Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3995

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
MHD 200.045.228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer was werkzaam voor een coffeeshop.

De coffeeshop is door justitie gesloten vanwege een te grote handelsvoorraad softdrugs. De advocaten van de werkgever hebben een personeelsbijeenkomst belegd. Na afloop van die bijeenkomst heeft een groot aantal werknemers een schriftelijke beëindingsovereenkomst ondertekend. Werknemer stelt dat die overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling, misbruik van omstandigheden, bedrog en/of bedreiging. Hij stelt o.a. dat geen sprake was van een financiële noodsituatie van de werkgever. Het hof oordeelt, anders dan de kantonrechter, dat niet is voldaan aan de criteria voor deze wilsgebreken, zoals neergelegd in artikel 6:228 BW en artikel 3:44 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/167
AR-Updates.nl 2012-0417
JAR 2012/167

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

Zaaknummer MHD 200.045.228

arrest van de achtste kamer van 24 april 2012

CHESS B.V., handelende onder de naam CHECKPOINT,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: Checkpoint,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. S.B.A. Lhachmi,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. P.H. Pijpelink,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 december 2009 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, onder zaak-/rolnummer 176375/08-2965 gewezen vonnis van 27 mei 2009.

5. Het tussenarrest van 8 december 2009

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. De comparitie heeft op 29 januari 2010 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven.

6.2.Bij memorie van grieven (met producties) heeft Checkpoint twaalf grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en (blijkens de appeldagvaarding) de vorderingen van [geintimeerde] in eerste aanleg alsnog zal afwijzen, [geintimeerde] zal veroordelen om al hetgeen Checkpoint ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geintimeerde] heeft voldaan aan haar terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot de dag van algehele terugbetaling en met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties.

6.3.Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geintimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geintimeerde] voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd, en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover het incidenteel appel daarop betrekking heeft en dat het hof, opnieuw rechtdoende, zakelijk weergegeven:

I. voor recht zal verklaren dat de vaststellingsovereenkomst terecht buitengerechtelijk is vernietigd door [geintimeerde], althans deze overeenkomst alsnog in rechte zal vernietigen, althans haar de werking zal ontzeggen;

II. Checkpoint zal veroordelen tot doorbetaling van het aan [geintimeerde] verschuldigde salaris inclusief emolumenten en vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 lid 1 BW vanaf 1 augustus 2008 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van Checkpoint in de proceskosten en in de nakosten ad € 131,00 dan wel € 205,00 indien de betekening van het arrest plaatsvindt, de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.4.Checkpoint heeft in incidenteel appel geantwoord.

6.5.Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

7.1.Het gaat in deze zaak om het volgende.

7.1.1.[geintimeerde], geboren op [geboortedatum] 1977, is op 1 januari 2001 in dienst van Checkpoint getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Later is die overeenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. [geintimeerde] was werkzaam als bedrijfsleider van de coffeeshop Checkpoint in [vestigingsplaats]. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 3.433,30 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, toeslagen en een dertiende maand.

7.1.2.Op 1 juni 2007 heeft de politie een eerste inval gedaan bij Checkpoint. In haar bedrijfspand bleek in strijd met het geldende gedoogbeleid een te grote handelsvoorraad softdrugs voorhanden te zijn. Checkpoint is toen voor korte tijd gesloten geweest. Daags na de inval was de coffeeshop weer geopend.

7.1.3.In mei 2008 werden de resultaten van het politieonderzoek naar aanleiding van de eerste inval bekend gemaakt. De burgemeester van Terneuzen heeft toen aangegeven het voornemen te hebben om Checkpoint gedurende zes maanden te sluiten.

7.1.4.Op 20 mei 2008 heeft de politie opnieuw een inval in Checkpoint gedaan. Checkpoint bleek wederom een te grote handelsvoorraad softdrugs voorhanden te hebben. Justitie heeft daarop het bedrijfspand van Checkpoint gesloten. De coffeeshop is nadien niet meer geopend.

7.1.5.Checkpoint heeft bij brief van 26 mei 2008 [geintimeerde], evenals andere personeelsleden van Checkpoint en aan haar gelieerde bedrijven, uitgenodigd voor een personeelsbijeenkomst op 29 mei 2008 ten kantore van de advocaten mr. R.M.A. Lensen en mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk. In die brief is onder meer vermeld:

“(…)

U weet dat op 20 mei jongstleden justitie opnieuw een inval heeft gedaan, waarbij bovendien het pand van waaruit restaurant, café en coffeeshop werden geëxploiteerd, op last van justitie is verzegeld en gesloten. Het is dan ook niet meer mogelijk om nog bedrijfsactiviteiten te ontplooien.

Graag nodigen wij u uit voor een personeelsbijeenkomst, zodat alles aan u kan worden uitgelegd alsook de gevolgen voor bedrijfsvoering en personeel duidelijk kunnen worden gemaakt. Uiteraard zal er ook ruimte zijn voor het stellen van vragen.

(…)”.

U dient deze uitnodiging te verstaan als een verzoek, afkomstig van uw werkgever, waar u zoveel als mogelijk gevolg aan dient te geven. (…).”

7.1.6. [geintimeerde] heeft aan die uitnodiging gehoor gegeven. De personeelsbijeenkomst heeft geduurd van 13.00 uur tot circa 14.30 uur.

7.1.7.Op 29 mei 2008, na afloop van de personeelsbijeenkomst, heeft [geintimeerde] met Checkpoint een schriftelijke vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer in:

“ …)

2. Partijen zijn overeengekomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen met ingang van 1 augustus 2008, waarmee de zogeheten fictieve opzegtermijn zal zijn verdisconteerd.

3. Chess zal aan [geintimeerde] geen ontbindingsvergoeding verschuldigd zijn, in verband met de onmiddellijke beëindiging van de ondernemingsactiviteiten van Chess, (…).

4. Chess draagt zorg voor een correcte afwikkeling van het dienstverband terzake van uitbetaling van salaris, vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen over het tijdvak tot en met het einde van de dienstbetrekking. Daarbij wordt [geintimeerde] geacht een eventueel tegoed aan vakantiedagen en/of tijd voor tijd uren te hebben opgenomen met ingang van 21 mei 2008 tot aan het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking.”

(…).

7.1.8.Conform de vaststellingsovereenkomst heeft Checkpoint twee maandsalarissen aan [geintimeerde] uitbetaald.

7.1.9.[geintimeerde] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 13 oktober 2008 aan Checkpoint medegedeeld, kort gezegd, dat hij de vaststellingsovereenkomst vanwege wilsgebreken vernietigt en dat hij zich beschikbaar houdt om zijn werkzaamheden voor Checkpoint te verrichten.

7.1.10. In eerste aanleg heeft [geintimeerde] (na wijziging van eis) gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst terecht buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze overeenkomst alsnog te vernietigen en daarnaast Checkpoint te veroordelen tot doorbetaling van zijn salaris (te vermeerderen met de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente) vanaf 1 augustus 2008, althans vanaf 14 oktober 2008, althans de datum van de dagvaarding tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd.

7.1.11. Nadat Checkpoint verweer had gevoerd en partijen conclusies hadden gewisseld, heeft de kantonrechter bij vonnis van 27 mei 2009 voor recht verklaard dat voormelde vaststellingsovereenkomst terecht door [geintimeerde] buitengerechtelijk is vernietigd wegens dwaling en Checkpoint veroordeeld tot doorbetaling van het aan [geintimeerde] verschuldigde salaris, inclusief emolumenten en vakantiegeld, over de periode van 1 augustus 2008 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging over het tot op de datum van het vonnis verschuldigde loon, emolumenten en vakantiegeld, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2008, althans de respectieve latere vervaldata, tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van Checkpoint in de proceskosten.

7.1.12. Checkpoint komt tegen (delen van) dat vonnis op. Ook [geintimeerde] komt tegen (delen van) dat vonnis op, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

1) het hof ontvangt Checkpoint in haar appel;

2) het hof verklaart het appel, dat enkel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geintimeerde] heeft gedwaald, (geheel of gedeeltelijk) gegrond;

3) het hof oordeelt dat het niet gehouden is om ambtshalve in te gaan op de alternatieve gronden voor vernietiging van de vaststellingsovereenkomst die [geintimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd.

Wat de laatste voorwaarde betreft stelt [geintimeerde] overigens van mening te zijn dat het hof gehouden is wel ambtshalve bij gegrondverklaring van het appel een onderzoek in te stellen naar de alternatieve gronden en dat hij daartoe niet een incidenteel appel behoeft in te stellen. Mocht het hof reeds ambtshalve een onderzoek instellen naar de alternatieve in eerste aanleg aangevoerde gronden voor zijn vordering, dan verzoekt [geintimeerde] het incidentele appel buiten behandeling te laten en hem niet in de kosten daarvan te veroordelen.

7.2.[geintimeerde] heeft in de eerste plaats gesteld dat Checkpoint niet kan worden ontvangen in appel, enerzijds omdat Checkpoint uitdrukkelijk heeft berust in de uitkomst van het bestreden vonnis, en wel in het kader van een ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW, en anderzijds omdat Checkpoint geen belang heeft bij het instellen van appel, nu zij geen grief heeft aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter om de loonvordering van [geintimeerde] toe te wijzen.

7.2.1.Het hof verwerpt voormelde stelling van [geintimeerde]. Allereerst verdient opmerking dat Checkpoint tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen het bestreden vonnis. Voorts is de door [geintimeerde] aangevoerde stelling dat Checkpoint een onvoorwaardelijk ontbindingsverzoek bij de rechtbank heeft ingediend, onvoldoende om te kunnen oordelen dat Checkpoint in het vonnis waarvan beroep heeft berust. Immers, Checkpoint heeft tijdens de mondelinge behandeling van haar ontbindingsverzoek aangegeven dat zij het verzoek voorwaardelijk doet, namelijk voor het geval dat de met [geintimeerde] gesloten arbeidsovereenkomst nog niet rechtsgeldig is geëindigd. De kantonrechter heeft overeenkomstig dat verzoek bij beschikking van 30 september 2009 de arbeidsovereenkomst tussen partijen, indien deze nog bestaat, per 1 oktober 2009 ontbonden.

Evenmin kan geoordeeld worden dat Checkpoint geen belang heeft bij het door haar ingestelde appel. Weliswaar heeft Checkpoint geen (expliciete) grief aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter om de loonvordering van [geintimeerde] toe te wijzen, maar het is evident dat Checkpoint, door het betwisten van de gronden waarop de kantonrechter de vordering heeft toegewezen, zich ook verzet tegen de toewijzing van de loonvordering als zodanig. Dat laatste blijkt ook uit het feit dat Checkpoint bij appeldagvaarding onder meer vordert de vorderingen van [geintimeerde] alsnog af te wijzen.

7.3.Partijen zijn het erover eens dat van wezenlijk belang is welke mededelingen door of namens Checkpoint (bij monde van voornoemde advocaten mrs. Lensen en Suijkerbuijk) al dan niet zijn gedaan tijdens de onder 7.1.5 en 7.1.6 bedoelde personeelsbijeenkomst van 29 mei 2008. Checkpoint heeft de (door een van haar werknemers gemaakte) gehele geluidsopname uitgeschreven, voor zover dat volgens Checkpoint mogelijk was gezien de niet altijd even goede kwaliteit, en het transcript als productie 1 bij memorie van grieven overgelegd.

7.3.1.Checkpoint heeft gesteld dat uit de geluidsopname blijkt dat een aantal door [geintimeerde] gestelde feiten die door de kantonrechter in zijn vonnis van 27 mei 2009 als vaststaand of onbetwist is aangenomen, onjuist is en dat [geintimeerde] tijdens voornoemde personeelsbijeenkomst wel degelijk volledig en juist is geïnformeerd door de advocaten Lensen en Suijkerbuijk.

7.3.2.[geintimeerde] heeft gesteld dat Checkpoint zonder nadere motivering bij memorie van grieven is teruggekomen op haar erkenning bij conclusie van dupliek dat wat [geintimeerde] heeft aangevoerd over de geluidsopname “wel juist lijkt”. De ommezwaai die Checkpoint in hoger beroep maakt is ongeloofwaardig en niet te rijmen met haar erkenning in eerste aanleg. Hier is sprake van hetzij een gedekt verweer, hetzij een afstand van recht om in appel alsnog [geintimeerde]’ weergave van de inhoud van de bespreking te bekritiseren. Deze ommezwaai is voorts in strijd met de goede procesorde. Volgens [geintimeerde] moet Checkpoint daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep worden verklaard, althans moet dat beroep worden afgewezen, althans moet Checkpoint, ongeacht de uitkomst van de procedure in hoger beroep, in de kosten daarvan worden veroordeeld, nu deze nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt.

7.3.3.Voormeld betoog wordt verworpen. Uit de processuele opstelling van Checkpoint in eerste aanleg blijkt niet ondubbelzinnig, dat zij het thans gevoerde verweer heeft prijsgegeven. Dit verweer is dus niet gedekt als bedoeld in artikel 348 Rv. Voor het overige heeft [geintimeerde] onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat Checkpoint afstand van recht heeft gedaan of dat sprake is van strijd met een goede procesorde.

7.3.4.[geintimeerde] heeft voorts aangevoerd dat zijn stellingen waarop de kantonrechter zijn oordeel heeft gebaseerd, door Checkpoint in eerste aanleg niet zijn betwist, zodat deze vaststaan. Volgens hem dienen reeds daarop de grieven 1,3, 4 en 6 van Checkpoint af te stuiten.

7.3.5.Het hof verwerpt dit verweer van [geintimeerde]. Checkpoint heeft in eerste aanleg verzuimd om een aantal stellingen van [geintimeerde] te betwisten. Het hoger beroep kan er mede toe dienen om verzuim en/of misslagen in de procedure in eerste aanleg te herstellen. Checkpoint was dan ook bevoegd om dit verzuim in hoger beroep te herstellen.

De desbetreffende stellingen van [geintimeerde] dienen daarom opnieuw te worden beoordeeld, waarbij wordt ingegaan op het door Checkpoint dienaangaande gevoerde verweer.

Bij die beoordeling gaat het hof uit van de inhoud van het door Checkpoint overgelegde transcript van de personeelsbijeenkomst van 29 mei 2008, welke inhoud door [geintimeerde] niet is bestreden.

Dwaling

7.4.De grieven in principaal appel zijn in de kern gericht tegen de overwegingen van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep die tot het oordeel hebben geleid dat de tussen [geintimeerde] en Checkpoint gesloten vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is wegens dwaling.

7.4.1. Voldoende voor het aannemen van dwaling is volgens [geintimeerde] dat door Checkpoint, bij monde van haar voornoemde advocaten, tijdens de personeelsbijeenkomst van 29 mei 2008 ten onrechte is medegedeeld dat haar faillissement, door wie dan ook aangevraagd, zou worden uitgesproken, indien [geintimeerde] (en de overige werknemers) niet zou(den) instemmen met de door Checkpoint aangeboden regeling. De curator in dat faillissement zou de werknemers, onder wie [geintimeerde], hebben ontslagen en [geintimeerde] zou in dat geval geen enkele financiële aanspraak meer hebben kunnen effectueren. Deze mededeling van Checkpoint was onjuist omdat de werknemers een beroep hadden kunnen doen op de loongarantieregeling zoals bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. Over de werking van de loongarantieregeling heeft Checkpoint de werknemers niet ingelicht. Bovendien heeft Checkpoint ten onrechte aangegeven, dat zij in een precaire financiële situatie verkeerde. Ter staving van zijn betoog heeft [geintimeerde] verwezen naar de alinea’s 16, 19, 23 en 51 van het transcript.

7.4.2.Checkpoint heeft, met verwijzing naar de alinea’s 69 tot en met 71 van het transcript, het betoog van [geintimeerde] gemotiveerd betwist. De geluidsopname toont aan dat [geintimeerde] zeer uitvoerig is geïnformeerd. Er is door de advocaat van Checkpoint herhaaldelijk gezegd dat de werknemers de keuze hadden, zij waren niet verplicht de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen, maar het zou hen wel de meeste zekerheid geven op voortdurende inkomsten. Indien de werknemers het zouden laten aankomen op ontbinding of faillissement, dan zouden zij het risico lopen in een “financieel gat” te vallen.

Tijdens de personeelsbijeenkomst heeft mr. Lensen uitdrukkelijk verwezen naar de beleidsregels van het UWV die voor een ieder via internet geraadpleegd kunnen worden en waarin één en ander na te lezen is. Tevens heeft hij de loongarantieregeling besproken. In dit verband heeft Checkpoint gewezen op de alinea’s 70 en 73 van het transcript. Van de zijde van Checkpoint is hiermee voldaan aan de informatieplicht, zodat [geintimeerde] te dien aanzien niet gedwaald kan hebben.

Door raadpleging van de internetsite van het UWV had [geintimeerde] aanvullende informatie kunnen krijgen. Een eventuele dwaling dient dan ook voor zijn rekening te blijven.

7.4.3.Het hof oordeelt als volgt.

Het beroep van [geintimeerde] op de vernietigbaarheid van de door hem na afloop van de personeelsbijeenkomst ondertekende beëindigingsovereenkomst zou kunnen slagen:

a. indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van Checkpoint, tenzij Checkpoint mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten,

b. indien Checkpoint in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten (artikel 6:228 BW).

Bij de vraag of sprake is van dwaling, zal dus moeten worden bezien in hoeverre de dwaling moet worden toegeschreven aan het tekortschieten van partijen met betrekking tot hun mededelings-, informatie- of onderzoeksplicht. Bij een vaststellingsovereenkomst geldt dat partijen een bestaande of toekomstige onzekerheid uit de wereld willen helpen. Indien blijkt dat partijen zich bij de beoordeling van de onzekere feiten hebben vergist, is een beroep op dwaling in principe niet mogelijk. Een beroep op dwaling zal wel kans van slagen hebben als het betrekking heeft op feiten die bij het sluiten van de overeenkomst ten onrechte als vaststaand werden beschouwd. Dwaling is bij de vaststellingsovereenkomst dus mogelijk, maar moet in vergelijking met andere overeenkomsten met (nog meer) terughoudendheid worden toegepast.

7.4.4. Het hof stelt het volgende voorop. Als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat na de onder 7.1.4 genoemde (tweede) inval van de politie en de sluiting van het bedrijfspand een financiële noodsituatie voor Checkpoint is ontstaan. Niet alleen konden de bedrijfsactiviteiten niet meer worden voortgezet, met als direct gevolg het wegvallen van de omzet, maar ook was te voorzien dat, mede als gevolg van de (dreigende) beslaglegging door justitie op de gelden van Checkpoint, de salarissen van de werknemers van Checkpoint niet lang meer konden worden doorbetaald. Checkpoint heeft hierin aanleiding gezien om haar personeel op 29 mei 2008 bijeen te roepen teneinde hen over die precaire financiële situatie te informeren en in de gelegenheid te stellen daarover vragen te stellen. Tijdens genoemde personeelsbijeenkomst waren (volgens de onweersproken stelling van [geintimeerde]) meer dan 60 werknemers aanwezig. Uit het transcript blijkt dat mrs Lensen en Suijkerbuijk hebben getracht deze werknemers te bewegen om in te stemmen met een beëindiging van het dienstverband overeenkomstig het model van de vaststellingsovereenkomst, waarvan tijdens (of aan het einde van) de bijeenkomst aan iedere werknemer een exemplaar werd uitgereikt. Bovendien blijkt uit het transcript dat werknemers van Checkpoint (kritische) vragen hebben gesteld, die door de advocaten zijn beantwoord. Ook is aan de werknemers van Checkpoint medegedeeld dat zij het model van de vaststellingsovereenkomst mee naar huis konden nemen teneinde daarover advies te vragen aan derden, en dat zij desgewenst de volgende dag (vóór 10.00 uur) de overeenkomst konden ondertekenen.

Voormelde door Checkpoint geïnstigeerde gang van zaken acht het hof, anders dan [geintimeerde] heeft gesteld, in het licht van alle omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de bijeenkomst in een rumoerige en hectische sfeer is verlopen.

In dit verband verdient ten slotte nog opmerking dat de coffeeshop Checkpoint na 20 mei 2008 ook niet meer open is gegaan en dat het justitieel beslag, dat in of omstreeks juni 2008 is gelegd, in ieder geval heeft voortgeduurd tot op 29 januari 2010 (blijkens het verhandelde ter comparitie van die datum).

7.4.5. [geintimeerde] heeft in de kern allereerst gesteld dat geen sprake was van een precaire financiële situatie van Checkpoint en voorts dat de advocaten van Checkpoint tijdens de personeelsbijeenkomst ten onrechte hebben gedreigd met een faillissement van Checkpoint, welk faillissement volgens die advocaten ertoe zou leiden dat hij (evenals de overige werknemers) in het geheel geen loon meer zou ontvangen.

Die stellingen falen op grond van het volgende.

Naar het oordeel van het hof was wel sprake van een financiële noodsituatie aan de zijde van Checkpoint, zoals hiervoor onder 7.4.4 is overwogen.

Voorts blijkt uit het transcript van de personeelsbijeenkomst het volgende. Namens Checkpoint is medegedeeld dat zij niet over voldoende gelden zou beschikken om de lonen van alle werknemers te blijven voldoen, omdat het bedrijf gesloten was.

De beide advocaten van Checkpoint hebben de mogelijkheid van een faillissement van Checkpoint genoemd, namelijk voor het geval dat alle werknemers aanspraak zouden blijven maken op volledige loondoorbetaling. Voorts is gezegd dat ten behoeve van de eventuele met de werknemers te sluiten beëindigingsovereenkomsten (waarbij vergoedingen aan de werknemers werden aangeboden), wel geld beschikbaar was. Mr. Lensen heeft geschetst hoe een eventueel faillissement van invloed zou kunnen zijn op de rechtspositie van de werknemers; hij heeft onder andere naar voren gebracht dat hij, als hij curator zou zijn, zou beginnen met het ontslaan van de werknemers.

Ook is aan de werknemers gezegd dat, door het sluiten van de beëindigingsovereenkomsten, de continuïteit van hun inkomsten zou worden gewaarborgd. Immers, het loon zou worden doorbetaald tot de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, op welke datum de WW-uitkering aanstonds (dus zonder fictieve opzegtermijn) zou ingaan.

Vorenbedoelde inlichtingen van (de advocaten van) Checkpoint zijn naar het oordeel van het hof, mede gelet op de onder 7.4.4 weergegeven financiële noodsituatie, zeker niet onjuist. In ieder geval zijn de door de advocaten verstrekte inlichtingen niet van dien aard dat [geintimeerde] daardoor kan hebben gedwaald in de zin van artikel 6:228 aanhef en sub a BW.

7.4.6. In de tweede plaats heeft [geintimeerde] in de kern gesteld dat hij door (de advocaten van) Checkpoint niet is ingelicht over de werking van de loongarantieregeling, zoals bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet.

Ook die stelling faalt. Uit de alinea’s 70 en 73 van het transcript blijkt dat door mr. Lensen respectievelijk mr. Suijkerbuijk is gezegd dat het UWV de betalingsverplichting van de werkgever kan overnemen en dat in de WW een apart hoofdstuk is gewijd aan de loongarantie. Voorts is tijdens de personeelsbijeenkomst de loongarantieregeling ter sprake gebracht. Indien de loongarantieregeling aan [geintimeerde] niet duidelijk was, had hij tijdens die bijeenkomst daarover vragen kunnen stellen aan genoemde advocaten. Ook had hij na de personeelsbijeenkomst bij hen of bij derden nadere inlichtingen daarover kunnen inwinnen. Daartoe had hij voldoende gelegenheid; immers, aan hem was, evenals aan de overige werknemers van Checkpoint, na de bijeenkomst die tot omstreeks 14.30 uur duurde, een termijn gegund tot het tijdstip van 10.00 uur op de volgende dag (30 mei 2009) voor het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst.

Nu [geintimeerde] van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt een eventuele dwaling op dit punt voor zijn rekening.

Opmerking verdient nog dat [geintimeerde] tegenover de gemotiveerde betwisting van Checkpoint niet heeft aangegeven welk voordeel hem in dit verband zou zijn ontnomen door het sluiten van de beëindigingsovereenkomst. Hij heeft niet aangegeven in hoeverre de geldende loongarantieregeling voor hem tot een gunstiger resultaat zou hebben geleid dan het aan hem volgens de vaststellingsovereenkomst uitbetaalde loon vanaf 21 mei 2008 tot 1 augustus 2008, gevolgd door een WW-uitkering.

Voorts is onzeker of [geintimeerde] meer loon dan het loon op basis van de vaststellingsovereenkomst zou hebben ontvangen in geval van faillissement of (bij opheffing van een eventueel faillissement) een vergoeding in het kader van een ontbindingsprocedure.

Weliswaar zou [geintimeerde], indien hij de vaststellingsovereenkomst niet had gesloten, zijn loonaanspraken hebben behouden, maar onzeker is of hij die loonaanspraken had kunnen effectueren. Immers, in geval van faillissement zou [geintimeerde] door de curator naar verwachting op korte termijn zijn ontslagen. Dit betreft in het onderhavige geval bovendien onderwerpen, waarover niet geoordeeld kan worden dat Checkpoint hem daarover anders dan in grote lijnen had behoren in te lichten. Een dergelijke voorlichting is blijkens het transcript geschied tijdens de bewuste bijeenkomst van 29 mei 2008.

Uit het vorenstaande volgt dat geen sprake is van schending van de informatieplicht door Checkpoint.

7.4.7. Dit een en ander leidt tot de slotsom dat het door [geintimeerde] gedane beroep op dwaling faalt. Tevens volgt daaruit dat de grieven slagen.

Overige wilsgebreken

7.5. Vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep komt thans de vraag aan de orde of de vaststellingsovereenkomst in kwestie vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden, bedrog en bedreiging, zoals [geintimeerde] in eerste aanleg heeft gesteld. Het hof zal hierbij ook de grieven in incidenteel appel betrekken, nu [geintimeerde] in hoger beroep, blijkens de toelichting op deze grieven, nader heeft gemotiveerd waarom in zijn visie sprake is van misbruik van omstandigheden, alsook van bedrog en bedreiging in de zin van artikel 3:44 BW.

Misbruik van omstandigheden

7.5.1.De eerste grief in incidenteel appel houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst terecht buitengerechtelijk is vernietigd op grond van de wilsgebreken die [geintimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd, anders dan dwaling.

In de toelichting op die grief heeft [geintimeerde] allereerst gesteld dat de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden door Checkpoint. Daartoe heeft [geintimeerde] onder meer het volgende aangevoerd.

Het betoog van mrs Lensen en Suijkerbuijk was erop gericht de personeelsleden onder druk te zetten om de vaststellingsovereenkomst te tekenen. Hoewel deze advocaten met de mond beleden dat de personeelsleden een vrije keuze hadden, hebben zij hen geen keuze gelaten. Aan het begin van de personeelsbijeenkomst heeft mr. Suijkerbuijk ten onrechte aangegeven dat er sprake was van een noodsituatie.

Checkpoint heeft haar beweerde precaire situatie aangegrepen om actief te bevorderen dat de werknemers, onder wie [geintimeerde], de vaststellingsovereenkomst zouden tekenen. De werknemers hadden destijds de mogelijkheid om het faillissement van Checkpoint aan te vragen, waardoor het strafvorderlijk beslag zou eindigen en de werknemers als preferente crediteuren aanspraak zouden hebben kunnen maken op betaling van achterstallig salaris dan wel eventuele ontbindingsvergoedingen.

Checkpoint en haar professionele gemachtigden waren op de hoogte van al deze mogelijkheden van de werknemers. Niettemin hebben zij aangegeven dat er een acute financiële noodtoestand bestond of in ieder geval dreigde, en hebben zij met een beroep op die toestand bij de werknemers, onder wie [geintimeerde], erop aangedrongen dat zij de vaststellingsovereenkomst zouden tekenen. Er is dus sprake van een causaal verband tussen de bijzondere toestand van de sluiting van Checkpoint door justitie en het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst. Aldus [geintimeerde].

7.5.2.Checkpoint heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel verwezen naar de alinea’s 18 tot en met 22 van de conclusie van antwoord en de alinea’s 24 en 25 van de conclusie van dupliek (met betrekking tot het beroep op misbruik van omstandigheden),

7.5.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:44, lid 4, BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van de rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

Naar het oordeel van het hof is aan dat criterium in het onderhavige geval niet voldaan, zoals volgt uit het onderstaande.

Voormeld betoog van [geintimeerde] komt grotendeels overeen met hetgeen hij heeft aangevoerd in verband met zijn beroep op dwaling. Dat betoog is verworpen, zoals blijkt uit de onderdelen 7.4.3 tot en met 7.4.7 van dit arrest.

Er zijn voor het overige onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld dan wel gebleken om te kunnen oordelen dat aan de zijde van [geintimeerde] sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, in de zin van artikel 3:44, lid 4 BW. Reeds daaruit volgt dat het beroep van [geintimeerde] op dat artikellid faalt.

Bedrog

7.5.4. [geintimeerde] heeft (in de toelichting op zijn eerste grief in incidenteel appel) voorts gesteld dat Checkpoint bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bedrog heeft gepleegd. Checkpoint heeft opzettelijk een onjuiste mededeling gedaan, althans zij heeft de op haar rustende spreekplicht geschonden door de werknemers niet deugdelijk te informeren over de ware stand van zaken met betrekking tot haar financiële situatie op 29 mei 2008. Checkpoint heeft volgens [geintimeerde] door dit misleidende gedrag hem bewogen een vaststellingsovereenkomst aan te gaan.

7.5.5. Checkpoint heeft, met verwijzing naar de alinea’s 16 tot en met 23 van de conclusie van dupliek, deze stelling gemotiveerd betwist. Op haar verweer zal, voor zover nodig, in het navolgende worden ingegaan.

7.5.6. Het hof oordeelt als volgt.

Voor de beoordeling van het gestelde bedrog geldt dezelfde maatstaf als voor dwaling, zij het dat bij bedrog sprake moet zijn van opzet en bij dwaling niet. [geintimeerde] heeft hetzelfde feitencomplex aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het hof verwijst naar de onderdelen 7.4.4 en 7.4.5 van dit arrest. Nu de vordering op grond van dwaling niet toewijsbaar is, geldt dit eveneens voor de vordering die gebaseerd is op bedrog.

Bedreiging

7.5.7. [geintimeerde] heeft, met verwijzing naar de alinea’s 37 en 77 van het transcript, ook gesteld dat Checkpoint haar werknemers heeft bedreigd met financieel nadeel dat eruit bestond dat de werknemers de maandelijkse lasten niet meer konden voldoen als de vaststellingsovereenkomst niet zou worden getekend. Voorts heeft Checkpoint hem bedreigd door te stellen dat hij, evenals de overige werknemers, zou moeten wachten op uitkeringen van de zijde van het UWV, als die al zouden komen. Tussen die bedreiging en het door [geintimeerde] sluiten van de vaststellingsovereenkomst bestond volgens [geintimeerde] causaal verband.

7.5.8. Het hof verwerpt die, door Checkpoint gemotiveerd betwiste, stelling, op grond van de overwegingen in de onderdelen 7.4.4 tot en met 7.4.6 van dit arrest.

Redelijkheid en billijkheid, goed werkgeverschap

7.5.9. De tweede grief in incidenteel appel houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid dan wel het beginsel van goed werkgeverschap met zich brengen dat aan de vaststellingsovereenkomst haar werking dient te worden ontzegd.

In de toelichting op die grief heeft [geintimeerde] gesteld dat een beroep van Checkpoint op ongewijzigde instandhouding van de vaststellingsovereenkomst in strijd zou zijn met de beginselen van goed werkgeverschap, althans met de redelijkheid en billijkheid, en dat om die reden de overeenkomst haar werking dient te worden ontzegd. Ter ondersteuning van die stelling heeft hij verwezen naar hetgeen hij in eerste aanleg, in het principaal appel en in incidenteel appel heeft aangevoerd.

7.5.10. Daargelaten de vraag of aan een vaststellingsovereenkomst op de door [geintimeerde] gestelde gronden haar werking kan worden ontzegd, verwijst het hof naar zijn voorgaande overwegingen waarmee de stellingen van [geintimeerde] zijn verworpen. Nu [geintimeerde] geen andere feiten en/of omstandigheden naar voren heeft gebracht dan waarop die overwegingen betrekking hebben, faalt ook de tweede grief in incidenteel appel.

7.5.11.Er zijn voor het overige geen feiten en/of omstandigheden gesteld die als basis kunnen dienen voor de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Het bewijsaanbod van [geintimeerde] wordt, als te vaag en/of niet ter zake doende, gepasseerd.

7.5.12. Dit leidt tot de conclusie dat het incidenteel beroep faalt. Anders dan [geintimeerde] heeft gesteld, dient hij, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incidenteel appel te worden veroordeeld, nu het hof bij zijn beoordeling ook de grieven in incidenteel appel heeft betrokken, zoals is overwogen in onderdeel 7.5 van dit arrest.

7.5.13. Tevens volgt daaruit dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd, dat de vorderingen van [geintimeerde] dienen te worden afgewezen en dat hij (overeenkomstig de vordering van Checkpoint) al hetgeen Checkpoint aan hem ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep heeft voldaan, aan haar dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van voldoening aan de bestreden uitspraak tot de dag van algehele terugbetaling.

[geintimeerde] dient ten slotte, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de eerste aanleg en die van het principaal appel te worden veroordeeld. Het hof zal het salaris van de advocaat van Checkpoint voor het principaal hoger beroep matigen tot het na te melden bedrag, aangezien de onderhavige zaak ter comparitie van 29 januari 2010 tegelijkertijd is behandeld met de appelzaken die Checkpoint tegen andere werknemers van haar heeft aangespannen en Checkpoint in die zaken vrijwel gelijkluidende stellingen heeft betrokken.

8. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geintimeerde] af;

veroordeelt [geintimeerde] om al hetgeen Checkpoint ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep aan hem heeft voldaan, aan Checkpoint terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van voldoening aan de bestreden uitspraak tot de dag van algehele terugbetaling;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Checkpoint worden begroot op nihil aan verschotten en op € 300,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 334,25 aan verschotten en op € 894,00 aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep en op € 447,00 aan salaris voor het incidenteel hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, A.P. Zweers-van Vollenhoven en C.A.M. Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 april 2012.