Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0992

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
22-004195-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door het slachtoffer met een mes in de buik te steken, als gevolg waarvan het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verder stelt ze als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Den Haag moet bevinden.

Daarnaast wordt de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004195-10

Parketnummer: 09-757297-10

Datum uitspraak: 5 april 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9 juni 2011 en 22 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de primair, impliciet primair, ten laste gelegde poging tot moord vrijgesproken en ter zake van de primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact. Voorts is een beslissing gegeven omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 15 februari 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes in de buik/zij en/of (meermalen) in de arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 15 februari 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met een mes in de buik/ zij en/of (meermalen) in de arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet is komen vast te staan dat de verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft getracht de aangever dodelijk te verwonden. De verdachte zal derhalve - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en dat van de verdediging - worden vrijgesproken van de primair, impliciet primair, ten laste gelegde poging tot moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 februari 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw

- overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota - primair aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, nu

[slachtoffer], de aangever, de verdachte bij de keel greep en in een hoek van de lifthal duwde. De verdachte heeft in reactie hierop een mes uit zijn jaszak gehaald en daarmee stekende bewegingen in de richting van de aangever gemaakt en daarbij de aangever in de buik gestoken. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat sprake was van noodweerexces.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep staat vast dat de verdachte de woning van zijn toenmalige vriendin had verlaten, nadat hij daar ruzie had gehad met haar en met haar nieuwe vriend, aangever [slachtoffer]. De aangever is de verdachte gevolgd naar de lifthal. Daar werd de verdachte door de aangever bij zijn keel vastgepakt en in een hoek geduwd. Het hof is - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en dat van de verdediging - van oordeel dat het handelen van de aangever een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van de verdachte oplevert.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is daarnaast echter vereist dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke (zelf)verdediging, en derhalve dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van het hof voldoet het handelen van de verdachte daaraan niet, nu de verdachte de ongewapende aangever vrijwel direct na de aanval in de buik heeft gestoken, zonder eerst te waarschuwen voor het mes of te dreigen met een messteek. Dat de verdachte daartoe niet in staat zou zijn geweest omdat zijn keel dusdanig werd dichtgeknepen dat dat voor hem onmogelijk was, is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en met name uit de gemaakte camerabeelden niet gebleken. Het hof acht het handelen van de verdachte disproportioneel, nu de gekozen gedraging van de verdachte - als verdedigingsmiddel - in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweer.

Voorts acht het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de ter zitting getoonde camerabeelden, niet aannemelijk geworden dat het disproportionele handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding is veroorzaakt. De verdediging heeft haar stelling dat sprake is van noodweerexces niet of nauwelijks met feiten en/of omstandigheden onderbouwd, terwijl ook overigens uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte als gevolg van een zodanige gemoedsbeweging heeft gehandeld. Het beroep op noodweerexces wordt daarom eveneens verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van de bewijsmiddelen, behoudens ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, zoals vermeld in de overgelegde schriftelijke requisitoiraantekeningen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door het slachtoffer met een mes in de buik te steken, als gevolg waarvan het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat het slachtoffer geen blijvend letsel heeft opgelopen, is geenszins aan verdachte te danken. Met deze handelwijze heeft de verdachte op een grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent dit handelen de verdachte aan, maar weegt in het voordeel van de verdachte ook mee dat de verdachte heeft gestoken als reactie op een aanval die door het slachtoffer is ingezet.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof voorts in aanmerking genomen de Pro Justitia rapportages van 6 juli 2010 van psycholoog drs. A.L. Faas, respectievelijk van 17 juni 2010 van psychiater drs. S.J. Hogerzeil. Uit deze rapporten blijkt dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, met een gestoorde impuls- en agressiecontrole, een hechtingsproblematiek en gebrekkig zicht op eigen emoties, motieven en gedragingen. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en de rapporteurs achten de verdachte daarom licht verminderd toerekeningsvatbaar. Geadviseerd wordt aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact en een ambulante behandelverplichting op te leggen.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de voorlichtingsrapportages van de reclassering van 27 april 2010 en 15 juni 2010. In het laatstgenoemde rapport conformeert de reclassering zich aan het advies zoals vermeld in de hiervoor genoemde Pro Justitia rapportages.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder eenmaal ter zake van openlijke geweldpleging.

Het hof is - alles overwegende en overeenkomstig het gegeven strafadvies - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur onder de bijzondere voorwaarde als hierna vermeld een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer]zich als benadeelde partij gevoegd. Als gemachtigde heeft

mr. H. Sytema een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder primair en subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.218,95, te weten € 718,95 ter zake van materiële schade en € 1.500,- ter zake van immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500,- ter zake van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkheid voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij - voor toewijzing tot een bedrag van € 750,-. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige

niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorzover de vordering ziet op de gestelde materiële schade, is het hof van oordeel dat de vordering, mede gelet op de verklaring van de benadeelde partij bij de rechter-commissaris dat hij de vordering heeft willen onderbouwen met bonnen die geen betrekking hebben op de beschadigde goederen, onvoldoende onderbouwd is en dat het vaststellen van de mate van toerekening van de schade aan de verdachte niet eenvoudig is, zodat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel

niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 750,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Den Haag en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien deze voorschriften en aanwijzingen inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag, of een soortgelijke instelling.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,-(zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 750,-(zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. C.J. van der Wilt en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 april 2012.

Datum Uitspraak: 5-4-2012 Instantie: Gerechtshof 's-Gravenhage Zaaknummer: 22-004195-10.a

Datum Opslag: 5-4-2012 Sector: Straf Concipiënt: sabatiec

Opmerking(en):

- 9 - 22-004195-10

Datum Uitspraak: 5-4-2012 Instantie: Gerechtshof 's-Gravenhage Zaaknummer: 22-004195-10.a

Datum Opslag: 5-4-2012 Sector: Straf Concipiënt: sabatiec

Opmerking(en):