Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9376

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
22-005263-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de rug en in de achterzijde van het rechter bovenbeen gestoken.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten.

Het hof legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005263-11

Parketnummers: 12-700106-09, 12-708139-08, 12-708571-08 en 12-715114-09

Datum uitspraak: 13 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 26 augustus 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 3 primair, 5, 6 en 9 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair, 4, 7, 8 en 9 meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 3 augustus 2010 het beroepen vonnis vernietigd en de verdachte ter zake van het onder 3 primair, 5, 6, 9 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4, 7, 8 en 9 meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederland heeft bij arrest van 1 november 2011 het arrest van het hof vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige is het beroep verworpen. De vordering van de benadeelde partij is derhalve niet meer aan de orde in hoger beroep.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 1 november 2011 het vonnis waarvan beroep uitsluitend aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2009 te Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, een persoon, genaamd [aangever], opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [aangever] één of meerma(a)l(en) met een mes, in elk geval met een (dergelijk) scherp voorwerp in de rug en/of in de achterzijde van het rechter bovenbeen en/of in de hand (rug) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en voor zover terzake het onder 1 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 27 april 2009 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in verening met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet samen met zijn mededader(s), althans alleen, die [aangever] één of meerma(a)l(en) met een mes, in elk geval met een (dergelijk) scherp voorwerp in de rug en/of in de achterzijde van het rechter bovenbeen en/of in de hand (rug) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, nu uit de onderhavige processtukken niet is vast te stellen en ook anderszins niet is gebleken op welke manier of met welke kracht verdachte met het mes heeft gestoken en bovendien niet blijkt of door het handelen van de verdachte de reële kans heeft bestaan dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de context waarbinnen het gebeuren zich heeft afgespeeld. Naar 's hofs oordeel was verdachtes handelen met betrekking tot het gebruik van het mes louter bedoeld als pressiemiddel teneinde het slachtoffer ertoe te dwingen de namen te geven van de personen die de hennepkwekerij in de kelder van verdachtes woning in de nacht van 27 april 2009 hebben geript.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte naar het oordeel van het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, van het hem onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 april 2009 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever] meermalen met een mes in de rug en in de achterzijde van het rechter bovenbeen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken. Ter adstructie van zijn betoog heeft hij aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake is van een steekwond, maar eerder van een snijwond. Daarnaast heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet niet kan worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar 's hofs oordeel is wel degelijk sprake van twee steekwonden in het lichaam van het slachtoffer [naam] op de wijze zoals bewezenverklaard, hetgeen reeds volgt uit de letselbeschrijving van de GGD (dossierpagina 209). Hierin wordt gerelateerd dat sprake is van een gapende, scherp gerande wond van ongeveer 1 centimeter bij 3 centimeter in zowel de rug als het been van slachtoffer [naam]. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet overweegt het hof als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Naar 's hofs oordeel leert de algemene ervaring dat indien iemand met een mes in zijn rug, net naast zijn ruggengraat, wordt gestoken, de kans aanmerkelijk is te achten dat die gedraging zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Immers, in de rug hadden enkele vitale organen geraakt kunnen worden dan wel de wervelkolom kunnen worden geperforeerd. Gelet op deze algemene ervaringsregel, moet de verdachte wetenschap hebben gehad van die aanmerkelijke kans. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de rug en in de achterzijde van het rechter bovenbeen gestoken. Door aldus te handelen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de psychische integriteit van het slachtoffer.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Alles overwegende en rekening houdend met de justitiële documentatie, de bestaande perikelen tussen de verdachte en zijn (ex-)vrouw alsmede gelet op de speciale en generale preventie is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. J.A.C. Bartels en mr. N.C. van Bellen,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 maart 2012.

Mr. N.C. van Bellen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.