Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9754

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
22-000046-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft het vertrouwen dat in haar werd gesteld door mensen die haar - ieder om hun eigen redenen - nodig hadden, ernstig misbruikt.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden. Daarnaast wordt de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000046-11

Parketnummers: 09-650049-10 en 09-755058-09

Datum uitspraak: 22 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 december 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1963 te [geboorteplaats],

volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wonende aan [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 onder 1 cumulatief en het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde, alsmede voor het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is een beslissing genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen aan de verdachte.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Parketnummer 09-650049-10

1.

zij op of omstreeks 13 januari 2006 te Moordrecht, in elk geval in Nederland een formulier "Aanmelding overeenkomst Waterlevering", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid - een formulier "Aanmelding overeenkomst waterlevering" van drinkwaterbedrijf Oaseo d.d.

13 januari 2006 (valselijk) ingevuld en/of voorzien van de naam en/of persoonsgegevens van [benadeelde partij] als de afnemer en/of betalingsplichtige van de dienst(en) van Oaseo en/of (vervolgens) dat formulier voorzien van de (valse/vervalste) handtekening van [benadeelde partij] (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en/of

zij op of omstreeks 13 januari 2006 te Moordrecht en/of Gouda, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een formulier "Aanmelding overeenkomst waterlevering", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift echt en onvervalst - bestaande dat gebruikmaken hierin dat dat geschrift is overlegd bij of verstuurd aan drinkwaterbedrijf Oaseo en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het formulier "Aanmelding overeenkomst waterlevering" van drinkwaterbedrijf Oaseo d.d. 13 januari 2006 (valselijk) is voorzien van de naam en/of persoonsgegevens van [benadeelde partij] als afnemer en/of betalingsplichtige van de dienst(en) van Oaseo en/of van de (valse/vervalste) handtekening van [benadeelde partij];

2.

zij in of omstreeks 15 april 2004 tot en met 1 juli 2005 te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen (ter grootte van in totaal ongeveer EUR 18.602,=), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik te hebben gebracht door gebruik van een valse sleutel, te weten een creditcard met nummer [creditkaartnr.] ten name van voornoemde [benadeelde partij];

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 15 april 2004 tot en met 17 mei 2010, te Gouda en/of Moordrecht n/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (ter grootte van (ongeveer) EUR 18.602,=), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

zij in of omstreeks de periode van 6 september 2004 tot en met 1 juli 2009 te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland opzettelijk een of meer geldbedragen, te weten (telkens) (een deel van) de maandelijkse salarisbetalingen door werkgever Olthof Machinebouw aan [benadeelde partij], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder van het rekeningnummer waarop het salaris van die [benadeelde partij] (met diens toestemming) werd gestort, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 6 september 2004 tot en met 17 mei 2010, te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland,(een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen, bestaande uit (telkens) (een deel van) de maandelijkse salarisbetalingen van werkgever Olthof Machinebouw aan [benadeelde partij], heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Parketnummer 09-755058-09

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 6 juni 2006 tot en met 7 april 2009 te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland opzettelijk een of meer geldbedragen, te weten

- EUR 14.553,00 althans geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- EUR 18.748,00 althans geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten vanuit haar rol als (semi)bewindvoerder althans beheerder van de gelden en/of bankrekening(en) van voornoemde [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 6 juni 2006 tot en met 7 april 2009 te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen, te weten

- EUR 14.553,00 althans geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of

- EUR 18.748,00 althans geld, in elk geval enig goed, hegeel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

zulks nadat zij, verdachte, dat weg te nemen geld onder haar bereik had gebracht door gebruik van (een) valse sleutel(s) te weten een of meer bankpassen ten name van voornoemde [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] met de bijbehorende pincode(s).

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in de periode van 6 juni 2006 tot en met 7 april 2009, te Gouda en/of Moodrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland, een of meer voorwerpen te weten een geldbedrag van EUR 33.301,00 (waarvan EUR 14.553,00 afkomstig van de bankrekening(en) van [benadeelde partij 2] en/of EUR 18.748,00 afkomstig van de bankrekening(en) van [benadeelde partij 2]) heeft verworven en/of voorhanden heeft (gehad) en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij (telkens) wist, (althans redelijkerwijs had moeten vermoeden) dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en/of terwijl zij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraken

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-755058-09 primair is tenlastegelegd.

Uit de bewijsmiddelen kan met name niet worden geconcludeerd dat de verdachte het tenlastegelegde in de hoedanigheid van (semi)bewindvoerder dan wel als beheerder van de gelden en/of bankrekeningen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft begaan.

De verdachte behoort van dit feit dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer

09-755058-09 subsidiair tenlastegelegde is het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting en op basis van de voorhanden processtukken van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van de in de tenlastelegging genoemde totaalbedragen te kunnen komen. De verdachte zal van het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 subsidiair tenlastegelegde in zoverre partieel worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 onder 1 cumulatief, onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer

09-755058-09 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 09-650049-10

1.

zij op 13 januari 2006 te Moordrecht, in elk geval in Nederland een formulier "Aanmelding overeenkomst Waterlevering", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte toen en daar valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid - een formulier "Aanmelding overeenkomst waterlevering" van drinkwaterbedrijf Oaseo d.d. 13 januari 2006 voorzien van de naam en persoonsgegevens van [benadeelde partij] als de afnemer en/of betalingsplichtige van de dienst(en) van Oaseo en vervolgens dat formulier voorzien van de vervalste handtekening van [benadeelde partij] (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van dat geschrift), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en

zij op 13 januari 2006 te Moordrecht en/of Gouda, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een formulier "Aanmelding overeenkomst waterlevering", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift echt en onvervalst - bestaande dat gebruikmaken hierin dat dat geschrift is overgelegd bij of verstuurd aan drinkwaterbedrijf Oaseo en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het formulier "Aanmelding overeenkomst waterlevering" van drinkwaterbedrijf Oaseo d.d. 13 januari 2006 valselijk is voorzien van de naam en persoonsgegevens van [benadeelde partij] als afnemer en/of betalingsplichtige van de dienst(en) van Oaseo en van de vervalste handtekening van [benadeelde partij];

2.

zij omstreeks de periode van 15 april 2004 tot en met 1 juli 2005 in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na het weg te nemen goed onder haar bereik te hebben gebracht door gebruik van een valse sleutel, te weten een creditcard met nummer [creditcardnr.] ten name van voornoemde [benadeelde partij];

3.

zij in de periode van 6 september 2004 tot en met 1 juli 2009 te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland telkens opzettelijk een geldbedrag, te weten telkenseen deel van de maandelijkse salarisbetalingen door werkgever Olthof Machinebouw aan [benadeelde partij], toebehorende aan [benadeelde partij], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder van het rekeningnummer waarop het salaris van die [benadeelde partij] (met diens toestemming) werd gestort, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Parketnummer 09-755058-09

zij op tijdstippen in de periode van 6 juni 2006 tot en met 7 april 2009 te Gouda en/of Moordrecht en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of Nieuwerkerk aan den IJssel en/of elders in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- geld toebehorende aan [benadeelde partij 2], en geld toebehorende aan [benadeelde partij 3

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 bewezenverklaarde

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de broers [benadeelde partij 2] en

[benadeelde partij 3] hielp met pinnen, omdat zij dat zelf niet konden. Zij heeft voorts verklaard dat het pinnen in aanwezigheid van de broers plaatsvond, doch dat zij soms, als de uitkeringen van de broers op hun bankrekeningen waren gestort en de verdachte zich 'elders' bevond, het geld alvast pinde en het dan later aan de broers gaf. De verdachte heeft ontkend zonder toestemming van de broers geld dat voor hen bestemd was voor zichzelf gepakt te hebben. Alleen als de broers geld van haar geleend hadden, dan verrekende ze dat meteen met het gepinde geld. Dat gebeurde volgens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep maandelijks. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat ze dit dan ook altijd tegen de broers Koolmees zei.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De lezing van de verdachte dat zij maandelijks, met toestemming, van het geld van de broers nam waar ze recht op had, wordt niet ondersteund door de zich in het dossier bevindende verklaringen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]. Zij hebben bij de politie beide verklaard dat de verdachte hun geld alleen mocht gebruiken voor het betalen van hun rekeningen. Voorts heeft [benadeelde partij 2] verklaard dat de verdachte desgevraagd geen openheid van zaken gaf over hoe het met het geld zat. Ook anderszins biedt het dossier geen steun voor de lezing van de verdachte dat als ze geld van de broers pakte, het met hun toestemming was. De stelling van de verdachte is naar het oordeel van het hof dan ook geenzins aannemelijk geworden.

De verdachte heeft op geen enkele wijze onderbouwd op grond waarvan en tot welke bedragen zij geld te verrekenen had met de broers [benadeelde partij 2] in verband waarmee zij na het pinnen geldbedragen voor zichzelf achter hield. Evenmin heeft verdachte aannemelijk kunnen maken dat de geldbedragen, afkomstig van de rekening van de broers [benadeelde partij 2], waarmee zij, zoals zij ter terechtzitting heeft verklaard, bijvoorbeeld benzine voor haar auto betaalde, ten goede kwamen aan de heren [benadeelde partij 2].

Indien en voor zover de verdachte heeft gemeend toestemming van de broers [benadeelde partij 2] te kunnen afleiden uit het - naar eigen zeggen van de verdachte - kennelijk stilzwijgend instemmen door de broers [benadeelde partij 2] met het door haar eigenhandig verrekenen van beweerlijke vorderingen, overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft op 18 mei 2010 tijdens haar verhoor door de politie over de verstandelijke vermogens van de broers [benadeelde partij 2] verklaard: "Dat is niets". Het hof leidt hieruit af dat de verdachte wist van het zeer beperkte intelligentieniveau van de broers, zoals dat ook blijkt uit de zich in het dossier bevindende rapportages psychologisch onderzoek. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook laten blijken dat zij hiervan op de hoogte was. De verdachte was er blijkens haar eigen verklaringen tevens van op de hoogte dat de broers onder bewind hadden gestaan. Onder deze omstandigheden had de verdachte zich er terdege bewust van moeten zijn dat de broers waarschijnlijk niet in staat waren om zelfstandig hun wil te bepalen en kenbaar te maken ten aanzien van - onder meer - hun financiën. Naar het oordeel van het hof kan onder de genoemde omstandigheden van (stilzwijgende) toestemming door de broers voor het zich toeëigenen van geld door de verdachte geen sprake zijn.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang gezien, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte geld van de broers [benadeelde partij 2] zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Parketnummer 09-650049-10

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

valsheid in geschrift

en

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

verduistering.

Parketnummer 09-755058-09

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft door op de bewezenverklaarde, bovenomschreven wijze te handelen het vertrouwen dat in haar werd gesteld door mensen die haar - ieder om hun eigen redenen - nodig hadden, ernstig misbruikt. Dit acht het hof zeer verwerpelijk. De verdachte heeft met haar handelen bovendien niet alleen grote materiële schade bij de slachtoffers veroorzaakt, maar naar te verwachten valt ook grote emotionele schade.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf voorts in aanmerking genomen het zich bij de stukken van de zaak bevindende, in een andere zaak over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 25 september 2009.

Het hof is - alles overwegende en in aanmerking genomen dat het hof tot een meer beperkte bewezenverklaring komt dan de rechtbank in eerste aanleg - van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, beide van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij] (parketnummer 09-650049-10)

[benadeelde partij] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-650049-10 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 76.179,35. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 30.000,-.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is en zij heeft bepleit de benadeelde partij in de vordering derhalve niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 30.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vorderingen tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (parketnummer 09-755058-09)

In eerste aanleg hebben [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zich eveneens als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-755058-09 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 18.175,50 ([benadeelde partij 2]) respectievelijk € 24.295,- ([benadeelde partij 3]).

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 18.175,50. De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat deze vordering in hoger beroep aan de orde is tot het in eerste aanleg bij wijze van voorschot toegewezen bedrag van € 10.000,-.

De raadsvrouw van de verdachte heeft - gelet op het standpunt van de verdediging in deze zaak, naar het hof begrijpt - primair bepleit de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet eenvoudig van aard zijn en heeft zij bepleit de benadeelde partijen in hun vorderingen op die grond niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vorderingen af te wijzen.

Naar het oordeel van het hof hebben de benadeelde partijen aangetoond dat ten minste tot een bedrag van

€ 5.000,- materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 bewezenverklaarde. De vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor dat deel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen. Deze vorderingen kunnen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte in ieder geval tot een bedrag van € 5.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de zowel het slachtoffer [benadeelde partij 2], als het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 225, 310, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 onder 1 cumulatief, 2 primair en 3 primair en het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 subsidiair tenlastegelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 onder 1 cumulatief, 2 primair en 3 primair en het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-650049-10 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 30.000,- (dertigduizend euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 30.000,- (dertigduizend euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 185 (honderdvijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] terzake van het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] terzake van het in de zaak met parketnummer 09-755058-09 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. J.W. Wabeke en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 maart 2012.