Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0966

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
22-005166-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:14, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak in vereniging en een poging tot diefstal uit een woning. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de schuldheling van een televisie.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005166-10

Parketnummer: 09-757103-10

Datum uitspraak: 22 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 oktober 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te '[geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,

[adres]:.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 primair en subsidiair en 7 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 61 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij akte van 5 maart 2012 heeft verdachte het hoger beroep ingetrokken wat betreft de feiten 3, 5, 6 en 7, onder handhaving van het appel voor het overige.

De ontvankelijkheid in het appel van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnotities op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het appel dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie geen nadere appelschriftuur heeft ingediend waarin het appel wordt gemotiveerd, zodat niet voldaan is aan het in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, bepaalde.

Het hof overweegt als volgt.

In het procesdossier bevindt zich een op 14 oktober 2010 ter griffie ontvangen 'schriftuur hoger beroep OM ex art. 410 Sv', waarin wordt opgegeven dat de officier van justitie zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechtbank omtrent de bewezenverklaring. Als motivering wordt vermeld dat de verdachte is vrijgesproken met betrekking tot feit 3 en 7. Op het formulier staat voorts, voor zover hier van belang, aangekruist dat de officier van justitie, indien nodig, na kennisneming van het vonnis een aanvulling op de schriftuur zal indienen.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat er een appelschriftuur is ingediend door het openbaar ministerie, die de grieven van het openbaar ministerie tegen het vonnis bevat. Dat de bezwaren niet uitgebreid zijn opgegeven en mogelijk na kennisneming van het vonnis zouden worden aangevuld, maakt naar 's hofs oordeel nog niet dat daarmede niet zou zijn voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie kan dan ook worden ontvangen in het ingestelde appel.

Verzoek tot heropening onderzoek

Bij brief van 9 maart 2012 heeft de advocaat-generaal verzocht om heropening van het onderzoek. Een kopie van deze brief is aan de raadsman van verdachte gezonden.

Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat de ter terechtzitting van 8 maart 2012 gehoorde getuige mevrouw [getuige 1] thans graag alsnog een juiste verklaring zou willen afleggen, volgens een telefonische mededeling van een niet nader geïdentificeerd persoon die beweert haar huidige vriend te zijn en beweert namens genoemde getuige te spreken.

Het hof heeft bij de beoordeling van dit verzoek met name acht geslagen op hetgeen in dit verband is verhandeld tijdens het verhoor van de getuige [getuige 1] en is alles afwegend van oordeel dat er zelfs geen begin van aannemelijkheid aanwezig is voor de stelling dat het onderzoek ter terechtzitting terzake onvolledig is geweest, zodat het verzoek tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting op die grond reeds wordt afgewezen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2009 tot en met en 14 april 2010 te Rijswijk en/of Wateringen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een televisie (merk Samsung) en/of een houten sierlijst en/of een horloge (merk Guess) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde televisie en/of horloge wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2009 tot en met 27 december 2009 te Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan '[adres]) heeft weggenomen een televisie (merk Samsung) en/of een houten sierlijst en/of een horloge (merk Guess) en/of één of meer siera(a)d(en) en/of een spelcomputer en/of een computer (notebook) en/of een videocamera (merk Canon) en/of een videocamera (merk JVC), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door met een breekijzer, althans een hard voorwerp, een raam van een (achter)deur van voornoemde woning te verbreken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2010 tot en met 22 januari 2010 te Den Haag, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, althans een sleutel tot welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2010 tot en met 28 maart 2010, te Wateringen en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een hoeveelheid goud, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft vergedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2010 tot en met 28 maart 2010 te Wateringen en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een hoeveelheid goud heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goud wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 10 mei 2009 te Wateringen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand (gevestigd aan de [adres]) heeft weggenomen een kluis met inhoud (één of meer sleutel(s) en/of één of meer kentekenpapier(en) en/of een geldbedrag van (ongeveer) 1000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dakdekkersbedrijf Oranje Dak en/of [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming door met een hard voorwerp een ruit van een toegangsdeur van voornoemd bedrijf en/of een tussendeur van een kantoorruimte in te slaan;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 13 april 2010 te Wateringen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

6.

hij op of omstreeks 14 april 2010 te Wateringen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 157 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

7.

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2010 tot en met 14 april 2010 te Wateringen en/of Poeldijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) motorkap(pen), althans één of meer motoronderde(e)l(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) motorkap(pen), althans motoronderde(e)l(en) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair en subsidiair en 7 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging - behoort te worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van een getuige

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnotities verzocht om - indien het hof het onder 1 tenlastegelegde bewezen zou verklaren - de heer [getuige 2] als getuige te horen, nu deze in voor de verdachte ontlastende zin zou kunnen verklaren.

Het hof wijst dit verzoek af, nu het het horen van deze getuige niet noodzakelijk acht voor enige door het hof te nemen beslissing. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [getuige 2], blijkens het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 24 april 2010, met proces-verbaalnummer PL1506/2009/11273, als bijlage ZD/HT/V30 tot en met ZD/HT/V39 gevoegd bij het algemeen proces-verbaal 'Zakendossier Haantje' met proces-verbaalnummer 2009040175, onderzoek Smurrie team, d.d. 24 juni 2010, kennelijk over een andere televisie, namelijk met kast, verklaart, en niet over de in de tenlastelegging bedoelde televisie met een plat beeldscherm. Mitsdien kan het hof zijn verklaring in ontlastende noch belastende zin voor het bewijs van dit feit bezigen, een en ander mede gelet op de verklaring van de verdachte zoals weergegeven in het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 april 2010, met proces-verbaalnummer PL1506/2009/11273, als bijlage ZD/HT/V01 tot en met ZD/HT/V12 gevoegd bij voormeld algemeen proces-verbaal, waarin sprake is van een plasma televisie, alsmede de aangifte d.d. 10 januari 2010 van [benadeelde partij 1], met proces-verbaalnummer PL1561.561.2009.425, gevoegd als bijlage A bij eerdergenoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat een plasma-televisie merk Samsung is gestolen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2009 tot en met en 14 april 2010 te Wateringen, in elk geval in Nederland, een televisie (merk Samsung) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde televisie redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij in de periode van 21 januari 2010 tot en met 22 januari 2010 te Den Haag, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van een valse sleutel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 10 mei 2009 te Wateringen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand (gevestigd aan de [adres]) heeft weggenomen een kluis met inhoud (sleutels en kentekenpapieren en een geldbedrag van ongeveer 1000 euro), toebehorende aan Dakdekkersbedrijf Oranje Dak , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door middel van braak, door met een hard voorwerp een ruit van een toegangsdeur van voornoemd bedrijf in te slaan;

5.

hij in de periode van 1 februari 2010 tot en met 13 april 2010 te Wateringen, opzettelijk heeft geteeld hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

hij op 14 april 2010 te Wateringen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 157 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnotities betoogd dat het bewijs ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde onrechtmatig is verkregen. De raadsman baseert dit standpunt - verkort en zakelijk weergegeven - op de stelling dat onrechtmatig gebruik is gemaakt van de bijzondere opsporingsbevoegdheden ex artikelen 126g en 126m van het Wetboek van Strafvordering, nu voor de door de rechter-commissaris afgegeven machtigingen tot stelselmatige observatie en tot onderzoek van telecommunicatie, een concrete verdenking ter zake van een misdrijf dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, in de richting van de verdachte ontbrak. Volgens de raadsman is dientengevolge sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, waarvan het gevolg dient te zijn dat, waar het daaruit voortvloeiende onderzoek als onrechtmatig moet worden beschouwd, de daaruit verkregen resultaten moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting

op het standpunt gesteld dat - verkort en zakelijk weergegeven - de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn beslissingen tot het afgeven van voormelde machtigingen heeft kunnen komen, nu in zijn visie wel degelijk sprake was van een concrete verdenking. Volgens de advocaat-generaal kan het bewijsmateriaal dat als gevolg van de bevoegdheden is vergaard derhalve voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof overweegt het volgende.

Nu het hof geen gebruik zal maken van het bewijsmateriaal dat door de stelselmatige observatie ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering is vergaard en verdachte in dat opzicht niet in zijn belangen kan zijn geschaad, behoeft het terzake gevoerde betoog reeds om die reden geen bespreking.

Met betrekking tot het bewijsmateriaal dat ten gevolge van het onderzoek van telecommunicatie als bedoeld in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering is verkregen, overweegt het hof als volgt.

In het procesdossier bevindt zich een schriftelijke vordering d.d. 18 januari 2010, als bijlage MPV/J.KL 2 26 tot en met MPV/J.KL 2 27 gevoegd bij het proces-verbaal relaterende de in het onderzoek ingezette (bijzondere) opsporingsmethoden/-bevoegdheden ('Methodiekenproces-verbaal Klopstra') d.d. 25 juni 2010, met proces-verbaalnummer 1506/2009/11273, waarin de rechter-commissaris wordt gevorderd tot afgifte van een machtiging ex artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering. Blijkens deze vordering en de daarop verleende machtiging van de rechter-commissaris d.d. 18 januari 2010, als bijlage MPV/J.KL 2 28 gevoegd bij voormeld proces-verbaal, is deze vordering gegrond op verdenking van overtreding van de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Bij de vordering en het bevel tot opname van telecommunicatie is een proces-verbaal van de regiopolitie Haaglanden, team Smurrie, d.d. 14 januari 2010, met proces-verbaalnummer BVH2009040175 gevoegd, welk proces-verbaal informatie bevat waaruit verdenkingen naar voren komen van betrokkenheid van de verdachte bij een inbraak in 't Haantje 25 en een poging tot inbraak in 't Haantje 10. De bronnen van deze informatie worden in genoemd proces-verbaal met naam en toenaam genoemd. De gerelateerde informatie is voldoende concreet en specifiek om een zodanige mate van verdenking ten aanzien van verdachte te doen ontstaan als vereist is in het kader van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering. In voormeld proces-verbaal wordt vermeld dat, teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de rol van de verdachte en die van anderen in zijn omgeving ter zake van inbraken en weggenomen goederen, het van belang wordt geacht inzicht te verkrijgen in het communicatieverkeer bij de verdachte. Voorts wordt daarin gerelateerd dat tegen de verdachte de verdenking bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, die gezien hun aard of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

Gelet op het vorenstaande is het hof - met inachtneming van de door het hof te betrachten marginale toetsing in dezen - van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen om de machtiging ex artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering af te geven. Het bewijsmateriaal dat als gevolg van de toepassing van deze bijzondere opsporingsbevoegdheid is vergaard, kan mitsdien voor het bewijs worden gebezigd.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering

Bij de bewezenverklaring van het tenlastegelegde heeft het hof de verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 21 mei 2009, zoals zij die blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal tegenover de politie heeft afgelegd, tot het bewijs laten meewerken, nu het deze verklaring betrouwbaar acht.

Het hof stelt daarbij voorop dat - voor zover met het oog op de gebezigde bewijsmiddelen van belang - haar verklaring zodanige details bevat, dat deze naar 's hofs oordeel niet anders kunnen worden beschouwd dan direct dan wel indirect afkomstig van de verdachte of zijn mededader. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat haar verklaring op specifieke punten door andere bewijsmiddelen is bevestigd. Dat zij deze verklaring bij een latere gelegenheid heeft ingetrokken, maakt dat oordeel niet anders, mede gelet op het feit dat de verbalisant die haar destijds heeft gehoord ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd dat het originele proces-verbaal van verhoor d.d. 21 mei 2009 was ondertekend door [getuige 1] en de verbalisant, en dat het in het procesdossier gevoegde exemplaar kopie conform origineel is.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaring van [getuige 1] d.d. 21 mei 2009 dan ook voldoende betrouwbaar om te bezigen voor het bewijs.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnotities betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen, nu de verdachte de van enig misdrijf afkomstige televisie niet voorhanden heeft gehad. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte de televisie enkel had doorverkocht, waardoor de tenlastegelegde heling niet kan worden bewezen.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit de door het hof als bewijsmiddel gebezigde aangifte d.d. 10 januari 2010 van [benadeelde partij 1], met proces-verbaalnummer PL1561.561.2009.425, gevoegd als bijlage A bij eerdergenoemd proces-verbaal, blijkt dat een plasma televisie van het merk Samsung gestolen is, dat de echtgenote van de aangever de televisie niet mooi vond en dat de aangever en zijn echtgenote besloten een lijst om de televisie te laten maken zodat die een beetje op een schilderij lijkt. De houten lijst was met klittenband aan de televisie bevestigd. Bij de inbraak is de televisie middels een koevoet van de muur verbroken. Hierbij is een stuk van de achterzijde van de televisie gebroken, een zwart stuk plastic van 10 x 10 cm. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte op 18 januari 2010 met [benadeelde partij 2] onderhandelt over de prijs van een televisie met een beschadiging aan de achterkant en dubbelzijdig tape. Tevens spreekt hij met zijn zus [getuige 3] over een sierlijst die op die televisie zou passen. De verdachte zelf verklaart op 15 april 2010 dat hij de televisie wilde verkopen. Hij stond naast hem toen hij hem wilde verkopen. Hij had die lijst (proces-verbaalnummer PL1506/20089/11273, V02).

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de verdachte als heer en meester over de televisie heeft beschikt en deze voorhanden heeft gehad als bedoeld in artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Verweer van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft voorts overeenkomstig zijn pleitnotities betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de sleutel waarmee de verdachte de deur heeft willen openen, een absoluut ondeugdelijk middel vormde om toegang te verkrijgen tot de desbetreffende woning. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de sloten van de woning waren vervangen, zodat het volstrekt onmogelijk was om in de woning in te breken. Volgens de raadsman is de verdachte mitsdien niet strafbaar ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in januari 2010 beschikte over de sleutel van de woning aan de [adres] te Den Haag, afkomstig van de dochter des huizes. De bewoner van die woning heeft daarop, nadat hij vernomen had dat zijn stiefdochter haar sleutel had verloren, de cilinders van de sloten laten vervangen. Tussen 21 en 22 januari 2010 heeft de verdachte vervolgens samen met [medeverdachte 2] getracht met deze sleutels de sloten van de woning te openen. Dit bleek echter niet te lukken, nu de sleutel wel in het slot kon worden gestoken, maar vervolgens niet kon worden omgedraaid.

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de sleutel op zichzelf niet ondeugdelijk was, doch enkel in relatie tot de gewijzigde sloten. Nu het streven van de verdachte derhalve had kunnen slagen mits de cilinders van de sloten inmiddels niet waren vervangen, waar de verdachte en zijn mededader, mede gelet op afgeluisterde telefoongesprekken, kennelijk niet van uit zijn gegaan bij de beraming van deze diefstal via het betreden van die woning door gebruik te maken van de door hen verkregen sleutel toebehorende aan een van de bewoners van de betreffende woning, is naar 's hofs oordeel geen sprake van een situatie waarin de strafbaarheid van het feit of de verdachte weggenomen is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

schuldheling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met verbetering van gronden.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak in vereniging en een poging tot diefstal uit een woning. Dergelijke feiten veroorzaken naast overlast, doorgaans ergernis en financiële schade voor de betrokkene. Bovendien dragen feiten als de onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de schuldheling van een televisie. Heling is een feit waarvan vanwege zijn aard een criminaliteitsbevorderende werking uitgaat, aangezien het een afzetmarkt creëert voor door misdrijf verkregen goederen.

De verdachte heeft voorts een hennepkwekerij in een schuur geëxploiteerd. Door aldus te handelen heeft de verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd en daarmee inbreuk op de rechtsorde gemaakt, met veronachtzaming van de ernstige risico's die dergelijke delicten voor de volksgezondheid opleveren.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor gekwalificeerde diefstal. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

In beslag genomen voorwerpen

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder 16, 17 en 35 op de in kopie bij dit arrest gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder 1A, 2A en 3A op de in kopie bij dit arrest gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen, die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 primair begane misdrijf zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 45, 47, 57, 63, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en subsidiair en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 61 (eenenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

16. telefoon Nokia zwart/grijs

17. telefoon Nokia zwart/goud

35. telefoon Samsung.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1A. pepperspray Trilliarde Police Action

2A. vuurwapen zwart

3A. munitie.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1B. beleenbewijs

2B. damesschoenen Uggs

3B. herenschoenen Asics

4. werphengel

5. beleenbewijs voor goud

6. spelcomputer Sony

7. Xbox

8. spelcomputer Sony

9. 2 DS kaart geheugenkaart

10. 2 USB-sticks MP3

11. USB-stick BMW

12. Italiaanse papieren, waarschijnlijk kentekenbewijs

scooter

13. horloge Emporio Armani

14. 2 papieren met nummers erop geschreven

15. 2 schriften met nummers erin geschreven

19. goudkleurige armband

20. 2 paar oorbellen

21. 2 kettingen

22. ketting

23. 2 ringen

24. 1 paar oorbellen

25. horloge Dolce & Gabbana

26. horloge Guess

27. beleenbewijs

28. beleenbewijs

29. 4 papieren met namen en nummers

30. USB-stick Kingston

31. USB-stick Tomtech

32. 1 DS doos Samsung

33. 1 paar oorbellen

34. ring in rode doos

36. 3 handschoenen

37. navigator TomTom

38. inruilbewijs juwelier

39. kentekenplaat DH-879-H

40. muntenverzameling.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

18. horloge Guess.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 maart 2012.