Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9776

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
22-003339-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met een ander gepoogd een bank op te lichten door ter verkrijging van een financiering voor de aankoop van een woning een valse boekhouding op te maken en aan die bank over te leggen.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis. De vordering tot schadevergoeding van benadeelde partijen wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003339-11

Parketnummer: 11-510122-07

Datum uitspraak: 14 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 5 juli 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1954 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 februari 2009, en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, achtste gedachtenstreepje (zaak 11) en het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en is hij ter zake van het onder 1 voor het overige, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en voorts is aan de verdachte de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot het uitoefenen van het beroep van financiële dienstverlener en/of het feitelijk leidinggeven aan een financiële onderneming en/of belastingadviseur voor de duur van 5 jaren opgelegd. De benadeelde partijen zijn in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 6 maart 2009 het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1, zaken 3, 4, 5, 6, 10, 13, 14, 17, 18 en 20, het onder 2 subsidiair, zaak 16, en het onder 3 tenlastegelegde. Van het onder 2 primair tenlastegelegde is de verdachte vrijgesproken. Ter zake van het onder 1, zaken 2, 8, 15 en 21, het onder 2 subsidiair, zaak 19, en het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de verdachte ontzet uit het recht tot het uitoefenen van het beroep van financiële dienstverlener en/of het feitelijk leidinggeven aan een financiële onderneming en/of belastingadviseur voor de duur van 5 jaren. De benadeelde partijen zijn - voor zover zij hun vorderingen in hoger beroep hadden gehandhaafd - in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 21 juni 2011 voormeld arrest, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en heeft de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op voormelde procesgang is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging, ook voor het onder 4 tenlastegelegde.

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ten aanzien van hetgeen onder feit 1, achtste gedachtenstreepje (zaak 11) is tenlastegelegd.

Waar hierna wordt gesproken van 'de zaak' of

'het vonnis', wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met

26 maart 2007 te Nieuw-Lekkerland en/of Gorinchem en/of Leerdam en/of Vlissingen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk nader te noemen geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten

- (zaak 2) een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal EUR 22.300,-) toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of

- (zaak 3) een geldbedrag (EUR 16.100,-) toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of de Rabobank en/of

- (zaak 4) een geldbedrag (EUR 5.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 3] en/of

- (zaak 5) een geldbedrag (EUR 1.1127,-)toebehorende aan [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5] en/of

- (zaak 6) een geldbedrag (EUR 6.100,-) toebehorende aan [benadeelde partij 6] en/of

- (zaak 8) een geldbedrag (EUR 40.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 7] en/of

- (zaak 10) een geldbedrag (EUR 3.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 8] en/of [benadeelde partij 9] en/of

- (zaak 13) een geldbedrag (EUR 788,-) toebehorende aan [benadeelde partij 10] en/of

- (zaak 14) een geldbedrag (EUR 2.131,-) toebehorende aan [benadeelde partij 11] en/of

- (zaak 15) een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal

EUR 7.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 12] en/of

- (zaak 17) een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal EUR 34.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 13] en/of [benadeelde partij 14] en/of

- (zaak 18) een geldbedrag (EUR 2.641) toebehorende aan [benadeelde partij 15] en/of [benadeelde partij 16] en/of

- (zaak 20) een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 20.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 17] en/of

- (zaak 21) een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal EUR 4.381,-) toebehorende aan [benadeelde partij 18]

en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn beroep van/als [functieomschrijving] en/of als [functieomschrijving] (werkzaam bij Index Financiële Diensten), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op een of meerdere tijdstipp(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 24 maart 2007 te Gorinchem en/of Leerdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de nader te noemen perso(o)(nen) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid te weten

- (zaak 16) een geldbedrag (EUR 10.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 19] in bewaring heeft/hebben genomen onder de toezegging dit geldbedrag (inclusief rente) terug te storten op een privé-rekening van die [benadeelde partij 19] en/of

- (zaak 19) een geldbedrag (EUR 2.027,-) toebehorende aan [benadeelde partij 20] in bewaring en/of ontvangst heeft/hebben genomen en/of (vervolgens) aan die [benadeelde partij 20] (per brief) heeft bericht dat genoemd geldbedrag doorgestort was in een (lijfrente)polis (als koopsomstorting) waardoor bovengenoemde perso(o)(nen) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 26 maart 2007 te Gorinchem en/of Leerdam en/of Nieuw-Lekkerland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk nader te noemen geldbedrag(en) , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten

- (zaak 16) een geldbedrag (EUR 10.000,-) toebehorende aan [benadeelde partij 19] en/of

- (zaak 19) een geldbedrag (EUR 2.027,-) toebehorende aan [benadeelde partij 20] en/of

en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn beroep van/als [functieomschrijving] en/of [functieomschrijving] (werkzaam bij Index Financiële Diensten), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij op of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 november 2006 tot en met 21 februari 2007 te Leerdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (handelend onder de naam LD Assurantiën Ned. en/of Index Financiële Diensten Nederland) bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 22 november 2006, in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s) een of meer van de navolgende goederen, te weten meubilair (een of meerdere tafel(s) en/of stoel(en) en/of bureau('s)) en/of een of meerdere computer(s) en/of een of meerdere beeldscherm(en) en/of een of meerdere ordner(s) (inhoudende administratie) en/of een vaatwasser en/of een of meerdere telefoon(s), aan de boedel heeft onttrokken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De inbeslaggenomen administratie van Index Financiële Diensten Nederland is - blijkens de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2012 - onvindbaar gebleven. De raadsman heeft ter terechtzitting van 20 februari 2009 gesteld dat de verdachte zonder deze administratie niet in staat is de verdediging te voeren omdat aan de hand van de administratie juist de onschuld van de verdachte kan worden aangetoond. De omstandigheid dat inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt, vormt naar het oordeel van het hof een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde is tekortgedaan.

Vrijspraak

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en op basis van de voorhanden processtukken is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is tenlastegelegd. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft het bedrijf Index Financiële Diensten Nederland, dat zij als eenmanszaak dreef, per 1 oktober 2006 en daarmee derhalve enige tijd voor het op 22 november 2006 uitgesproken faillissement van de verdachte, aan de verdachte in eigendom overgedragen. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte en de medeverdachte daarbij zijn overeengekomen - zoals ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2009 namens de verdachte is aangevoerd - dat bij die bedrijfsoverdracht de in de tenlastelegging genoemde goederen niet aan de verdachte in eigendom werden overgedragen. Dat dit anders zou zijn blijkt in ieder geval niet uit het dossier. Mitsdien is niet bewezen dat de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers bedoelde goederen aan de boedel heeft onttrokken, nu de verwijderde goederen niet tot de faillissementsboedel behoorden.

Op grond van het vorenstaande behoort de verdachte dan ook van het onder 5 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, dat het hof het onder 5 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en dat de verdachte ter zake van dit feit en het bij arrest van dit hof van 6 maart 2009 onder 4 bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en voorts dat de verdachte zal worden ontzet uit het recht tot het uitoefenen van het beroep van financieel dienstverlener.

Strafmotivering

Gelet op het vorenstaande dient het hof thans nog een straf op te leggen voor het in zijn arrest van 6 maart 2009 onder 4 bewezenverklaarde feit, gekwalificeerd (door de Hoge Raad verbeterd gelezen) als:

medeplegen van poging tot oplichting.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander gepoogd een bank op te lichten door ter verkrijging van een financiering voor de aankoop van een woning een valse boekhouding op te maken en aan die bank over te leggen. Dat zij in hun opzet niet zijn geslaagd, is louter te danken aan de oplettendheid van de medewerkers van de bank. Aldus handelende heeft de verdachte het vertrouwen in het handelsverkeer geschaad. Wel neemt het hof hierbij in aanmerking dat het feit geruime tijd geleden is gepleegd.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof acht geen termen aanwezig om, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, aan de verdachte de bijkomende straf van ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het beroep van financieel dienstverlener op te leggen. Een dergelijke straf is niet in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft een aantal benadeelde partijen hun vordering in hoger beroep gehandhaafd tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen.

Nu het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder onder 1 en 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de strafvervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bij arrest van dit hof van 6 maart 2009 onder 4 bewezenverklaarde feit tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,

mr. G. Dulek-Schermers en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 maart 2012.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.