Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1039

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
22-003830-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4212, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ3629, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ3629
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een politieagent. De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagent. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een tweetal politieauto’s en een personenauto door daar met haar auto tegen aan te rijden. Daarnaast heeft ze onder invloed van alcohol gereden.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden. Als bijzondere voorwaarde stelt ze de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland. Verder wordt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren ontnomen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 8
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/46

Uitspraak

Rolnummer: 22-003830-11

Parketnummer: 09-900090-11

Datum uitspraak: 26 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 augustus 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1984,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - verplicht reclasseringscontact. Ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde is de verdachte voorts veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren. Ter zake van het onder 4 ten laste gelegde is de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [functieomschrijving] bij het Korps Landelijke Politiediensten, [slachtoffer], gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/diens bediening van het leven te beroven, opzettelijk met een (personen)auto weg is gereden, terwijl voornoemde [slachtoffer] zich met zijn arm, althans een deel van het lichaam, in de (raamopening van de) auto bevond en/of met die personenauto vervolgens is blijven rijden en/of (extra) gas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer], [functieomschrijving] bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (afwijkende beweeglijkheid/functie schouder door botbreuk schouderkop), heeft toegebracht, door opzettelijk met een (personen)auto weg te rijden, terwijl voornoemde [slachtoffer] zich met zijn arm, althans een deel van het lichaam, in de (raamopening van de) auto bevond en/of met die personenauto vervolgens te blijven rijden en/of (extra) gas te geven;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], [functieomschrijving] bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/diens bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto weg is gereden, terwijl voornoemde [slachtoffer] zich met zijn arm, althans een deel van het lichaam, in de (raamopening van de) auto bevond en/of met die personenauto vervolgens is blijven rijden en/of (extra) gas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], [functieomschrijving] bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een whiplash en/of kneuzing van de nek en/of nekspieren), heeft toegebracht, door opzettelijk met haar (verdachtes) auto, een (politie)auto te rammen en/of tegen een (politie)auto aan te rijden, terwijl die [slachtoffer 2] met een been in die (politie)auto stond en met een (ander) been buiten die politieauto;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], in dienst bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/diens bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar, verdachtes auto, een (politie)auto heeft geramd en/of tegen een (politie)auto is gereden, terwijl die [slachtoffer 2] met een been in die auto stond en met een been buiten de auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2], in dienst bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, heeft mishandeld, door met haar, verdachtes auto, een (politie)auto heeft geramd en/of tegen een (politie)auto is gereden, terwijl die [slachtoffer 2] met een been in die auto stond en met een been buiten de auto, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto en/of twee, althans een of meer, (politie)auto's, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of Politie Haaglanden en/of het Korps Landelijke Politiediensten, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met haar, verdachtes, auto tegen die auto('s) aan te rijden;

4.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (te weten een (personen)auto, Renault Twingo [kentekennr.]), daarmee rijdende op het Erasmusplein en/of de Midachtenweg en/of de Zijpendalstraat en/of de Troelstrakade, als volgt heeft gehandeld: zij heeft rijdende op diverse wegen te 's-Gravenhage geen gevolg gegeven aan een voor haar rijrichting bestemd rood licht en/of zij is (een) kruising(en) met een (te) hoge snelheid overgestoken en/of zij heeft (een) stopteken(s) (middels een matrixbord en/of verbaal met behulp van een megafoon en/of met een gericht (dienst)pistool) van de politie genegeerd en/of zij heeft (geparkeerde) auto('s) aangereden en/of zij heeft politievoertuig(en) aangereden (terwijl hier een persoon voor een deel in de auto stond) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

5.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 445 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feit 2 primair

Met de advocaat-generaal en de rechtbank acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. Primair

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer], [functieomschrijving] bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening van het leven te beroven, opzettelijk met een personenauto weg is gereden, terwijl voornoemde [slachtoffer] zich met zijn arm in de raamopening van de auto bevond en met die personenauto vervolgens is blijven rijden en extra gas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Subsidiair

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], in dienst bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar, verdachtes auto, tegen een politieauto is gereden, terwijl die [slachtoffer 2] met een been in die auto stond en met een been buiten de auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto en twee politieauto's, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of Politie Haaglanden en/of het Korps Landelijke Politiediensten, heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met haar, verdachtes, auto tegen die auto's aan te rijden;

4.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto, Renault Twingo [kentekennr.]), daarmee rijdende op het Erasmusplein en/of de Midachtenweg en/of de Zijpendalstraat en/of de Troelstrakade, als volgt heeft gehandeld: zij heeft rijdende op diverse wegen te 's-Gravenhage geen gevolg gegeven aan een voor haar rijrichting bestemd rood licht en zij is kruisingen met een te hoge snelheid overgestoken en zij heeft stoptekens (middels een matrixbord en verbaal met behulp van een megafoon en met een gericht dienstpistool) van de politie genegeerd en zij heeft een geparkeerde auto aangereden en zij heeft politievoertuigen aangereden door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

5.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 445 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu geen sprake is van opzet op de dood van het slachtoffer, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is het volgende gebleken. Hoofdagent [slachtoffer] heeft de verdachte op 23 januari 2011 op de Kraijenhoffstraat te Den Haag aangesproken op haar rijgedrag. Vervolgens heeft hij zijn arm door het half geopende raam aan de bestuurderszijde van de auto van de verdachte gestoken, teneinde het autoportier te kunnen openen. Daarop heeft de verdachte gas gegeven en is zij weggereden. [slachtoffer], die zich nog met zijn arm in de raamopening van de auto van de verdachte bevond en met de auto mee rende, heeft de verdachte meermalen gemaand te stoppen. De verdachte verhoogde evenwel haar snelheid. De verdachte heeft een scherpe bocht naar links genomen waardoor haar auto op de Hoefkade, een doorgaande weg met veel verkeer, terecht kwam. Op de Hoefkade heeft de verdachte haar snelheid verhoogd en haar auto naar de linkerzijde van die weg gestuurd, waar paaltjes stonden. Vervolgens is [slachtoffer] aan de linkerzijde van de weg ten val gekomen. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat zij, toen [slachtoffer] 'aan haar raam hing', dacht: "Wat moet ik hiermee, gewoon doorgassen, hij laat vanzelf wel los" en dat zij toen is weggereden.

Door op de hiervoor beschreven wijze te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof welbewust de

- naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten - kans aanvaard dat het slachtoffer door haar handelen dodelijk letsel zou oplopen, zodat het hof opzet in de zin van voorwaardelijk opzet bewezen acht.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een politieagent. De verdachte is met haar personenauto weggereden terwijl die politieagent zich met zijn arm in de raamopening van haar auto bevond. De verdachte heeft daarbij haar snelheid verhoogd, een scherpe bocht naar links genomen en haar auto naar de linkerzijde van de weg gestuurd, waar meerdere geparkeerde auto's alsmede paaltjes stonden. Aldaar is de agent ten val gekomen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagent door met haar auto tegen een politieauto aan te rijden, terwijl die politieagent met één been in de politieauto stond en met één been buiten de politieauto.

Aldus heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Misdrijven als de onderhavige veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers alsook bij de maatschappij in het algemeen. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de slachtoffers afgelegde verklaringen blijkt dat zij lange tijd hebben geleden onder de lichamelijke en psychische gevolgen van deze gebeurtenissen.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan beschadiging van een tweetal politieauto's en een personenauto door daar met haar auto tegen aan te rijden. Aldus heeft de verdachte de benadeelden overlast en financiële schade bezorgd.

Daarnaast heeft de verdachte zich als bestuurder van een personenauto op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de openbare weg, alsook aan rijden onder invloed van alcohol. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van miskenning van haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en heeft zij bovendien de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het met betrekking tot de verdachte uitgebrachte Reclasseringsadvies d.d.

16 juni 2011 en de rapportage van dr. M. ten Berge, psycholoog, d.d. 16 juni 2011. Hieruit blijkt dat gezien verdachtes angstproblematiek, persoonlijkheidsstructuur en verslavingsgevoeligheid de kans op recidive, vooral in ongestructureerde of stressvolle situaties, niet geheel kan worden uitgesloten. Behandeling op de gebieden middelengebruik, delictgedrag, impulsiviteit, inzicht in persoonlijkheidsstructuur, medicamenteuze behandeling, traumatische ervaringen uit het verleden en maatschappelijk herstel is geïndiceerd teneinde de kans op recidive te kunnen verminderen. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - verplicht reclasseringscontact.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat ter zake van de onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 5 bewezen verklaarde misdrijven een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, alsmede - ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde - een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De omstandigheid dat het rijbewijs van de verdachte door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen ongeldig is verklaard, zoals de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, doet aan dit oordeel niet af.

Ten aanzien van de onder 4 bewezen verklaarde overtreding overweegt het hof dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd nu de straf voor dit feit naar het oordeel van het hof voldoende is verdisconteerd in de ter zake van de overige feiten opgelegde straf.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, vermeld onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 862,58 respectievelijk € 5000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot deze in eerste aanleg volledig toegewezen bedragen.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 862,58 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde.

Voorts is naar 's hofs oordeel aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven

van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-.

De vordering van de benadeelde partij zal mitsdien volledig worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 277,32 respectievelijk € 5000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 277,32 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde.

Voorts is naar 's hofs oordeel aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven

van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 4.000,-. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 850,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 500,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.862,58 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.277,32 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 33, 33a, 36f, 45, 57, 62, 287, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 5 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien deze voorschriften en aanwijzingen inhouden het volgen van een ambulante behandeling.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: personenauto.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.862,58 (vijfduizend achthonderdtweeënzestig euro en achtenvijftig cent) - bestaande uit € 862,58 (achthonderdtweeënzestig euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade - en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 5.862,58 (vijfduizend achthonderdtweeënzestig euro en achtenvijftig cent)

- bestaande uit € 862,58 (achthonderdtweeënzestig euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.277,32 (vierduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en tweeëndertig cent) - bestaande uit € 277,32 (tweehonderdzevenenzeventig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade - en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 4.277,32 (vierduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en tweeëndertig cent)

- bestaande uit € 277,32 (tweehonderdzevenenzeventig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 500,- (vijfhonderd euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. U. van de Pol en mr. E.P.J. Myjer, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 maart 2012.

Mr. U. van de Pol en mr. E.P.J. Myjer zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.