Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9617

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
200.088.690/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aankoop door gemeente van deels onder gemeentelijk voorkeursrecht vallende onroerende zaken; Voorbehoud van goedkeuring door de e gemeenteraad volgens Gemeentewet na invoering dualisme nog toelaatbaar; voorbehoud gemaakt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/256

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.088.690/01

Zaaknummer rechtbank : 88161

Arrest van 17 april 2012

inzake

[Naam],

wonende te […], gemeente […],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. N.S. Commijs te Zwolle,

tegen

DE GEMEENTE GIESSENLANDEN,

zetelend te Hoornaar, gemeente Giessenlanden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. W.J.E. van der Werf te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 6 juni 2011 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Dordrecht tussen partijen gewezen vonnis van 9 maart 2011. Bij de appeldagvaarding (met producties) heeft [appellante] zeven grieven aangevoerd, die door de Gemeente bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen op 5 maart 2012 de zaak door hun advocaten doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [appellante] is eigenaar van een vijftal aan elkaar grenzende percelen in de Gemeente. Op één van die percelen heeft zij haar woning.

1.2 De Gemeente heeft in februari 2008 op twee van de aan haar toebehorende percelen (niet zijnde het perceel waarop haar woning staat) een voorkeursrecht gevestigd in de zin van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: Wvg). Een verzoek tot opheffing van het voorkeursrecht van [appellante] in verband met voorgenomen verkoop van haar woning en alle percelen heeft de Gemeente in mei 2009 afgewezen. Nadat [appellante] de onder het voorkeursrecht vallende percelen in het kader van de Wvg te koop had aangeboden, heeft de Gemeente medegedeeld in beginsel tot aankoop van die percelen bereid te zijn; ten vervolge daarop heeft de Gemeente aan [appellante] aangeboden de woning met bijbehorende grond en de twee onder het voorkeursrecht vallende percelen te kopen voor € 560.000,-. Het bod is gedaan onder voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad. Na verdere onderhandelingen heeft de makelaar van [appellante] bij brief aan de Gemeente van 17 september 2009 het volgende medegedeeld.

"Afgelopen maandag (...) hadden wij overleg op het gemeentehuis. Naar aanleiding van dat overleg heeft u mij telefonisch gemeld dat de gemeente bereid is het bod voor de woning en grond van mevrouw [appellante], [adres], te verhogen naar € 620.000,- k.k. (...).

Mevrouw [appellante] is in principe akkoord met dit voorstel. Het prijsakkoord zal door u voorgelegd worden aan Burgemeester en wethouders en rond 01 oktober aanstaande zal ik van u horen of de gemeente hiermee akkoord is. U onderzoekt nog of een goedkeuring van de gemeenteraad nodig is en/of wanneer dit gereed kan zijn. Dit verneem ik graag van u waarbij ik aandring op een vlotte afhandeling zodat mevrouw [appellante] een andere woning kan aankopen.

(...)"

1.3 Bij brief van 27 april 2010 heeft de Gemeente aan de raadsman van [appellante] bericht dat de gemeenteraad het voorstel van het College van burgemeester en wethouders (verder: het college) tot aankoop van de woning en de grond van [appellante] niet heeft overgenomen, dat het bod is komen te vervallen en geen koopovereenkomst tot stand is gekomen omdat het bod van de Gemeente is uitgebracht onder voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad en dat, nu de Gemeente afziet van de aankoop van de onder het voorkeursrecht vallende percelen, [appellante] gedurende drie jaar na de brief de vrijheid heeft die percelen te vervreemden aan derden.

2. [appellante] heeft bij de rechtbank gevorderd (kort samengevat) dat deze primair zal bepalen dat de Gemeente moet meewerken aan de overdracht van woning en percelen tegen de overeengekomen prijs, en subsidiair de Gemeente zal veroordelen tot een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat geen overeenkomst tussen de Gemeente en [appellante] tot stand is gekomen en dat de Gemeente niet onevenredig of onzorgvuldig heeft gehandeld.

3. De eerste, tweede en derde grief hebben betrekking op het voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad dat de Gemeente stelt te hebben gemaakt. [appellante] brengt naar voren dat de rechtbank ten onrechte vaststelt dat dat voorbehoud ook bij het aanvaarde bod geldt. Zij voert aan dat de betreffende zinsnede in de brief van de makelaar slechts de bedoeling van partijen weergeeft dat er een onderzoek zou worden verricht naar de vraag of en in hoeverre de gemeenteraad er nog aan te pas moest komen. Zij stelt dat er reden is om aan te nemen dat de desbetreffende passage bij de dualisering van het gemeentebestel ten onrechte in het computersysteem van de Gemeente is blijven staan. Zij meent dat uit de betreffende zinsnede niet kan worden afgeleid dat [appellante] wist, dan wel moest weten dat de Gemeente ook na het tweede bod de overeenkomst slechts wilde sluiten onder voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad. Volgen [appellante] betekent de omstandigheid dat de Gemeente ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst nog moest onderzoeken of goedkeuring van de gemeenteraad nodig is, niet dat geen verbintenis tussen partijen tot stand is gekomen. Aan de gemeenteraad kwam niet meer de mogelijkheid toe tot het afwijzen van de koopovereenkomst. Voorts breng [appellante] naar voren dat het desbetreffende voorbehoud in strijd is met de (gewijzigde) Gemeentewet (verder ook: Gmw) en de bedoeling van de wetgever en daarom nietig. Naar de mening van [appellante] stond de gemeenteraad hierin buitenspel.

4. De stelling dat het bedoelde voorbehoud, zo gemaakt, in strijd is met de Gemeentewet, vindt in die wet geen steun. Weliswaar is de bevoegdheid te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente ter gelegenheid van de invoering van de dualisering toegekend aan het college (artikel 160, eerste lid, onder e, Gmw), maar in artikel 169, vierde lid, Gmw is bepaald dat het college de gemeenteraad vooraf inlichtingen geeft over de uitoefening van deze bevoegdheid, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente, en dat in het laatste geval het college geen besluit neemt dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. De gemeentewet laat het college dus vrij ervoor te kiezen het gebruik van zijn bevoegdheid de koopovereenkomst met [appellante] aan te gaan afhankelijk te stellen van de instemming van de gemeenteraad en dat van tevoren aan [appellante] kenbaar te maken.

5. Het voorgaande laat de vraag open of de Gemeente het voorbehoud ook bij het verhoogde bod heeft gemaakt. [appellante] stelt dat niet het geval is. Zij heeft aangeboden dat te bewijzen, onder meer door het horen van getuigen. Het hof zal haar tot dat bewijs toelaten.

6. Het hof houdt elke verdere beslissing aan.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellante] toe te bewijzen dat tussen haar en de Gemeente een koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot haar woning en de bedoeld percelen als door haar gesteld;

- bepaalt dat, indien [appellante] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.V. van den Berg, op 4 juli 2012 om 9:30 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden augustus tot en met oktober van 2012, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. , A.V. van den Berg, S.A. Boele en A.G.M. Zander en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.