Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW3402

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
22-002432-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van zes weken schuldig gemaakt aan drie overvallen op medewerkers van tankstations in Zoetermeer.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden. Het Hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. De vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002432-11

Parketnummer: 09-758832-10

Datum uitspraak: 10 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1983,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te 's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 november 2011 en 27 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging, waarbij is gelast dat de verdachte voor een termijn van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 september 2010 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (te weten biljetten en muntgeld tot een bedrag van ongeveer 206 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Van der Burgh tankstation, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het pakken en tonen van een vuurwapen, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, en/of het richten van voornoemd wapen op (het hoofd van) die [benadeelde partij 1] en/of het (daarbij) zeggen: "Geld, kom op", althans woorden van gelijke strekking;

2.

hij op of omstreeks 07 oktober 2010 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (te weten biljetten tot een bedrag van ongeveer 535 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation Q8 Zuidweg B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het pakken en tonen van een vuurwapen, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, en/of het richten van voornoemd wapen op die [benadeelde partij 2] en/of het (daarbij) zeggen: "Geld" en/of "Alleen papiergeld", althans woorden van gelijke strekking;

3.

hij op of omstreeks 10 november 2010 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (te weten bankbiljetten tot een bedrag van ongeveer 200 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation Q8 Zuidweg B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het pakken en tonen van een vuurwapen, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, en/of het richten van voornoemd wapen op die [benadeelde partij 3], en/of het (daarbij) zeggen: "Geld" en/of "Opschieten", althans woorden van gelijke strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 september 2010 te Zoetermeer met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld te weten biljetten en muntgeld tot een bedrag van ongeveer 206 euro, toebehorende aan Van der Burgh tankstation, welke bedreiging met geweld bestond uit het pakken en tonen van een op een pistool gelijkend voorwerp, en het richten van voornoemd wapen op het hoofd van die [benadeelde partij 1] en het daarbij zeggen: "Geld, kom op";

2.

hij op 07 oktober 2010 te Zoetermeer met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld te weten biljetten tot een bedrag van ongeveer 535 euro, oebehorende aan tankstation Q8 Zuidweg B.V., welke bedreiging met geweld bestond uit het pakken en tonen van een op een pistool gelijkend voorwerp, en het richten van voornoemd wapen op die [benadeelde partij 2] en het daarbij zeggen: "Geld" en "Alleen papiergeld";

3.

hij op 10 november 2010 te Zoetermeer met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van geld te weten bankbiljetten tot een bedrag van ongeveer 200 euro, toebehorende aan tankstation Q8 Zuidweg B.V., welke bedreiging met geweld bestond uit het pakken en tonen van een op een pistool gelijkend voorwerp, en het richten van voornoemd wapen op die [benadeelde partij 3], en het daarbij zeggen: "Geld" en "Opschieten".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - verkort en zakelijk weergegeven - bepleit dat de verdachte - in afwijking van hetgeen de gedragsdeskundigen in de door hen uitgebrachte Pro Justitia rapportages van respectievelijk 19 en 29 maart 2011 hebben geconcludeerd - volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdachte lijdt ook nu nog aan een ernstige psychiatrische stoornis en zijn gedrag werd toen ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde strafbare feiten volledig bepaald door zijn psychose.

Uit de Pro Justitia rapportages wordt onvoldoende duidelijk dat de verdachte voldoende besef had van eigen handelen en voldoende in staat was het strafrechtelijk ongeoorloofdheid van zijn handelen in te zien. De verdachte heeft de overvallen niet bewust gepleegd met het doel om middelen te verwerven, maar vanwege emoties "die eruit moesten" ofwel "acting out-gedrag".

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Anders dan de raadsvrouw heeft het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen reden om aan de conclusies van de gedragsdeskundigen drs. A. Banaei Kashani, psychiater en drs. S.M.J. van Zeijl, gz-psycholoog, te twijfelen. Naar het oordeel van het hof zijn de rapportages concludent, zijn de conclusies deugdelijk met feiten en omstandigheden onderbouwd en komen die overeen met de verklaringen die door de gedragsdeskundigen ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd.

Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Uit de respectieve rapportages blijkt naar het oordeel van het hof dat hoewel het gedrag van de verdachte werd beïnvloed door zijn psychiatrische stoornis, hij desondanks enig inzicht heeft gehad in het ontoelaatbare van zijn handelen. De ten laste gelegde feiten zijn volgens die deskundigen niet geheel te verklaren vanuit verdachtes chronisch psychotische toestandsbeeld.

Van belang is in dit verband nog naar het oordeel van het hof dat de gz-psycholoog heeft opgemerkt dat er telkens een marge in tijd zat tussen de door de raadsvrouw genoemde negatieve gebeurtenissen, die de emoties bij de verdachte opriepen die "eruit moesten", en de momenten waarop de verdachte besloot een overval plegen. De mogelijkheid om anders te reageren was ook volgens die deskundige voor de verdachte steeds aanwezig.

Het hof komt derhalve tot het oordeel dat van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten geen sprake is.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van zes weken schuldig gemaakt aan drie overvallen op medewerkers van tankstations in Zoetermeer. De verdachte ging daarbij telkens volgens dezelfde modus operandus te werk. Deze bestond eruit dat de verdachte het desbetreffende tankstation in ging om vervolgens het aldaar aanwezige personeel met een balletjespistool te bedreigen en deze te dwingen tot de afgifte van geld. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen die deze overvallen zouden hebben voor de slachtoffers. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit bij slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lang gevoelens van angst teweeg brengt, zeker indien de beroving zich -zoals ook in dit geval- op hun werkvloer heeft afgespeeld. Daarnaast maken gewapende overvallen als de onderhavige een ernstige inbreuk op de rechtsorde in het algemeen en brengen deze gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

8 maart 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Persoonlijkheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het navolgende. De overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen zijn zakelijk samengevat en weergegeven.

1. De rapportage Pro Justitia d.d. 19 maart 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. S.M.J. van Zeijl, gz-psycholoog:

Er is bij de verdachte sprake van een chronisch psychotisch toestandsbeeld in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type. Verder was verdachte in de pleegperiode afhankelijk van cannabis en amfetamine. Bij verdachte ontbreekt ziektebesef. Hij verzet zich al jaren tegen behandeling en medicatiegebruik. Het gebruik van cannabis en amfetamine kan gezien worden als een vorm van zelfmedicatie. De verdachte had vanwege het ontbreken van ziektebesef zeer weinig alternatieven voorhanden. Er is een verband tussen verdachtes chronisch psychotische stoornis en de ten laste gelegde feiten. De ten laste gelegde feiten zijn niet geheel te verklaren vanuit verdachtes chronisch psychotische toestandsbeeld. Hij heeft besef gehad ten aanzien van het ontoelaatbare van zijn handelen. Verdachte moet ten aanzien van die feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. De kans op recidive wordt als hoog geschat. De verdachte heeft geen ziektebesef en accepteerde ten tijde van de rapportage alleen medicatie (antipsychotica) om een rechterlijke machtiging te voorkomen. Hij heeft aangegeven na deze detentie geen medicatie meer te zullen gebruiken en zich niet onder behandeling te zullen stellen. De verdachte is voornemens na detentie door te gaan met het gebruik van cannabis. Gezien verdachtes afkeer van hulpverlening, zijn verslavingsgevoeligheid en het feit dat zijn partner amfetamine gebruikt, is de kans aanwezig dat hij ook weer amfetamine zal gaan gebruiken.

Betrokkene lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening, namelijk recidiverende psychoses van paranoïde aard. (Klinische) Behandeling is noodzakelijk om verdere maatschappelijke teloorgang en recidive te voorkomen. Middels de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou betrokkene langdurig behandeld kunnen worden in een beveiligde omgeving waarna resocialisatie stapsgewijs plaats kan vinden met controle op middelenabstinentie en medicatiegebruik.

2. De rapportage Pro Justitia d.d. 29 maart 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. A. Banaei Kashani, psychiater:

De verdachte verkeerde ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten ondanks medicatie in een chronisch psychotische toestand. Er was sprake van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, waardoor hij zijn gedrag niet voldoende kon overzien. Hij was tevens onder invloed van middelen. Van deze middelen - cannabis en amfetamine - is bekend dat zij een psychose kunnen luxeren, dan wel verergeren. De afhankelijkheid van cannabis en amfetamine heeft tevens de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte bepaald. De verdachte onderkent de nadelige gevolgen van het gebruik van die middelen niet. Ook is er sprake van antisociaal gedrag. Derhalve is de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Gezien de ernst van zijn psychose, waarbij forse denkstoornissen op de voorgrond treden, gezien voorts het feit dat verdachte niet van plan is het gebruik van middelen te staken en gegeven de omstandigheid dat hij niet in staat is te komen tot alternatieven, wordt het recidiverisico als zeer hoog geschat.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 maart 2012 hebben de voornoemde deskundigen gepersisteerd bij de inhoud van hun rapporten.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne. Nu ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis, die feiten een misdrijf opleveren als bedoeld in artikel 37a eerste lid, aanhef onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en het gevaar dat de verdachte opnieuw soortgelijke strafbare feiten zal plegen - naar het oordeel van het hof - groot is, eisen het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en dat hij van overheidswege dient te worden verpleegd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar en subsidiair een klinisch psychiatrische behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf bepleit.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Zoals reeds eerder is overwogen, zijn naar het oordeel van het hof de bewezen verklaarde feiten de verdachte in sterk verminderde mate toe te rekenen en is de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht reeds daarom niet aan de orde.

Anders dan door de raadsvrouw is betoogd is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de verdachte inziet dat hij hulp nodig heeft, bereid is die te accepteren en in dat verband een behandeling te volgen. Uit het zich in het strafdossier van de verdachte bevindende rapport d.d. 28 maart 2011 van R.H.M. Liekens, reclasseringsmedewerker verbonden aan Palier blijkt te dien aanzien dat de verdachte, die sinds 2007 in beeld is bij de GGZ Zoetermeer, in het kader van een rechtelijke machtiging in 2008 gedwongen opgenomen is geweest en zich verschillende keren aan behandeling onttrokken heeft. De over de verdachte rapporterende gz-psycholoog heeft geconstateerd dat de verdachte een afkeer heeft tegen hulpverlening en ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte niet laten blijken dat hij voor enige behandeling openstaat. Nog daargelaten de ernst van de bewezen verklaarde feiten die een deels voorwaardelijke gevangenisstraf niet zonder meer rechtvaardigen, maakt de houding van de verdachte ten aanzien van behandeling en hulpverlening, dat de straf, die de raadsvrouw subsidiair voor ogen staat, geen reële optie is.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat, naast de genoemde maatregel, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een zwartkleurig balletjespistool, aan het verkeer zal worden onttrokken.

Met betrekking tot het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp overweegt het hof het volgende.

Het hof zal het op de -in kopie aan dit arrest gehechte- beslaglijst onder nummer 1 genoemde zwartkleurige balletjespistool onttrekken aan het verkeer, nu het een voorwerp is dat aan de verdachte toebehoort en met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan.

Vordering tot schadevergoeding Q8 Zuidweg BV

In het onderhavige strafproces heeft Q8 Zuidweg BV zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 750,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 750,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De gestelde schade is niet onderbouwd en de benadeelde partij dient niet ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering.

Hoewel belegstukken ter staving van de gestelde schade in het dossier van de verdachte ontbreken, heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde. Het enkel ontbreken van bedoelde stukken is onvoldoende om de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 750,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Q8 Zuidweg BV.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00 STK Wapen Kl:zwart BALLETJESPISTOOL be- 6mm BB.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Q8 Zuidweg BV terzake van het onder

2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Q8 Zuidweg BV, een bedrag te betalen van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. G. Knobbout en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2012.