Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3424

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
22-001503-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001503-11

Parketnummer: 11-860171-11

Datum uitspraak: 13 april 2012

VERSTEK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 16 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Kongo - voormalige Zaïre), op [geboortejaar] 1974,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres volgens opgave van de verdachte bij zijn eerste politieverhoor: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts is het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de hechtenis gelijk werd aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2011 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Het hof gaat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van het volgende uit.

Op 2 maart 2011 trof de politie de verdachte aan in het huis van zijn vrouw te Dordrecht. De verdachte gaf toen op te zijn [verdachte], geboren op [geboortejaar] 1974 te [geboorteplaats]. Voorts gaf de verdachte aan tijdelijk bij zijn dochtertje en echtgenote te verblijven. Daar de verdachte een Congolees paspoort overhandigde en niet kon aantonen dat hij rechtmatig in Nederland verbleef, werd de verdachte overgebracht naar het politiebureau.

Op het politiebureau werden ter vaststelling van de identiteit en verblijfsrechtelijk positie van de verdachte, vingerafdrukken van hem afgenomen.

Uit de uitslag van dit onderzoek bleek dat van de verdachte reeds meerdere keren vingerafdrukken waren afgenomen en dat deze geregistreerd stonden onder de namen [naam 1], geboren op [geboortejaar] 1967 te [geboorteplaats], [naam 2], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en [naam 3], geboren op [geboortejaar] 1977 te [geboorteplaats].

Voorts bleek dat de verdachte onder de naam [naam 1], geboren op [geboortejaar] 1976, gesignaleerd stond als ongewenst vreemdeling.

Uit nader politie onderzoek is gebleken dat de verdachte onder de naam [naam 1], geboren op [geboortejaar], alias [naam 3], geboren op [geboortejaar] 1977, bij besluit van 25 juli 2003 door het Ministerie van Justitie, afdeling Immigratie- en Naturalisatiedienst, tot ongewenst vreemdeling is verklaard ex artikel 67 van de Vreemdelingenwet.

De verdachte was kennelijk op de hoogte van dit besluit, daar hij op 13 augustus 2003 hiertegen bezwaar heeft aangetekend. Bij besluit van 22 maart 2004 is het bezwaar door het Ministerie van Justitie, afdeling Immigratie- en Naturalisatiedienst, ongegrond verklaard. Tegen de ongegrond verklaring van het bezwaar - tegen het voornoemde besluit van 25 juli 2003 - heeft de verdachte beroep ingesteld. Het door de verdachte ingestelde beroep is ter terechtzitting van 13 april 2005 behandeld door de Vreemdelingenkamer in de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda. De verdachte, zijn gemachtigde en een tolk in de Franse taal waren daarbij aanwezig.

Op 28 juni 2005 heeft de Vreemdelingenkamer het beroep ongegrond verklaard. Vervolgens is de verdachte op 6 september 2007 Nederland uitgezet.

Het hof is van oordeel dat op grond van het bovenstaande niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de verdachte op 2 maart 2011 wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hoewel zich in de stukken geen akte van betekening bevindt waaruit blijkt dat de verdachte kennis heeft genomen van de beslissing van de Vreemdelingenkamer van 28 juni 2005, kan naar het oordeel van het hof uit dat enkele feit - anders dan de raadsman kennelijk meent - niet zonder meer worden geconcludeerd dat de verdachte niet op de hoogte is geweest van die uitspraak.

In dit verband is van belang dat de verdachte in de procedure voor de Vreemdelingenkamer is bijgestaan door een gemachtigde en het in de rede ligt dat die hem van de uitspraak op de hoogte heeft gebracht, terwijl voorts aannemelijk is dat de verdachte in de periode voor zijn uitzetting uit Nederland op 6 september 2007 door de autoriteiten op de hoogte is gesteld van het feit dat zijn beroep bij beslissing van 28 juni 2005 ongegrond is verklaard.

Het hof is - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 2 maart 2011 in Nederland verbleef, terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 maart 2011 te Dordrecht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Dusdoende heeft de verdachte het Nederlandse vreemdelingenbeleid doorkruist en het belang daarbij van de openbare orde geschonden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. G. Knobbout en mr. J.J.H.M. van Gennip, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2012.

Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.