Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1011

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
22-006136-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7743, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof bevestigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de verdachte voor ontucht met minderjarige tot een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van voorarrest. Verder wordt de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer voor materiële en immateriële schade toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-006136-11

Parketnummer: 09-925465-11

Datum uitspraak: 5 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1936,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te 's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 5 december 1997 tot en met 26 augustus 2003 te 's-Gravenzande en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, met [slachtoffer] (geboren [geboortejaar] 1991), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- de borsten van die [slachtoffer] betast en/of

- zijn vinger in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of

- die [slachtoffer] gedwongen tot het vingeren van zichzelf en/of hiervan films en/of foto's gemaakt en/of

- die [slachtoffer] gedwongen tot het vaginaal naar binnen brengen van verschillende voorwerpen (een pen en/of een dildo en/of een vibrator) en/of;

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] een dildo in zijn, verdachtes, anus laten brengen/duwen en/of;

- die [slachtoffer] tepelklemmen met stroom erop laten dragen en/of die [slachtoffer] (vervolgens)stroomstoten gegeven

- die [slachtoffer] de bediening van een stroomapparaat met tepelklemmen die hij, verdachte, op zijn tepels had aangesloten, gegeven en/of die [slachtoffer] hem stroomstoten laten geven en/of

- een dildo en/of vibrator in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en/of

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] opgesloten in de kelder en/of aan de muur vastgebonden;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van

27 augustus 2003 tot en met 31 december 2006 te

's-Gravenhage, met [slachtoffer] (geboren [geboortejaar] 1991) die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- de borsten van die [slachtoffer] betast en/of

- zijn vinger in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of

- die [slachtoffer] gedwongen tot het vingeren van zichzelf en/of hiervan films en/of foto's gemaakt en/of

- die [slachtoffer] gedwongen tot het vaginaal naar binnen brengen van verschillende voorwerpen (kneedgum en/of een pen en/of een dildo en/of een vibrator) en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] een dildo in zijn, verdachtes, anus laten brengen/duwen en/of

- die [slachtoffer] tepelklemmen met stroom erop laten dragen en/of die [slachtoffer] (vervolgens)stroomstoten gegeven

- die [slachtoffer] de bediening van een stroomapparaat met tepelklemmen die hij, verdachte, op zijn tepels had aangesloten, gegeven en/of die [slachtoffer] hem stroomstoten laten geven en/of

- een dildo en/of vibrator in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en/of

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] opgesloten in de kelder en/of aan de muur vastgebonden en/of

- (vervolgens) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve voor wat betreft de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij.

Het vonnis moet op dat onderdeel worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Het hof overweegt ter aanvulling van de strafmotivering voorts dat de verdachte het hof, door desbewust niet ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, op geen enkele wijze ruimte heeft gegeven om een lagere straf dan de in eerste aanleg opgelegde straf op te leggen.

Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en neemt het hof die over, zodat het vonnis in zoverre, met de aanvulling als voormeld, dient te worden bevestigd.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 17.559,26, bestaande uit een bedrag van EUR 2.559,26 aan materiële schade en EUR 15.000,00 aan immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich, voor zover zonder onevenredige belasting van het strafgeding kan worden vastgesteld, - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 15.000,00.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat materiële schade tot een bedrag van

EUR 170,00 is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde.

Voor het overige levert de behandeling van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 15.170,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 15.170,00 (vijftienduizend honderdzeventig euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 15.170,00 (vijftienduizend honderdzeventig euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met de aanvulling van de strafmotivering als voormeld, voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. R.M. Bouritius en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 april 2012.