Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3450

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
22-000407-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000407-12

Parketnummer 10-611177-09

Datum uitspraak: 18 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 september 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somaliƫ) op [geboortejaar] 1987,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van dit hof van 23 februari 2010 onder rolnummer 22-004590-09 is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen bovengenoemd arrest cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 januari 2012 het arrest van dit hof van 23 februari 2010 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit Gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 september 2009 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Brits vreemdelingenpaspoort (voorzien van het nummer: [nr.], op naam gesteld van [naam]), welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, dat reisdocument aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee, belast met de uitoefening van de grensbewaking, bij de uitreisbalie van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland, heeft aangeboden (als ware het zijn, verdachtes, reisdocument) en/of (zodoende) de uitreis uit Nederland heeft verzocht;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota - betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Hij heeft daartoe -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND), zijnde 'de autoriteit' die in Nederland beoordeelt of iemand voldoet aan de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag heeft vastgesteld dat de verdachte als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29 lid 1 sub a Vreemdelingenwet kan worden aangemerkt. De IND heeft aan de verdachte een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 lid 1 sub a verleend. Alvorens de IND tot verlening van een dergelijke vergunning overgaat wordt de asielaanvraag inhoudelijk getoetst aan artikel 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag en in die beoordeling wordt mede betrokken de vraag of de asielzoeker zich onverwijld heeft gemeld en rechtstreeks afkomstig is van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd. Nu aan de verdachte voornoemde vergunning is verleend kan hij een beroep doen op de bescherming van artikel 31 eerste lid van het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat het openbaar ministerie niet (langer) kan worden ontvangen in de strafvervolging van de verdachte.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Zij heeft daartoe -verkort en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat artikel 31 eerste lid van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is omdat de verdachte zich niet 'onverwijld' bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld.

Het hof overweegt het volgende.

Artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88 (hierna Vluchtelingenverdrag) luidt:

"The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence."

De verdachte is met een niet op zijn naam gesteld Brits paspoort vanuit Djibouti via de Verenigde Arabische Emiraten en een Europees land naar Nederland gereisd. Voor deze reis heeft de verdachte $ 11.000,- betaald aan een reisagent.

In Nederland heeft de verdachte 25 dagen verbleven, alvorens van Hoek van Holland naar Engeland te willen vertrekken. In deze periode heeft de verdachte zich niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Op 5 september 2009 is de verdachte in Hoek van Holland aangehouden, toen hij op het punt stond de oversteek naar Engeland te maken, waar zijn moeder woont.

De verdachte is op 8 september 2009 verschenen ter terechtzitting van de politierechter te Rotterdam. De politierechter heeft de verdachte, vanwege gebruikmaking van het niet op zijn (eigen) naam gestelde reisdocument, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en ter zitting de gevangenneming van de verdachte bevolen.

Op 6 november 2009 heeft de verdachte een asielverzoek ingediend.

Bij beschikking van 19 februari 2010 is de asielaanvraag van de verdachte ingewilligd en is aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid onder a, van de Vreemdelingenwet, met ingang van 6 november 2009, geldig tot 6 november 2014.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat, nu aan de verdachte een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 lid 1 sub a is toegekend en daarmee is vastgesteld dat hij vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag is, aan hem de bescherming toekomt krachtens artikel 31 eerste lid van het Vluchtelingenverdrag.

Aan de door het openbaar ministerie aangevoerde omstandigheid dat de verdachte zich niet "onverwijld" bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld gaat het hof voorbij, nu de Nederlandse autoriteiten, die aan de verdachte de genoemde verblijfsvergunning hebben verleend, in dat verband reeds hebben getoetst of deze omstandigheid aan de verdachte dient te worden tegengeworpen en zij daartoe kennelijk geen aanleiding hebben gezien.

Volgens vaste jurisprudentie moet voor de beoordeling van een beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag geen onderscheid worden gemaakt tussen "illegal entry or presence" enerzijds en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren anderzijds. Een andersluidende opvatting doet onvoldoende recht aan de bedoeling van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag om vluchtelingen, onder nadere, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging wegens "illegal entry or presence" en zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekort doen.1

De bescherming die de verdachte aldus op grond van het Vluchtelingenverdrag toekomt brengt mee dat het openbaar ministerie de verdachte niet had mogen vervolgen wegens het gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument. .

Een en ander leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam niet in stand kan blijven en het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. S. van Dissel,

mr. H.M.A. de Groot en mr. C.M. le Clercq-Meijer,

in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 april 2012.

1 Bijvoorbeeld: HR 13 oktober 2009 LJN BI1325