Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1141

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
BK-11/00385
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Verwijzingszaak HR 10 juni 2011, nr. 08/02606. In het geheel van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd voorafgaande aan de oplevering van de grond zijn, naast de sloophandelingen, handelingen aan de grond te onderkennen die zijn verricht met het oog op de bebouwing van de grond. Dat betekent dat die onroerende zaak kwalificeert als een bouwterrein en als zodanig bij de levering aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. Nu de in het geding zijnde voorbelasting - naar tussen partijen niet in geschil is - onmiddellijk en rechtstreeks verband houdt met die belaste levering, is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/997
V-N 2012/29.15 met annotatie van Redactie
FutD 2012-1020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-11/00385

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 24 februari 2012

in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 januari 2007, nummer AWB 06/761, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 47.042 opgelegd. Tegelijk is bij beschikking € 7.388 aan heffingsrente berekend.

1.2. De naheffingsaanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 276 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep en in cassatie

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Een griffierecht van € 422 is geheven.

2.2. Bij uitspraak van 6 mei 2008, nummer 07/00067, heeft het Gerechtshof te Arnhem de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 juni 2011, nummer 08/02606, de hofuitspraak vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

2.4. Partijen hebben zich schriftelijk uitgelaten over het arrest van de Hoge Raad (hierna: het verwijzingsarrest), belanghebbende bij brief van 14 juli 2011 en de Inspecteur bij brief van 5 augustus 2011. Zij hebben van elkaars schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, kunnen kennis nemen.

2.5. Vervolgens heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 januari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn ter zitting verschenen.

Verwijzingsopdracht

3.1. In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad overwogen:

”(…)

3.3.2. Het eerste middel is gericht tegen het (…) oordeel van het Hof dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van de levering van een bouwterrein beslissend is de toestand van de onroerende zaak ten tijde van de juridische levering. Gelet op hetgeen het Hof van Justitie in het hiervoor in 2 vermelde arrest [het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 november 2009, Don Bosco Onroerend Goed B.V., C-461/08, BNB 2011/14] voor recht heeft verklaard, slaagt het middel. In cassatie is niet bestreden ’s Hofs oordeel dat de overeenkomst tussen belanghebbende en de koper, waarbij belanghebbende voor de sloop van de oude gebouwen instond, niet de levering van bestaande gebouwen en het erbij behorende terrein, maar de levering van een onbebouwd terrein tot voorwerp had. In dat geval is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van de levering van een bouwterrein niet van belang hoever de sloop van de oude gebouwen ten tijde van de levering van de onroerende zaak was gevorderd, maar is beslissend de staat waarin en de omstandigheden waaronder het terrein uiteindelijk door belanghebbende aan de koper is opgeleverd.

3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor beantwoording - met inachtneming van hetgeen in punt 42 van evenvermeld arrest van het Hof van Justitie is overwogen - van de vraag of het na de sloop van de bestaande gebouwen opgeleverde terrein door belanghebbende aan de koper op dat moment als een onbebouwd terrein in de zin van artikel 11, lid 4, van de Wet OB moet worden aangemerkt. Aangezien voor het Hof partijen geen rekening hebben kunnen houden met hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, dient het verwijzingshof partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen dienaangaande aan te vullen.

(…)”

Vaststaande feiten

4.1. Gelet op de overwegingen in punt 3 van het verwijzingsarrest moet als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt:

4.1.1. Belanghebbende heeft op 23 juni 1998 de eigendom verkregen van een terrein in [Q] met daarop een bedrijvencomplex. Belanghebbende heeft deze onroerende zaak begin 2000 verkocht aan [A] B.V. (hierna: de koper), waarbij zij zijn overeengekomen dat belanghebbende de opstallen voor eigen rekening zou (doen) slopen tot en met de funderingen en dat het terrein in mei van dat jaar aan de koper zou worden geleverd. De sloop van de opstallen is op 17 april 2000 aangevangen.

4.1.2. Bij notariële akte van 19 mei 2000 heeft belanghebbende de eigendom van het terrein aan de koper overgedragen. In de notariële akte is het op die dag geleverde terrein omschreven als ”een perceel grond, (...), waarvan de opstallen zijn gesloopt, en welk perceel bestemd is tot de bouw van woningen/kantoren”.

4.1.3. Op 19 mei 2000 waren de sloopwerkzaamheden waartoe belanghebbende opdracht had gegeven, nog niet voor het gehele terrein afgerond. Op een gedeelte van het terrein waren de bestaande opstallen deels gesloopt.

4.2. In aanvulling op die feiten neemt het Hof - als door een partij gesteld en niet of onvoldoende weersproken - als vaststaand aan dat het terrein, groot ongeveer 60 are, in het centrum van de gemeente [Q] ligt en voorts dat belanghebbende in verband met en bij het aangaan van de transacties serieus van plan is op deze locatie 6000 m² kantoorruimte en circa 100 appartementen te realiseren. In opdracht van belanghebbende zijn in 1998 en 1999 door [B] te [R] plannen ontwikkeld te komen tot deze nieuwbouw. Indiening van de bouwplannen is op 25 februari 1999 door de gemeente [Q] bevestigd. Volgens de notariële akte van 19 mei 2000 betreft het geleverde voorts ”(…) een perceel dat bestemd is tot de bouw van woningen/kantoren”.

Omschrijving geschil in hoger beroep na verwijzing

5.1. Na verwijzing is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of een bouwterrein is geleverd hetgeen in het bevestigende geval tot gevolg heeft dat belanghebbende terecht aftrek van voorbelasting heeft genoten. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing

7.1. Uit de in de procedure voorhanden zijnde gegevens, waaronder die uit het tot de gedingstukken behorende gespreksverslag van 1 juli 2004, leidt het Hof - kennelijk anders dan de Inspecteur - af dat in het geheel van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd voorafgaande aan de oplevering van de grond, naast de sloophandelingen, handelingen aan de grond zijn te onderkennen die zijn verricht met het oog op de bebouwing van de grond. Dat betekent dat die onroerende zaak kwalificeert als een bouwterrein en als zodanig bij de levering aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. Nu de in het geding zijnde voorbelasting - naar tussen partijen niet in geschil is - onmiddellijk en rechtstreeks verband houdt met die belaste levering, is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd.

7.2. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.139,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, in beroep en in hoger beroep: [(1 punt à € 161) plus (2 + 2 + 2) punten à € 322)] x 1,5 (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. De voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van € 276 en € 422, in totaal € 698, dienen aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

- vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.139,50, en

- gelast de Inspecteur de griffierechten van in totaal € 698 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 24 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.