Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3430

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
22-004270-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft het slachtoffer systematisch lastig gevallen, nadat zij de relatie met hem had beëindigd. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd en een ruit van haar woning vernield.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis. Tevens wordt als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, middellijk of onmiddellijk, contact zal opnemen of zoeken met benadeelde partij.

De vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004270-11

Parketnummers: 10-700308-10 en 10-702351-11

Datum uitspraak: 6 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1960,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-700308-10 en onder parketnummer

10-702351-11 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde als vermeld in het vonnis. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen met parketnummers

10-700308-10 en 10-702351-11. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2009 tot en met 29 juni 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde partij], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers hebbende die inbreuk bestaan uit het (telkens) meermalen per dag en/of althans dagelijks en/of althans wekelijks

- die [benadeelde partij] opbellen en/of

- het versturen van sms berichten naar de telefoon van die [benadeelde partij] en/of

- die [benadeelde partij] middels een sms bericht de woorden toevoegen: "ik vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- naar de woning van die [benadeelde partij] gaan en/of

- in de woning van die [benadeelde partij] kijken;

feit 2:

hij op of omstreeks 21 oktober 2010 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans één of meer ruit(en) (van een woning), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield

en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (met) (een) ste(e)n(en) tegen die ruit(en) te gooien en/of te slaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij in de periode van 01 december 2009 tot en met 29 juni 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij], met het oogmerk die [benadeelde partij], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers hebbende die inbreuk bestaan uit het meermalen

- die [benadeelde partij] opbellen en

- het versturen van sms berichten naar de telefoon van die [benadeelde partij] en

- die [benadeelde partij] middels een sms bericht de woorden toevoegen: "ik vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking en

- naar de woning van die [benadeelde partij] gaan en

- in de woning van die [benadeelde partij] kijken;

feit 2:

hij op 21 oktober 2010 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk één ruit van een woning, toebehorende aan [benadeelde partij], heeft vernield door met een steen tegen die ruit te gooien.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

1: belaging;

2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of

ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer systematisch lastig gevallen, nadat zij de relatie met hem had beëindigd.

De verdachte heeft haar onder meer veelvuldig telefonisch benaderd en sms'jes gestuurd. Ook heeft de verdachte zich in de nabijheid van de woning van het slachtoffer opgehouden. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd en een ruit van haar woning vernield.

Dit zijn vervelende feiten, te meer omdat een ieder de behoefte heeft om zich in elk geval in en in de directe omgeving van de eigen woning veilig te voelen.

Het hof houdt er bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van de verdachte rekening mee dat de verdachte blijkens een uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 maart 2012 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en onder de na te noemen bijzondere voorwaarde een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.668,36.

In eerste aanleg is een bedrag van € 968,36 toegewezen.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.668,36.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 968,36, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijk-verklaring voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 800,00.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 168,36 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot het bedrag van € 968,36.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 968,36 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identi-teitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, middellijk of onmiddellijk, contact zal opnemen of zoeken met [benadeelde partij].

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] terzake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 968,36 (negenhonderdachtenzestig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 168,36 (honderdachtenzestig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 968,36 (negenhonderdachten-zestig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 168,36 (honderdachtenzestig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door

mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. W.P.C.M. Bruinsma en

mr. S.A.J. van 't Hul,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 april 2012.

Mr. W.P.C.M. Bruinsma is buiten staat dit arrest te ondertekenen.