Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9718

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
200.097.896-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing - noodzakelijkheid. Project Signs of savety.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 29 februari 2012

Zaaknummer : 200.097.896/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-967

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G. Crawfurd te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

belanghebbende, tevens incidenteel verzoekster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam;

2. de pleegouders van de nader te noemen minderjarige,

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

7 november 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 23 december 2011 een verweerschrift ingediend.

De moeder heeft op 3 januari 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 21 december 2011 een brief van 20 december 2011 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 30 december 2011 een brief van 29 december 2011 ingekomen, waarin is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 25 januari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer [A] en de heer [B] namens Jeugdzorg;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is met ingang van 4 december 2011 de duur van de machtiging tot plaatsing in een vorm van pleegzorg van de minderjarige [de minderjarige], geboren [in 2009] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), verlengd tot 4 juni 2012. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat vast dat beide ouders het gezag over de minderjarige uitoefenen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 4 december 2011 tot 4 juni 2012 in een vorm van pleegzorg.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zal worden beperkt in duur - om het Uitwijktraject te starten - dan wel dat het inleidend verzoek van Jeugdzorg tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zal worden afgewezen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep af te wijzen.

4. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van Jeugdzorg voor een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin af te wijzen, alsmede te bepalen dat het Uitwijktraject bij de moeder gestart dient te worden.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft overwogen dat de kans van slagen van het Uitwijktraject klein zal zijn. Niet blijkt van een onmogelijkheid om de minderjarige bij de vader te plaatsen of om bij hem het traject te starten. Jeugdzorg doet dit op basis van een in het bezit zijnde diagnose van de vader, die Jeugdzorg niet wil en mag verspreiden. Voorts meent de vader dat hij en de moeder voldoen aan de basisvoorwaarden van het Uitwijktraject en dat als sprake is van schending van die basisvoorwaarden, deze schending niet dusdanig ernstig is dat het traject geen kans van slagen meer heeft.

6. Jeugdzorg heeft het beroep van de vader gemotiveerd bestreden. Jeugdzorg stelt dat de vader zijn toestemming heeft verleend voor verkrijging van behandelgegevens bij de Bavo Europoort. Bavo heeft een DSM-IV diagnose vastgesteld. Die diagnose mag van de vader niet verder verspreid worden, maar gelet op die diagnose acht Jeugdzorg het niet in het belang van de minderjarige dat hij opgroeit bij zijn vader, of bij de ouders samen. Die diagnose is medebepalend geweest voor de keuze van Jeugdzorg om het Uitwijktraject niet bij de vader te laten starten. Ook de houding van de vader ten opzichte van de moeder en Jeugdzorg heeft een rol gespeeld bij die keuze. Jeugdzorg stelt dat er wel degelijk inspanningen zijn geleverd de juiste hulp in te zetten. Gelet op het onvoorspelbare karakter van de relatie van de ouders, meent Jeugdzorg dat terugplaatsing niet de noodzakelijke veiligheid biedt voor de minderjarige. Hij is op stabiele wijze gehecht aan de pleegouders. Jeugdzorg acht het in het belang van de minderjarige dat die hechting in stand gehouden wordt.

7. Ook de moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter en Jeugdzorg ten onrechte concluderen dat de kans van slagen van het Uitwijktraject klein is. Zonder afdoende redenen is Jeugdzorg terug gekomen op haar eerdere toezeggingen en het door haar uitgestippelde beleid. Zij acht de verlenging van de uithuisplaatsing zonder Uitwijktraject niet in het belang van de minderjarige.

8. Het hof overweegt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting als volgt. Na de beslissing van dit hof van 4 mei 2011 heeft Jeugdzorg – aan wie de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing exclusief toekomt – getracht in samenspraak met de ouders en Flexus Jeugdplein het ‘Uitwijktraject’ te starten en wel bij de moeder. Begin oktober 2011 blijkt echter dat de moeder het opnieuw voortzetten van haar affectieve relatie met de vader enige tijd verzwegen heeft. Die affectieve relatie werd en wordt door de problematiek van beide ouders gekenmerkt door een turbulent verloop van ruzies en huiselijk geweld. De moeder geeft begin oktober 2011 aan dat zij de affectieve relatie wenst te verbreken, maar dat zij bang is dat de vader haar iets zal aan doen. Daarnaast is de behandeling van de moeder bij de Bavo Europoort beëindigd omdat de moeder niet verschenen is. Dit is, onder meer, aanleiding voor Jeugdzorg geweest om haar beleid te wijzigen. Zij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat het noodzakelijk is voor het opstarten van het ‘Uitwijktraject’ dat de ouders openheid van zaken verschaffen en zich aan bepaalde voorwaarden houden. Nu de moeder daaraan niet voldoet, behoort het Uitwijktraject niet meer tot de mogelijkheden. Naar de inschatting van Jeugdzorg kunnen de ouders de minderjarige niet voldoende veiligheid bieden.

9. Ter zitting heeft Jeugdzorg te kennen gegeven bereid te zijn de ouders een nieuwe kans te bieden door met beide ouders het zogenoemde project ‘Signs of safety’ te starten. Daarvoor zijn kennissen dan wel familieleden uit het netwerk van de ouders nodig om te bekijken of het lukt om het onderlinge vertrouwen tussen de ouders en Jeugdzorg te herstellen. Met de ouders zal een veiligheidsplan worden opgesteld. Op basis van het project ‘Signs of safety’ kan beoordeeld worden wat de vervolgstappen kunnen zijn met betrekking tot de minderjarige. De ouders hebben zich ter zitting bereid verklaard om mee te werken aan dit project.

10. Het hof is van oordeel dat thans het belang van de continuïteit van de plaatsing van de minderjarige bij de pleegouders prevaleert boven het belang van de vader dan wel moeder bij een terugplaatsing van de minderjarige. De uithuisplaatsing is nog steeds noodzakelijk in het belang van de minderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het thans goed gaat met de minderjarige bij de pleegouders en dat de betrokkenen het er over eens zijn dat, gelet op de problematiek van de ouders, terugplaatsing van de minderjarige zonder meer niet mogelijk is. Het hof wijst de ouders erop dat het verloop van het ‘Signs of safety’ van essentieel belang is voor de bepaling van de toekomstige verblijfplaats van de minderjarige. Het hof ziet, gelet op de te verwachten duur van het project ‘Signs of Safety’, geen aanleiding de duur van de uithuisplaatsing te bekorten.

11. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Kempen en Van Wijk, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 februari 2012.