Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3421

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
000551-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking van de rechters wordt door het Hof afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Zaaknummer : 000551-12

Rolnummer hoofdzaak : 22-006215-11

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortejaar] 1973 te [geboorteplaats] (Nigeria),

wonende [adres],

verzoeker,

raadsman: mr. S.L.J. Swart, advocaat te Amsterdam.

Het geding

1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 21 maart 2012 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. J. Borgesius, voorzitter, mr. J.M. Reinking en mr. M. Mees, raadsheren, zitting hadden.

2. Bij mondeling verzoek heeft de raadsman ter terechtzitting op 21 maart 2012 namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter en raadsheren gedaan.

3. De voorzitter en raadheren hebben niet in de wraking berust.

4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 4 april 2012 ter openbare terechtzitting behandeld, waar namens de verzoeker mr. M.A.M. Karsten - waarnemend voor mr. S.L.J. Swart - is gehoord. De advocaat-generaal mr. E.C. Kole heeft haar standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer op 21 maart 2012 en de toelichting van de raadsman ter terechtzitting van de wrakingskamer op 4 april 2012, is namens de verzoeker - zakelijk weergegeven - de volgende grond naar voren gebracht:

6. De verzoeker kan zich niet onttrekken aan de indruk dat er een schijn van vooringenomenheid is ontstaan door de beslissing van het hof om het verzoek tot het horen van getuigen af te wijzen, nu de verdediging het horen van deze getuigen noodzakelijk acht.

7. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoek door de wrakingskamer heeft mr. J. Borgesius, voorzitter, schriftelijk de reactie van de leden van de kamer wier wraking is verzocht, naar voren gebracht. De leden van genoemde kamer hebben te kennen gegeven dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou lijden.

8. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van de wrakingskamer geconcludeerd dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen - mede in het licht van de jurisprudentie - geen reden kan zijn om een gerechtvaardigde twijfel ten aanzien van de onpartijdigheid van het hof te veronderstellen.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

9. Op grond van het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken op 21 maart 2012 en hetgeen ter terechtzitting van de wrakingskamer is verhandeld, stelt de wrakingskamer het volgende vast:

10. De raadsman heeft op 2 maart 2012 schriftelijk het verzoek gedaan tot het horen van vijf getuigen. Ter terechtzitting van 21 maart 2012 is de raadsman in de gelegenheid gesteld dit verzoek te herhalen en toe te lichten. De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het horen van de gevraagde getuigen. Na onderbreking van het onderzoek voor beraad heeft de voorzitter als beslissing van het hof meegedeeld dat het hof het verzoek tot het horen van de vijf getuigen, afwijst, nu het hof - gelet op de gegeven toelichting - de noodzaak tot het horen niet ziet. Vervolgens heeft de raadsman namens de verdachte een verzoek tot wraking van de leden van de kamer gedaan.

11. Ter terechtzitting van de wrakingskamer heeft mr. Karsten benadrukt dat het bewijs in onderhavige zaak hoofdzakelijk uit getuigenverklaringen bestaat. Door de beslissing van het hof is dit bewijs oncontroleerbaar. In dat licht bezien stelt hij namens de verzoeker dat de gegeven - ongemotiveerde - beslissing van het hof de schijn van vooringenomenheid tentoonspreidt.

12. Op grond van vorenstaande overweegt de wrakingskamer ter zake van het verzoek tot wraking het volgende:

13. Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken blijkt dat de verdediging ter terechtzitting het verzoek heeft gedaan tot het horen van vijf getuigen en dat het hof daarop een afwijzende beslissing heeft gegeven. De verdediging kan zich niet vinden in deze beslissing van het hof.

14. De rechter moet volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

15. Een afwijzende - noch toewijzende - beslissing is in beginsel geen gegronde reden voor twijfel over de onpartijdigheid van het hof. Naar het oordeel van de wrakingskamer betreft de in onderhavige zaak gegeven beslissing op het verzoek van de verdediging een inhoudelijke beslissing waaruit geenszins vooringenomenheid of enige schijn daarvan blijkt. Het feit dat het hof ten aanzien van de - voor de verdediging kennelijk onwelgevallige - beslissing een summiere motivering heeft gegeven, maakt zulks niet anders. Ook overigens is niet gebleken van enige andere omstandigheid waaruit vooringenomenheid van de voorzitter en/of de raadsheren, dan wel de vrees daarvoor, zou kunnen worden afgeleid.

16. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de wrakingskamer dat geen sprake is van enige uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de voorzitter en/of de raadsheren jegens de verdachte een vooringenomenheid koesteren, noch dat de bij de verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker, zijn raadsman - mr. S.L.J. Swart -, genoemde voorzitter en raadsheren en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is gegeven op 12 april 2012 door mr. A.L.G.A. Stille, mr. S.A.J. van 't Hul en mr. J.J.J. Engel, in aanwezigheid van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.