Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9407

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
200.090.492-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijkgoederengemeenschap. Verknochte schuld? Nee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 15 februari 2012

Zaaknummer : 200.090.492/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 11-1075

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. O. Huisman te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 12 juli 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 april 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De zaak is op 6 januari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts – voor zover in hoger beroep van belang – uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap de schuld aan mevrouw [X] als gevolg van de brand in de toenmalige echtelijke woning van mevrouw [X] en de man, vermeerderd met de wettelijke rente, voor zijn rekening dient te nemen, zonder nadere verrekening met de vrouw. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 1 juni 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vraag of de schuld van de man aan mevrouw [X] aangemerkt dient te worden als een verknochte schuld.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap vast te stellen met inachtneming van de grief zoals de vrouw die in haar beroepschrift geformuleerd heeft, althans een dusdanige verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen als het hof in goede justitie juist acht.

3. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de schuld aan mevrouw [X] niet kan worden aangemerkt als een aan de man verknochte schuld. Weliswaar heeft de rechtbank bepaald dat de man de schuld voor zijn rekening dient te nemen, maar de vrouw vindt dit niet voldoende. Zij wil dat vast staat dat de schuld niet in de gemeenschap valt. Zij heeft er daarom belang bij dat wordt bepaald dat de schuld verknocht is aan de man. De vrouw voert daartoe aan dat de schuld is ontstaan als gevolg van een ernstig delict gepleegd door de man. De man heeft mevrouw [X] (zijn ex-echtgenote) in de voormalig echtelijke woning met een mes met de dood bedreigd en vervolgens brand gesticht in die woning. De man is hiervoor veroordeeld. Voorts stelt de vrouw dat zij ten tijde van het sluiten van het huwelijk niet op de hoogte was van het bestaan van de schuld en dat zij er overigens van uitging dat Marokkaans recht van toepassing zou zijn op het huwelijksvermogensregime van partijen.

4. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij meent dat de schuld voor zijn rekening dient te komen.

5. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt dat die gemeenschap de schulden van ieder van partijen omvat. In beginsel zijn beide partijen draagplichtig voor gemeenschapsschulden.

6. In art 1: 94 lid 3 BW (oud en nieuw) is bepaald:” Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.” In de wetsgeschiedenis is niet aangegeven wanneer er sprake is van een verknochte schuld. Van een verknochte schuld kan sprake zijn indien de schuld is verbonden aan een goed dat aan de betreffende echtgenoot verknocht is. In het onderhavige geval is de schuld niet verbonden aan een goed. Er is slechts sprake van een voor huwelijkse schuld waarvan de vrouw geen weet had. De objectieve lotsverbondenheid van het trouwen in de wettelijke gemeenschap van goederen brengt met zich mede dat alle schulden – dus ook de voor huwelijkse schulden – vallen in de wettelijke gemeenschap van goederen. Dat de schuld destijds zijn grondslag heeft gevonden in een onrechtmatig handelen van een partij doet daaraan niet af. De crediteur van een vordering uit onrechtmatige daad heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat zijn verhaalsmogelijkheden zo min mogelijk worden beperkt. Als een echtgenoot wenst te voorkomen om draagplichtig te worden voor een schuld of dat zijn/haar vermogen kan worden uitgewonnen voor een schuld die aan de zijde van de andere echtgenoot is opgekomen dient hij/zij huwelijkse voorwaarden aan te gaan voor het huwelijk. Door dit niet te doen neemt hij/zij het risico dat zijn/haar vermogen door een crediteur van de andere echtgenoot uiteindelijk wordt uitgewonnen. De onderhavige schuld aan mevrouw [X] is naar het oordeel van het hof een gemeenschapsschuld, daaraan doet niet af dat de rechter ter zake de onderlinge draagplicht kan bepalen dat de schuld door een van de partijen moet worden gedragen. De grief van de vrouw faalt derhalve. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Mink en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2012.