Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1024

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
22-004371-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en aan mishandeling met voorbedachten rade.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Verder wordt aan de verdachte een werkstraf opgelegd voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004371-10

Parketnummer: 09-030778-10

Datum uitspraak: 12 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 18 augustus 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 27 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 november 2009 te Hillegom, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zichtbaar een hamer en/of een (hak)bijl vastgehouden en/of zwaaiende bewegingen met een hamer en/of (hak)bijl gemaakt (in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "moet je hier komen, naar binnen dan maak ik je kapot" en/of "Kom maar, ik ram hem in je. Kom je spullen maar halen binnen, als je durft. Ik maak je kapot!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 30 november 2009 te Hillegom, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk in het gezicht althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of (tegen de grond) heeft geduwd en/of tegen het lichaam en/of de/een be(e)n(en) heeft geschopt, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 november 2009 te Hillegom, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zichtbaar een hamer en/of een (hak)bijl vastgehouden en zwaaiende bewegingen met een hamer en/of (hak)bijl gemaakt en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "moet je hier komen, naar binnen dan maak ik je kapot" en "Kom maar, ik ram hem in je. Kom je spullen maar halen binnen, als je durft. Ik maak je kapot!";

2.

hij op 30 november 2009 te Hillegom, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en tegen de grond heeft geduwd en tegen het lichaam heeft geschopt, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Beroep op noodweer(exces)

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte betoogd dat hij ter zake van het onder 2 tenlastegelegde heeft gehandeld uit noodweer dan wel dat hem een beroep op noodweerexces toekomt, en dat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - dat [slachtoffer 1], na de verdachte eerst te hebben bekogeld met een bierblikje en met een stuk hout te hebben geslagen op zijn auto, met een stuk hout tegen de voordeurruit van een woning sloeg waar de verdachte zich op dat moment bevond. De verdachte zag dat bij de woning tevens kinderen aanwezig waren en zag [slachtoffer 1] met het stuk hout op hem af komen. De verdachte zag zich derhalve geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en heeft daarop, aldus de verdediging, gereageerd door [slachtoffer 1] op te zoeken en hem vervolgens te slaan.

Het hof overweegt als volgt en stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 30 november 2009 bevond de verdachte zich in een woning van een vriend aan de Lijsterbeslaan te Hillegom. In die woning waren toen naast die vriend een vrouw en drie kinderen (5, 8 en 9 jaar oud) aanwezig. Op dat moment was er een ruzie gaande tussen de verdachte en [slachtoffer 1], die eerder die avond een bierblikje naar de auto van verdachte had gegooid. Op enig moment zag de verdachte dat [slachtoffer 1] met een stuk hout op zijn auto sloeg en vervolgens tegen de voordeurruit van de woning. De politie kwam vervolgens. De verdachte is daarop op zoek gegaan naar [slachtoffer 1] en heeft zich daartoe naar de Hoftuin in Hillegom begeven, waar hij [slachtoffer 1] heeft gestompt/geslagen, geduwd en geschopt. Tegenover de politie heeft de verdachte hierover op 1 december 2009 verklaard dat het zijn bedoeling was "de eerste klap en zo hard mogelijk aan [slachtoffer 1] te geven".

Naar het oordeel van het hof kon het agressieve gedrag van [slachtoffer 1] door de verdachte weliswaar als een aanranding dan wel als een dreiging daarvoor worden opgevat, doch het vervolgens door de verdachte vertoonde gedrag kan niet worden beschouwd als te zijn geboden door verdachtes verdediging. Het hof overweegt hiertoe dat van de verdachte kon en mocht worden verlangd dat hij, nadat [slachtoffer 1] de omgeving van de Lijsterbeslaan had verlaten en de politie was gekomen, het optreden van de politie jegens [slachtoffer 1] had afgewacht. De verdachte heeft dit evenwel niet gedaan, doch heeft zich bewust naar de Hoftuin begeven teneinde [slachtoffer 1] daar op te zoeken, waarna hij hem heeft gestompt/geslagen, geduwd en geschopt. Aldus is het de verdachte die in de Hoftuin bewust de confrontatie heeft gezocht.

Voormeld gedrag van de verdachte kan noch op grond van zijn bedoeling, noch naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als verdedigend, maar vormt naar de kern bezien een (tegen)aanval. Nu de gedragingen van de verdachte als aanvallend zijn te kwalificeren en niet door zijn verdediging waren geboden, faalt zowel het beroep op noodweer als het beroep van noodweerexces. De door de handelingen van [slachtoffer 1] in de Lijsterbeslaan bij de verdachte opgeroepen emoties doen daar niet aan af.

De verweren worden derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Strafbaarheid van de verdachte

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de wijze als verwoord in de bewezenverklaring schuldig gemaakt aan bedreiging. Door aldus te handelen heeft de verdachte gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt bij het slachtoffer en de overige aanwezigen in de woning en in de nabijheid van die woning. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling met voorbedachten rade, waarmee hij inbreuk gemaakt heeft op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor bedreigingen en geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof constateert dat de termijn van inzending van de stukken van het geding na het instellen van het hoger beroep met ongeveer drie maanden is overschreden. Nu het hof de zaak binnen negentien maanden na het instellen van het hoger beroep afdoet, waardoor de overschrijding in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in hoger beroep - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285 en 301 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz,

mr. S.K. Welbedacht en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 maart 2012.