Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9561

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
200.091.467-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagskwestie: van gezag alleen bij moeder naar gezamenlijk gezag en van daaruit naar gezag alleen bij vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 15 februari 2012

Zaaknummer : 200.091.467/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-191

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.C. van ’t Hek te Bleiswijk,

gemeente Lansingerland,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. G.E. van der Pols,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren op [datum] 1997 te [plaats],

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 juli 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juni 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 7 oktober 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 2 augustus 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 16 november 2011 een brief van 11 november 2011 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 11 januari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de bijzondere curator.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover voor het hof van belang, bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarige.

Voorts is bepaald dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man zal zijn. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [datum] 1997 te [plaats] (hierna: de minderjarige).

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtsdoende, te bepalen dat de vader met ingang van de datum van de beschikking van het hof het eenhoofdig gezag over de minderjarige zal uitoefenen.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het door de vader ingestelde hoger beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zijn verzoek om hem met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten ten onrechte niet heeft toegewezen. Hij voert daartoe aan dat er sprake is geweest van strijd met de moeder over de uitvoering van het gezag. Ook zijn partijen volgens de vader niet (meer) in staat om met elkaar te communiceren. Dat er momenteel relatief weinig problemen ter zake van de uitvoering van het gezag over de minderjarige bestaan, komt volgens de vader doordat de moeder de afgelopen jaren (nagenoeg) niets in de opvoeding van de minderjarige heeft betekend. Voorts wijst de vader erop dat de minderjarige geen bemoeienis van zijn moeder wenst en de bijzondere curator eveneens heeft geoordeeld dat het eenhoofdig gezag van de vader over de minderjarige het meest wenselijke resultaat van deze procedure zou zijn. Verder vreest de vader dat de moeder – in geval van gezamenlijk gezag – haar positie zal misbruiken, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is. Tot slot stelt de vader dat hij de minderjarige een stabielere levensomgeving kan bieden dan de moeder.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen reden is waarom partijen niet in staat zouden zijn om het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit te oefenen. De vader is nimmer tegen problemen aangelopen toen de moeder alleen het gezag over de minderjarige had. Ook sinds partijen het gezamenlijk gezag over de minderjarige hebben worden belangrijke beslissingen in overleg en in het belang van de minderjarige genomen. Volgens de moeder heeft de vader dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat zij haar positie in de toekomst zal misbruiken. Verder is de moeder van mening dat zij de afgelopen jaren wel iets in de opvoeding van de minderjarige heeft betekend. De minderjarige woonde tot september 2009 immers bij haar en verbleef tot die datum slechts in verband met een omgangsregeling bij de vader. De moeder betwist dat de vader de minderjarige als enige een stabiele levensomgeving kan bieden.

6. De bijzondere curator heeft ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige last heeft van het gedrag van zijn moeder. De minderjarige kan niet op zijn moeder bouwen en maakt zich veel zorgen over de mogelijke bemoeienis van zijn moeder met zijn leven. Ook toont de moeder volgens de minderjarige onvoldoende betrokkenheid. De bijzondere curator is van mening dat de minderjarige behoefte heeft aan rust en duidelijkheid. Hij verzoekt het hof derhalve om de vader alleen met het gezag te belasten.

7. Het hof gaat voorbij aan de opmerking van de moeder in het verweerschrift dat de vader het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg alsnog dient over te leggen nu zij daaraan geen consequenties heeft verbonden.

8. Het hof overweegt voorts als volgt. In eerste aanleg heeft de vader primair verzocht hem alleen met het gezag te belasten. De moeder oefende het gezag op dat moment alleen uit. Ingevolge artikel 253c, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt, wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. De rechtbank is aan dat verzoek voorbij gegaan en heeft het subsidiaire verzoek van de vader, er toe strekkende beide ouders met het gezag te belasten, toegewezen. In het hoger beroep wenst de vader alsnog toewijzing van zijn primaire verzoek, in eerste aanleg gedaan.

9. Aan de hand van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat het in het belang van de minderjarige wenselijk is om de vader alleen met het gezag over de minderjarige te belasten. Het hof overweegt daartoe dat de vader de minderjarige al gedurende geruime tijd – in de loop van 2009 is de minderjarige voltijds bij de vader gaan wonen – feitelijk verzorgt. De moeder is in die periode niet betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de moeder, in de tijd dat zij de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed, niet consistent is geweest in haar beslissingen, zoals – bij wege van voorbeeld – bij het verlenen van toestemming aan de minderjarige voor een vakantie in Argentinië. Deze houding van de moeder, die erop neer is gekomen dat zij niet consistent beschikbaar heeft kunnen zijn voor de minderjarige, heeft zijn weerslag gehad op de minderjarige en zijn verhouding met haar. De toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vader zal naar het oordeel van het hof leiden tot meer rust en duidelijkheid voor de minderjarige en daardoor zelfs eerder kunnen bijdragen aan herstel van de betrekkingen tussen de minderjarige en zijn moeder dan het geval zou kunnen zijn in de situatie dat de beide ouders met het gezag belast zijn. Tot slot weegt het hof mee dat de minderjarige zelf – gevoed door zijn ervaringen met de moeder – geen bemoeienis van zijn moeder met zijn leven wenst. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag over de minderjarige vernietigen en alsnog het primaire verzoek van de vader toewijzen.

10. Het gevolg van het toewijzen van het primaire verzoek van de vader is ook dat aan de beslissing van de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader te bepalen geen betekenis meer toekomt. Het is immers de ouder die met het gezag is of wordt belast, in dit geval alleen de vader, om de verblijfplaats van de minderjarige te bepalen. Dit heeft tot gevolg dat het hof de bestreden beschikking in zijn geheel zal vernietigen.

11. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan de vader toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Rotterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Burgerhart, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2012.