Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW2995

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
200.077.816/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3045
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatig strafvorderlijk optreden; onschuld verdachte blijkt uit strafvonnis; last tot teruggave hond kan niet worden nagekomen omdat hond direct na inbeslagname is gedood; vordering van materiële en immateriële schade en van kosten rechtsbijstand; deskundigenbericht waarde hond gewenst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.077.816/01

Zaaknummer rechtbank : 346135

Arrest van 10 april 2012

inzake

[appellant]

wonende te Alphen aan den Rijn,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.W. Verhoef te Uithoorn,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN ( het Openbaar Ministerie),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

Het geding

Het hof heeft in deze zaak arrest gewezen op 11 januari 2011. Het verwijst voor het procesverloop tot dan toe naar dat arrest. Voor de in dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft [appellant] producties overgelegd. Van die comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Een schikking is niet tot stand gekomen. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) acht grieven aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Daarna heeft [appellant] zich bij akte uitlating producties over de door de Staat overgelegde producties uitgelaten, waarop de Staat bij antwoordakte uitlating producties heeft gereageerd. Ten slotte heeft de Staat stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [appellant] was eigenaar van een hond van het ras Dobermann Pincher met de naam Storm (verder: de hond). Nadat de hond op 3 januari 2005 was losgekomen, heeft hij een kat zodanig verwond dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden. Op 5 januari 2005 is de hond door een opsporingsambtenaar in beslag genomen. Dezelfde dag is de hond door de opsporingsambtenaar naar een dierenarts gebracht, die de hond “heeft doen inslapen”.

1.2 De politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft [appellant] veroordeeld wegens onder meer het onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier en heeft de hond verbeurdverklaard. De strafkamer van dit hof heeft bij arrest van 6 januari 2006 [appellant] volledig vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde strafbare feiten en heeft de teruggave van de hond gelast.

1.3 De strafkamer van dit hof heeft aan [appellant] bij beschikking van 22 december 2006 op de voet van artikel 591a Sv een vergoeding van € 12.000,- toegekend ter zake van kosten van rechtsbijstand en reiskosten, met inbegrip van de kosten van de verzoekschriftprocedure. Zijdens de politie is omstreeks 26 februari 2007 ten behoeve van [appellant] een voorschot op een schadevergoeding uitbetaald van € 1.000,-.

2. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat deze voor recht zal verklaren dat de publiekrechtelijke organisaties van de Staat, politie en openbaar ministerie, c.q. de Staat onrechtmatig jegens hem hebben/heeft gehandeld, alsmede de Staat zal veroordelen aan hem in totaal € 41.900,- te betalen wegens materiële en immateriële schade en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 400,- en de vorderingen voor het overige afgewezen.

3. Met zijn eerste grief keert [appellant] zich tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Hij meent dat deze (samengevat) te summier en eenzijdig is. Het hof heeft zelfstandig de feiten vastgesteld en zich daarbij beperkt tot wat tussen partijen niet in geschil is en wat het van belang acht voor de beoordeling van de zaak. Het heeft daarbij met de grief rekening gehouden. De grief leidt niet tot vernietiging van het vonnis.

4. Alvorens op de overige grieven in te gaan stelt het hof het volgende voorop. Een gewezen verdachte heeft op grond van onrechtmatige overheidsdaad twee mogelijkheden tot schadevergoeding in verband met strafvorderlijk optreden van politie en justitie. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv. heeft ontbroken. In de tweede plaats kan zich het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte (zie HR 13 oktober 2006, LJN AV6956).

5. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, onder verwijzing naar bovengenoemd arrest, overwogen dat in de onderhavige zaak zich het tweede geval voordoet, namelijk dat uit de uitspraak van de strafrechter blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Tegen dit gedeelte van rechtsoverweging 4.4 in het rechtbankvonnis is geen grief (ook niet de vijfde grief) gericht, terwijl de Staat uitdrukkelijk in dit oordeel heeft berust (memorie van antwoord 1.6 en 2.5). Dat betekent dat dit oordeel voor het hof vast staat. Daarmee is de onrechtmatigheid van het strafvorderlijk optreden jegens [appellant] gegeven, en daarmee zijn recht op schadevergoeding wegens het verlies van de hond. De rechtbank is daarvan uitgegaan en het hof zal dat ook doen. Voor zover de grieven van [appellant] erop zijn gericht te laten vaststellen dat politie en/of justitie nog op andere wijze onrechtmatig hebben gehandeld, mist hij belang bij de behandeling daarvan, aangezien gegrondbevinding daarvan niet kan leiden tot een andere of hogere schadevergoeding. Dat betekent dat de tweede, derde, vierde, vijfde en zesde grief geen behandeling behoeven.

6. Ten overvloede merkt het hof op dat met het bovenstaande nog niet vaststaat of de Staat, als verantwoordelijk voor het optreden van het openbaar ministerie, dan wel de (zelfstandige rechtspersoonlijkheid bezittende) politieregio, als primair verantwoordelijk voor het optreden van de betreffende opsporingsambtenaar, de schade zal moeten vergoeden. De Staat is voor het handelen van bij een politieregio in dienst zijnde opsporingsambtenaren slechts aansprakelijk voor zover deze in opdracht van het openbaar ministerie hebben gehandeld. Onbetwist is, dat de in rechtsoverweging 1.1 bedoelde politiefunctionaris in dienst was van een politieregio. De aansprakelijkheid van de Staat voor het verlies van de hond berust op de erkenning door de Staat dat de hond in opdracht van de officier van justitie ter dood is gebracht.

7. De zevende grief valt de afwijzing tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan. Uit het inleidende deel van de memorie van grieven (nrs 53 tot en met 59) blijkt dat [appellant] het ook niet eens is met de hoogte van de toegekende vergoeding voor materiële schade en de afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade. Het hof zal dat gedeelte van de memorie van grieven lezen als een afzonderlijke (ongenummerde) grief.

8. Met betrekking tot de materiële schade door het verlies van de hond overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is, dat volledige materiële schadevergoeding inhoudt dat [appellant] in dezelfde positie wordt gebracht als die waarin hij op het moment van dat verlies verkeerde. Dat houdt in dat hij de aankoopkosten van een reu van het ras Dobermann Pincher van gelijke leeftijd en met vergelijkbare afkomst, training en conditie, die mogelijk bestemd was voor een fokprogramma, maar daarvoor nog niet was ingezet of aangemeld, vergoed dient te krijgen. De rechtbank heeft de waarde van die hond dienovereenkomstig bepaald op grond van het enige deskundigenrapport dat van dit uitgangspunt is uitgegaan en dat in eerste aanleg beschikbaar was. [appellant] heeft deze waardebepaling betwist en gesteld dat de hond een waarde had tussen de € 15.000,- en € 20.000,-. Hij heeft daarbij een productie overgelegd inzake de fokwaarde van de hond. Het hof heeft behoefte aan een schriftelijk deskundigenbericht ter bepaling van de waarde van de hof op het moment van overlijden. Het meent dat met één deskundige kan worden volstaan. Het zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen. Het verzoekt partijen met een gelijkluidende voordracht van de persoon van de deskundige te komen. Aangezien [appellant] de omvang van zijn schade dient te bewijzen, zal hij het te bepalen voorschot dienen te voldoen.

9. [appellant] heeft ter zake van zijn immateriële schade aangevoerd dat hij door het strafvorderlijk optreden in zijn eer en goede naam is geschaad en dat hij in zijn persoon is aangetast door dat optreden Hij brengt naar voren dat sprake is van geestelijk letsel van hem en zijn gezinsleden, dat hij een psychiater heeft bezocht en dat zijn zoontje en zijn vrouw door de dood van de hond zijn getraumatiseerd. Dat [appellant] in zijn eer en goede naam is geschaad heeft [appellant] naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt. De door hem in het geding gebrachte adhesiebetuigingen en verklaringen van derden wijzen veeleer op het tegendeel. Ter zake van de psychische schade van hem en zijn familieleden constateert het hof dat deze door de Staat reeds in eerste instantie is betwist. In hoger beroep heeft [appellant] daarover wel stellingen ingenomen, maar hij heeft niet onderbouwd dat die schade zodanig was dat sprake was of is van een psychiatrisch ziektebeeld, hoewel dat, gelet op de betwisting door de Staat in eerste aanleg en het oordeel van de rechtbank over deze schadepost wel op zijn weg had gelegen. Tot die onderbouwing hadden bijvoorbeeld schriftelijke verklaringen van ter zake kundige artsen kunnen dienen. Nu [appellant] voldoende gelegenheid heeft gehad zodanige verklaringen over te leggen, zal het hof hem daartoe niet alsnog in de gelegenheid stellen. Het vonnis van de rechtbank is op dit punt juist en de grief faalt in zoverre.

10. Rest nog de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Uitgangspunt daarbij is dat [appellant] recht heeft op de vergoeding van de redelijkerwijs te maken kosten van redelijkerwijs te verlenen rechtsbijstand, buiten het optreden in rechte zelf. Het hof zal de beslissing hierover aanhouden tot na het deskundigenbericht.

Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van 15 mei 2012 voor het nemen van akten zijdens beide partijen met het doel zoals vermeld in rechtsoverweging 8 van dit arrest;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.