-32).

10 Proces-verbaal van forensische opsporing d.d. 7 juni 2009, met nummer 0906071655.AMB, p.32 van 32 van de bijlagen.

11 Proces-verbaal van forensische opsporing d.d. 15 mei 2009, met nummer 0905151605.AMB, p.134 (met bijlagen 1-29).

12 Deskundigenrapport van het NFI d.d.

4 augustus 2009, met zaaknummer 2009.04.30.001.

13 Proces-verbaal van forensische opsporing d.d. 25 mei 2009, met nummer 0905251001.AMB, p.135 (met bijlagen 1-49).

14 Proces-verbaal van forensische opsporing d.d. 25 mei 2009, met nummer 0905251001.AMB, p.48 van 49 van de bijlagen.

15 Deskundigenrapport van het NFI van 21 augustus 2009, zaaknummer 2009.04.30.001, getiteld "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood".

16 Pagina 4 van het bovenstaande deskundigenrapport van het NFI getiteld 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood'.

17 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 4 augustus 2009, met zaaknummer 2009.04.30.001, betreffende aanvullende vragen inzake sectie 2009-153.

18 Zie het bovenstaande deskundigenrapport van het NFI getiteld 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood' p. 3-5.

19 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 4 augustus 2009, met zaaknummer 2009.04.30.001, betreffende aanvullende vragen inzake sectie 2009-153.

20 De verklaring van de getuige-deskundige A. Maes afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012.

21 Deskundigenrapport van het NFI getiteld 'neuropathologisch onderzoek' betreft [slachtoffer] d.d. 20 oktober 2009.

22 Deskundigenrapport van het Nederlands forensisch Instituut d.d.

17 februari 2012, slachtoffer [slachtoffer], met zaaknummer 2009.04.30.001.

23 Rapport 'Herbeoordeling van het materiaal verkregen bij de sectie verricht door het NFI op het lichaam van [slachtoffer]' d.d. 30 december 2011.

24 De verklaring van de getuige-deskundige F.R.W. van de Goot afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012.

25 De verklaring van de getuige-deskundige B. Kubat afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2012.

26 Rapport van het NFI van 7 maart 2012, getiteld "Aanvullend onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer]".

27 Verklaring van de deskundige B. Kubat ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2012.

28 Brief d.d. 27 oktober 2011, betreffende "Aanvullende vragen advocaat inzake sectie 2009-153".

29 Rapport 'Herbeoordeling van het materiaal verkregen bij de sectie verricht door het NFI op het lichaam van [slachtoffer] [slachtoffer]' d.d. 30 december 2011 p.14.

30 Zie hierboven onder nummer 8.

31 Zie hiervoor onder nummer 10.

32 Vgl. HR 24 januari 1950, NJ 1950, 293 (Eierschaal-schedel), HR 12 november 1985, NJ 1986, 782 (Hevige emoties) en HR 26 november 1985, NJ 1986, 368 (gebruik cocaïne en ether door slachtoffer).

33 Rapport 'Herbeoordeling van het materiaal verkregen bij de sectie verricht door het NFI op het lichaam van [slachtoffer]' d.d. 30 december 2011.

34 De verklaring van de getuige-deskundige B. Kubat afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012.

35 De verklaring van de getuige-deskundige A. Maes afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2012.

36 Een geschrift, zijnde een handgeschreven brief SIN-code AADV5921NL, dossierpagina 25 en rapport van het NFI van 7 april 2011, opgemaakt W.P.F. Fagel.