Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3595

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
200.074.766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Verborgen gehouden bankrekening in de zin van artikel 4:1110 (oud) BW. Op grond van artikel 22 Rv overlegging van alle rechtens relevante stukken waaruit de herkomst blijkt van schenkingen aan de dochters door de weduwe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.074.766/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 302188/HA ZA 08-573

arrest van de sector Civiel Recht d.d. 10 april 2012

inzake

appellant,

wonende te [gemeente Y],

appellant,

hierna te noemen: [de zoon],

advocaat: mr. Z.B. Gyömörei te ’s-Gravenhage,

tegen

1. geintimeerde 1,

hierna te noemen: [dochter A],

2. geintimeerde 2,

hierna te noemen: [dochter B],

3. geintimeerde 3,

hierna te noemen: [dochter C],

allen wonende te [gemeente Z],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de geïntimeerden,

advocaat voorheen mr. M.E.T. Mijs-Zillikens te Rotterdam, thans mr. A.D. Stout-van Erp te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 29 september 2010 is [de zoon] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 28 juli 2010 door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2008 en in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft [de zoon] dertien grieven aangevoerd. [de zoon] vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen in eerste aanleg alsnog geheel toe te wijzen door:

Buitenwettelijke verdeling in partijen van 100.000,-

- [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], ieder, te veroordelen tot het betalen van € 45.348,02 aan de onverdeelde nalatenschap, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999, althans van der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening en te bepalen dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren om mee te delen in voornoemde bedragen van € 45.348,02;

- [dochter B] en/of [dochter C] als erfgenamen van mevrouw .. (hierna: de weduwe) te veroordelen tot het betalen aan de onverdeelde nalatenschap van een bedrag van € 45.348,02, al dan niet uit de nalatenschap van de weduwe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening en te bepalen dat [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren om mee te delen in voornoemd bedrag van € 45.348,02;

Bankrekening bij de Generale bank in Merksplas,

- voor recht te verklaren dat artikel 4:1110 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), dan wel artikel 3:194 BW, is geschonden door de weduwe en/of [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] en voor recht te verklaren dat de weduwe of de erfgenamen van de weduwe en/of [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren te delen in het saldo van de bankrekening bij de Generale Bank (Fortis Bank) waarvan het bestaan ultimo 1999 is aangetoond;

- [dochter B] en/of [dochter C] in hun hoedanigheid van erven van de weduwe, voor zover mogelijk hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen tot het betalen aan de nalatenschap het bedrag van € 75.120,88, zijnde de helft van het saldo van de verzwegen bankrekening bij de Generale Bank, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de eerste boedelbeschrijving, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening;

Derde geldbron

- [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], voor zover mogelijk hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan de onverdeelde nalatenschap van een bedrag van € 250.000,-;

- voor recht te verklaren dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren mee te delen in de verdeling van de hierboven bedoelde inbreng van € 250.000,-;

Giften gedurende het leven

- [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot betaling door ieder van € 68.067,03, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de sterfdatum van na te noemen erflater tot aan de dag der algehele betaling, aan de onverdeelde nalatenschap;

- voor recht te verklaren dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren om mee te delen in voornoemd in te brengen bedragen van steeds € 68.067,03;

Huizen

- [dochter B] te veroordelen om aan de onverdeelde nalatenschap een bedrag van € 5.717,65 te betalen, zijnde het verschil tussen de vordering van de nalatenschap op [dochter B] en de vordering van de nalatenschap op [dochter B] zoals zij later bleek te zijn, met bepaling dat [dochter B] het recht heeft verloren om mee te delen in het aldus in te brengen bedrag;

- [dochter B] te veroordelen tot betaling aan de onverdeelde nalatenschap de wettelijke rente over het bedrag van € 29.027,40 vanaf 21 mei 1971, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele betaling, althans tot aan de dag van het overlijden van erflater;

- [dochter A] te veroordelen tot betaling aan de onverdeelde nalatenschap van de wettelijke rente over het bedrag ad € 15.428,53 vanaf de datum waarop het krediet is verschaft, althans vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele betaling;

Boot

- [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], ieder, te veroordelen tot betaling van € 4.537,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de overlijdensdatum van erflater tot aan de dag der algehele betaling;

- voor recht te verklaren dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], het recht hebben verloren om mee te delen in de vorenbedoeld in te brengen bedragen van steeds € 4.537,80;

Exhibitie

- [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot het verstrekken van afschriften, althans tot het geven van inzage aan [de zoon] of diens advocaat van alle rekeningafschriften, doorlopend genummerd, van de bankrekeningen die op hun naam of mede op hun naam staan vanaf 1994 tot en met 2006 en van hun belastingaangiften en belastingaanslagen in de periode 1994 tot en met 2006;

Dwangsom

- [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,-, althans een in goede justitie te betalen bedrag, voor elke dag, deel van een dag daaronder begrepen, dat geïntimeerden, vanaf 2 dagen na betekening van het arrest, in gebreke blijven aan het gebod als hierboven beschreven, namelijk tot verstrekking van bankrekeningafschriften, belastingaangiften en belastingaanslagen, te voldoen;

Exhibitie

- [dochter B] en/of [dochter C] in hun hoedanigheid van erfgenamen van de weduwe te veroordelen tot het verstrekken van afschriften aan [de zoon] of diens advocaat van de belastingaangiften en belastingaanslagen van de weduwe van 1994 tot aan de overlijdensdatum, van het testament van de weduwe en van de boedelbeschrijving in de nalatenschap van de weduwe, althans tot het geven van inzicht daarin;

Dwangsom

- [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,-, althans een in goede justitie te betalen bedrag, voor elke dag, deel van een dag daaronder begrepen, dat [dochter B] en [dochter C], vanaf twee dagen na betekening van het arrest, in gebreke blijven aan het gebod als hierboven beschreven, namelijk tot verstrekking van belastingaangiften, belastingaanslagen van de weduwe en haar boedelbeschrijving;

Beeldjes

- [dochter B] te veroordelen tot het betalen aan de nalatenschap het bedrag van € 10.000,- en voor recht te verklaren dat [dochter B] en [dochter C], als erfgenamen van de weduwe het recht hebben verbeurd om mee te delen in dit in te brengen bedrag van € 10.000,-;

Verdeling

- de verdeling te bepalen van de nalatenschap van de erflater en te bepalen dat de kosten daarvan door de boedel worden gedragen, met bepaling dat aan [de zoon] een voorschot op de verdeling wordt verstrekt van € 100.000,-;

- de maatregelen te nemen die het hof in goede justitie vermeent te behoren;

met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het wijzen van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

Bij memorie van antwoord, waarbij twee producties zijn gevoegd, hebben geïntimeerden de grieven bestreden. Zij concluderen dat het hof, zo nodig met aanvulling van gronden, [de zoon] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn vorderingen af zal wijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [de zoon] in de werkelijke door geïntimeerden gemaakte kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na de datum waarop het arrest in deze procedure zal worden gewezen tot de dag der algehele voldoening.

Vervolgens hebben beide partijen arrest gevraagd. [de zoon] heeft daarbij zijn procesdossier aan het hof overgelegd¸ waarbij bladzijde 12 en productie 2 van de memorie van antwoord ontbreken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis is niet opgekomen zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [de zoon] afgewezen. Voorts heeft de rechtbank [dochter B] veroordeeld de zilveren boedelbestanddelen die zij onder zich heeft in te brengen in de verdeling van de nalatenschap. De rechtbank heeft de kosten van het geding gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen. Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. De grieven van [de zoon] leggen, gezien ook de daarop gegeven toelichting, het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor.

4. Geïntimeerden hebben de grieven gemotiveerd bestreden. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop.

6. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de verdeling van de nalatenschap van de vader, overleden op ... 1998 (hierna: erflater). Uit het testament van erflater volgt dat er een ouderlijke boedelverdeling is gemaakt ten gunste van de weduwe als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW. [de zoon] en de geïntimeerden hebben zich allen op de legitieme beroepen en zijn daarmee volgens het destijds geldende erfrecht erfgenaam geworden en zijn daardoor op grond van het testament van erflater betrokken in de door de erflater bij dat testament gemaakte verdeling (ouderlijke boedelverdeling). De weduwe is de moeder van [dochter B] en [dochter C] en de stiefmoeder van [de zoon] en [dochter A]. De weduwe is op 16 maart 2003 overleden.

7. Voor wat betreft het toepasselijke recht geldt het volgende. De nalatenschap is opengevallen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek op 1 januari 2003.. Artikel 128 van de Overgangswet NBW bepaalt dat een legitimaris van een erflater die is opengevallen voor het inwerkingtreden van de wet zijn bevoegdheden uitsluitend kan uitoefenen overeenkomstig het tevoren geldende recht, zodat de legitimarissen ook na invoering van het nieuwe recht hun oude legitieme hebben behouden en derhalve erfgenaam van erflater zijn.

Bankrekening bij Generale Bank te Merksplas

8. In grief 1 betoogt [de zoon] naar het hof begrijpt dat de rechtbank zijn vorderingen onder punt 3 en 4 van het petitum van zijn dagvaarding in eerste aanleg zonder - kenbare - motivering heeft afgewezen. [de zoon] doet een beroep op het bepaalde in artikel 4:1110 (oud) BW en/of artikel 3:194 lid 2 BW. Hij stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de weduwe en de geïntimeerden hun aandeel in de bankrekening bij de Generale Bank te Merksplas hebben verbeurd, omdat zij deze bankrekening bij de beschrijving van de nalatenschap van erflater hebben verzwegen. Daarnaast heeft de weduwe, zo stelt [de zoon], om gelijke reden als hiervoor vermeld, ook haar aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap ter zake van deze bankrekening verbeurd.

9. Geintimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

10. Het hof gaat in dezen aan de door [de zoon] aangevoerde grondslag van artikel 3:194

lid 2 BW voorbij, nu dit artikel ingevolge artikel 103 van de Overgangswet NBW, niet van

toepassing is op een gemeenschap die op het tijdstip van het in werking treden van de wet

(op 1 januari 2003) reeds bestaat. Het hof beoordeelt de vordering van [de zoon] derhalve op

de grondslag van artikel 4:1110 (oud) BW, dat op grond van de Overgangswet NBW

eerbiedigende werking toekomt. Dit artikel luidde: “Erfgenamen welke goederen, tot eene

nalatenschap behoorende, hebben te zoek gemaakt of verborgen gehouden, verliezen de

bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande

hunne verwerping, zonder dat zij eenig deel in het zoek gemaakte of verborgene mogen

vorderen.”

11. Het hof stelt vast dat onder ‘zoek maken’ of ‘verborgen houden’ wordt verstaan; elke handeling waardoor de erfgenaam op onrechtmatige wijze waarde aan de rechthebbende onttrekt of beoogt te onttrekken.

12. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Vast staat door notaris mr. [A] in 1999 een boedelbeschrijving is opgemaakt, op grond waarvan de weduwe door tusenkomst van de notaris aangifte heeft gedaan voor het recht van successie. De notaris heeft verklaard dat de boedelbeschrijving is vastgesteld op aangeven van de weduwe. De aangifte is opgesteld aan de hand van de gegevens zoals deze door de boekhouder zijn verstrekt en deze is door de weduwe ondertekend. In deze boedelbeschrijving en de daarop volgende aangifte voor het recht van successie is niet een bankrekening van erflater bij de Generale bank in België opgenomen. Voorts staat tussen partijen vast dat de weduwe voor het opmaken van die boedelbeschrijving eind 1998, begin 1999, een bezoek aan de Generale Bank te Merksplas (België) heeft gebracht, waarbij zij, althans tot in de hal van het bankgebouw, werd vergezeld door [dochter B]. Ook staat tussen partijen vast dat [de zoon], nadat hij door de notaris werd geïnformeerd over het batig saldo van de nalatenschap, hierover navraag heeft gedaan bij de weduwe en bij de notaris en in dat verband melding heeft gemaakt van het bestaan van een bankrekening in België. Bij brief van 5 juni 1999 heeft [dochter B] op een brief van [B] & [A] notarissen hierover namens de weduwe geantwoord dat het jammer was dat het saldo van ƒ 800.000,- onwaarschijnlijk laag voorkomt en dat zij van mening is dat [de zoon] geen inzage behoeft in de bezittingen en de schulden.

De notaris heeft naar aanleiding van een en ander navraag gedaan bij de Generale Bank naar het bestaan van een bankrekening op naam van de erflater. Nadat de Generale Bank hierover bij brief van 15 december 1999 in bevestigende zin heeft geantwoord aan de notaris onder opgave van het saldo van de bewuste bankrekening, die op naam stond van zowel de erflater als van de weduwe, is op 29 augustus 2000 de boedelbeschrijving door de weduwe aangepast en is vervolgens door de weduwe een aangepaste aangifte voor het recht van successie ingediend. Tevens is met de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten over de ingevolge het niet aangeven van de bankrekening te weinig betaalde vermogensbelasting.

13. Het hof is van oordeel dat op grond van dit alles is komen vast te staan dat de weduwe wist van het bestaan van de bankrekening in België op het moment dat de eerste boedelbeschrijving werd opgemaakt. Deze bankrekening stond mede op haar naam. Zij heeft een bezoek gebracht aan de Generale Bank, kort na het overlijden van de erflater en vóór het opmaken van de eerste boedelbeschrijving. Op grond daarvan komt het hof tot de slotsom dat de weduwe deze bankrekening verborgen heeft gehouden in de zin van artikel 4: 1110 (oud) BW. Dit heeft tot gevolg, dat zij geen aanspraak meer kon maken op haar aandeel in de erfenis ten aanzien van deze bankrekening in de nalatenschap van erflater, zodat dit zij dit aandeel verbeurt aan de andere deelgenoten. In zoverre slaagt de grief van [de zoon]. Uit de boedelbeschrijving blijkt dat het saldo van de rekening(en) bij de Generale Bank te Merksplas op 7 juli 2008 in totaal een bedrag betrof van f 331.107,19, ofwel € 150.249,89.

14. Het hof is daarentegen echter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat ook geïntimeerden wisten van het bestaan van deze bankrekening en dat (ook) zij die jegens [de zoon] verborgen hebben gehouden. [de zoon] stelt in dat verband dat de geïntimeerden elk een schenking van ƒ 100.000,- van de weduwe hebben ontvangen, die afkomstig was van ‘zwart geld’, hetgeen zij wisten. [de zoon] is van mening dat er daarom van kan worden uitgegaan dat de geïntimeerden ook bekend waren met de hier bedoelde rekening bij de Generale Bank. Hetgeen [de zoon] in zoverre heeft gesteld, snijdt naar het oordeel van het hof geen hout. [de zoon] heeft zijn stelling dat genoemde bedragen van f 100.000,- van deze bankrekening(en) afkomstig zijn en dat geïntimeerden dat wisten met de door hem daaraan verbonden gevolgen onvoldoende onderbouwd. Daaraan doet de omstandigheid dat [dochter B] eind 1998 begin 1999 met de weduwe naar de Generale Bank is afgereisd niet af. Volgens [de zoon] duidt dat er op dat (ook) zij wist van de rekening bij die bank met een saldo van ongeveer ƒ 331.000,-. Het hof is echter van oordeel dat de enkele omstandigheid, dat [dochter B] destijds met de weduwe mee is gegaan bij het bezoek van de weduwe aan de Generale Bank, niet de conclusie kan rechtvaardigen dat zij bekend was met de hier bedoelde bankrekening. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de geïntimeerden onweersproken hebben verklaard dat de weduwe haar bankzaken toen buiten de aanwezigheid van [dochter B] heeft geregeld en dat [dochter B] met de inhoud van de bankzaken van de weduwe toen niet bekend was.

15. Nu niet kan worden vastgesteld dat de geïntimeerden bekend waren met de rekening bij de Generale Bank met een saldo van ruim ƒ 331.000,- komt het hof aan een beoordeling van de vraag of zij die rekening verborgen hebben gehouden in de zin van artikel 4:1110 (oud) BW, niet toe. In zoverre faalt de grief van [de zoon].

Derde geldbron

16. Het hof bespreekt de grieven 2 tot en met 5 tezamen. [de zoon] stelt daarin, zo blijkt ook uit zijn toelichting op deze grieven, kort gezegd, de herkomst van meergenoemde schenkingen van elk ƒ 100.000,- aan ieder van de geïntimeerden aan de orde.

17. Tussen partijen staat vast dat de weduwe na het overlijden van erflater schenkingen

van ƒ100.000,- aan ieder van de geïntimeerden heeft gedaan.

18. Volgens [de zoon] heeft de weduwe door het doen van deze schenkingen ‘zwart geld’

onder de geïntimeerden verdeeld. [de zoon] stelt in dat kader dat deze schenkingen afkomstig

zijn van een bankrekening (niet zijnde de eerdergenoemde bankrekeningen bij de Generale

Bank), behorende tot de nalatenschap van erflater, die door de weduwe ten onrechte buiten

de boedelbeschrijving is gehouden. [de zoon] duidt deze beweerdelijke bankrekening aan als

de derde geldbron’. Deze ‘derde geldbron’ (met een nog onbekend saldo) moet volgens

[de zoon] alsnog bij de nalatenschap van erflater betrokken worden. Een en ander heeft

gevolgen voor de omvang van zijn legitieme portie.

19. Het hof begrijpt dat [de zoon] zich op het standpunt stelt dat, nu geïntimeerden

weigeren duidelijkheid te verschaffen over de herkomst van de schenkingen, zij geldstromen

verborgen houden en dat [de zoon] het op die grond redelijk acht om, behoudens tegenbewijs,

ervan uit te gaan dat de ‘derde geldbron’ een waarde vertegenwoordigt van € 250.000,- en

daarnaast de schenkingen van elk ƒ 100.000,- behoren te worden ingebracht in de

nalatenschap van de erflater, zodat het saldo van deze nalatenschap met genoemde bedragen

behoort te worden vermeerderd.

20. Voorts begrijpt het hof dat [de zoon] met de ‘derde geldbron’ doelt op een verborgen

gehouden ‘buitenlandse bankrekening’.

21. Het hof overweegt als volgt.

22. [dochter B] heeft op 30 januari 2006, gehoord door de rechtbank Rotterdam in het

kader van een op verzoek van [de zoon] gehouden voorlopig getuigenverhoor, verklaard dat zij nooit een bedrag van ƒ 100.000,- heeft ontvangen van haar vader, voor of na zijn overlijden en ook niet van haar moeder. [dochter A] heeft toen verklaard noch van haar vader, noch van haar stiefmoeder ooit enig bedrag op haar rekening of in contanten te hebben ontvangen. [dochter C] heeft in datzelfde verband op 28 april 2006 verklaard nooit grotere bedragen dan ƒ 200,- te hebben gekregen.

23. Ter gelegenheid van het getuigenverhoor op 9 april 2009 heeft [dochter C] verklaard dat zij

een bedrag van ƒ 100.000,- contant van haar moeder heeft ontvangen. [dochter B] heeft toen als getuige verklaard dat haar moeder haar had gezegd dat ergens in 1999 of 2000 een depositorekening op haar naam in België is geopend ten bedrage van ƒ 100.000,-. [dochter A] heeft daarover niet nader verklaard. In de memorie van antwoord wordt evenwel bevestigd dat ieder van de zusters, derhalve ook [dochter A], een schenking van ƒ 100.000,- heeft ontvangen van de weduwe na het overlijden van erflater. Het hof gaat daar dan ook van uit.

24. De zusters stellen dat deze schenkingen afkomstig zijn uit het vermogen waarover de

weduwe kon beschikken. Van een verborgen gehouden ‘derde geldbron’ is geen sprake, aldus de zusters.

25. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de schenkingen door de weduwe (zouden

kunnen) zijn gedaan uit het haar ter beschikking staande, uit de (tweede) boedelbeschrijving blijkende, vermogen. Naar het oordeel van het hof valt derhalve op voorhand niet uit te sluiten dat deze schenkingen, zoals [de zoon] stelt, afkomstig zijn uit het op 7 juli 1998 aanwezige vermogen van erflater dat niet in de boedelbeschrijving is opgenomen.

26. Gelet op de wisselende verklaringen van geïntimeerden over deze schenkingen, is het

hof van oordeel dat [de zoon] er een gerechtvaardigd belang bij en recht op heeft om de herkomst van deze schenkingen aan ieder van de geïntimeerden te doen vaststellen. Het hof zal dan ook ingevolge het in artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde, geïntimeerden bevelen om alle terzake relevante stukken over te leggen, waaronder die stukken als in het dictum vermeld. Indien geïntimeerden nalaten de gevraagde gegevens te verstrekken zal het hof daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt.

27. De grieven 7 en 8, die betrekking hebben op het verbinden van een dwangsom aan

het verstrekken van de voornoemde gegevens en op het belang van [de zoon] bij de gevorderde bescheiden, behoeven evenmin verdere bespreking gelet op het voorgaande.

Giften gedurende het leven

28. In zijn toelichting op grief 9 stelt [de zoon] dat de geïntimeerden voor een

groot deel van hun leven financieel werden ondersteund door de erflater en de weduwe.

Het gaat volgens hem om giften die een waarde vertegenwoordigen van, naar het hof

begrijpt, ƒ 15.000,- per persoon per jaar.

29. Het hof begrijpt dat [de zoon] zich op het standpunt stelt dat deze giften door de geïntimeerden in de nalatenschap dienen te worden ingebracht en dat hij als zodanig vordert dat zij ieder een bedrag van totaal € 68.067,03 in de nalatenschap dienen in te brengen.

30. Geïntimeerden hebben gemotiveerd betwist, dat zij jaarlijks giften hebben ontvangen.

31. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat geïntimeerden gedurende

het leven van erflater en de weduwe voor een bedrag van ongeveer ƒ 15.000,- per

persoon per jaar door hen werden ondersteund. Dat geïntimeerden zo nu en dan

levensmiddelen van de erflater en de weduwe ontvingen, wordt door hen erkend.

Geïntimeerden betwisten echter, en het hof acht zulks ook niet aannemelijk, dat het hier om substantiële bedragen gaat. Bovendien heeft [de zoon] de stelling van geïntimeerden dat ook hij weleens levensmiddelen van erflater en de weduwe heeft ontvangen, niet weersproken. Anders dan [de zoon] stelt, leidt het hof uit de verklaring van de heer [K] evenmin af dat de geïntimeerden tijdens hun leven structureel werden ondersteund door de erflater en de weduwe. De omstandigheid dat geïntimeerden na het overlijden van erflater een schenking van de weduwe hebben ontvangen van ƒ 100.000,-, maakt dit oordeel niet anders. Hetgeen [de zoon] heeft gesteld over de hoge uitgaven van de erflater en de weduwe, afgezet tegenover hun ‘zuinige’ levensstijl, acht het hof, in het licht van de gemotiveerde betwisting door geïntimeerden, onvoldoende concreet door hem onderbouwd en overigens niet redengevend.

32. Grief 9 faalt derhalve.

Huizen

33. In zijn toelichting op grief 10 betwist [de zoon] allereerst dat de geïntimeerden rente hebben betaald over de door erflater (en de weduwe) aan hen verstrekte lening in verband met de aankoop van een huis.

34. Het hof stelt vast dat de vordering die [de zoon] in dit verband heeft ingesteld, enkel betrekking heeft op [dochter A] en [dochter B], zodat het hof zich bij de beoordeling van het door [de zoon] gestelde zich daartoe zal beperken.

35. Het hof begrijpt het standpunt van [de zoon] aldus dat hij van mening is dat de niet betaalde rente op de lening een gift betreft die door [dochter A] en [dochter B] in de nalatenschap moet worden ingebracht.

36. [de zoon] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de aangiften inkomsten- en vermogensbelasting van de erflater en de weduwe over de periode 1988-1999. Anders dan [de zoon] stelt, blijkt naar het oordeel van het hof uit de aangiften inkomstenbelasting het navolgende. Aan de zijde van de weduwe is telkens een bedrag aan ‘rente op vorderingen’ opgegeven van ƒ 2.580,- per jaar. Dit bedrag komt overeen met het door de geïntimeerden gestelde, en met producties gestaafde, bedrag aan betaalde rente van ƒ 107,50 per persoon per maand.

37. Het hof is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat [dochter A] en [dochter B] rente over de lening hebben betaald en veronderstelt – bij gebreke van andersluidende gegevens - dat dit gedurende de volle looptijd van de lening is geschied. De stelling van [de zoon] dat er sprake is van een gift wordt dan ook gepasseerd.

38. Voorts stelt [de zoon] in de toelichting op deze grief de omvang van de door erflater aan [dochter B] verstrekte lening aan de orde. [de zoon] stelt dat deze lening niet correct in de boedelbeschrijving is opgenomen. De lening bedraagt volgens [de zoon] een bedrag van ƒ 64.012,04 in plaats van ƒ 51.412,-. [de zoon] is dan ook van mening dat [dochter B] het verschil tussen deze twee bedragen in de nalatenschap dient in te brengen.

39. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de hoofdsom van de lening aan [dochter B] aanvankelijk ƒ 64.012,04 bedroeg. Geïntimeerden voeren als verweer aan dat [dochter B] vervolgens op deze lening heeft afgelost, het hof begrijpt met een bedrag van totaal ƒ12.500,-. Geïntimeerden hebben hun stelling met bewijsstukken onderbouwd. [de zoon] heeft dit een en ander niet gemotiveerd weersproken.

40. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de lening aan [dochter B] correct in de boedelbeschrijving opgenomen, namelijk ter grootte van de restantschuld van afgerond ƒ 51.412,-.

41. Grief 10 faalt derhalve.

De boot

42. In zijn toelichting op grief 11 stelt [de zoon] aan de orde dat de boot van erflater tijdens zijn leven is verkocht en dat ervan kan worden uitgegaan dat de geïntimeerden ieder een bedrag ter zake van de verkoopopbrengst van de boot van erflater hebben ontvangen van ƒ 10.000,-. Geïntimeerden hebben dit gemotiveerd betwist.

43. Het hof begrijpt dat [de zoon] zich op het standpunt stelt dat er aldus sprake is van een gift van ƒ 10.000,- per persoon, die door de geïntimeerden in de nalatenschap dienen te worden ingebracht.

44. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan, dat geïntimeerden enig geldbedrag uit de door [de zoon] gestelde verkoopopbrengst van de boot van de erflater hebben ontvangen. De vordering van [de zoon] strandt bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing.

Overige boedelbestanddelen

45. Bij de twaalfde grief heeft [de zoon] geen belang omdat, naar hij terecht opmerkt, hij te dezer zake geen vordering heeft ingesteld.

Beeldjes

46. Het hof ziet in hetgeen [de zoon] in zijn toelichting op grief 13 heeft gesteld geen grond om, in afwijking van de beslissing van rechtbank, te bepalen dat [dochter B] de waarde van de beeldjes in de nalatenschap dient in te brengen. Er is geen sprake van schenking van deze zilveren beeldjes, die inmiddels zijn gewaardeerd en door geïntimeerden in de verdeling worden betrokken. Het hof heeft bovendien niet kunnen vaststellen dat [dochter B] ten aanzien van het meenemen van de beeldjes destijds te kwader trouw heeft gehandeld en de beeldjes aan de verdeling heeft willen onttrekken.

47. Grief 13 faalt.

48. Alvorens nader te beslissen, zal het hof bevelen dat geïntimeerden de in rechtoverweging 26 bedoelde bescheiden in het geding dienen te brengen.

Beslissing

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

beveelt geïntimeerden om alle relevante bescheiden over te leggen als bedoeld in rechtsoverweging 26, waaronder meer in het bijzonder:

- bescheiden waartuit blijkt of kan blijken op welke datum ieder van hen een bedrag van ƒ 100.000,- van de weduwe heeft ontvangen;

- bescheiden waaruit volgt uit welke bron deze bedragen afkomstig zijn;

- de belastingaangiften en bijbehorende aanslagen van de weduwe van 1999 tot aan de overlijdensdatum van de weduwe.

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 29 mei 2012. voor het overleggen van de bescheiden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kamminga, Mink en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.