Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9037

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
22-006163-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal brandstichtingen waarbij steeds gevaar voor goederen is ontstaan en in een geval ook levensgevaar voor mensen te duchten was. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een aantal diefstallen met braak of inklimming.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Verder gelast ze dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Daarnaast wordt de vordering tot schadevergoeding de benadeelde partijen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006163-09

Parketnummer: 09-535345-09

Datum uitspraak: 14 maart 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 november 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 22 juli 2010 en - na tussenarrest van 5 augustus 2010 - van 16 februari 2011 en 29 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 en onder 3 primair eerste en derde cumulatief ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 3 primair tweede cumulatief, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Aan de verdachte is tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij beslist zoals nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder 2 en 3 primair eerste en derde cumulatief gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2009 te Voorschoten, althans te Nederland opzettelijk brand heeft gesticht bij en/of in het verzorgingstehuis het 'Hoflandthuys' aan de Zeven Provinciën, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de benzine, althans brandstof zich bevindend in bij de entree gestalde bromfiets(en), ten gevolge waarvan de luifel, althans de entree van dit verzorgingstehuis en de daar gestalde fiets(en) en bromfiets(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was te weten de zich in de nabijheid bevindende woningen in het pand van het verzorgingstehuis en/of de zich in deze woningen bevindende personen;

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 april 2009 en 31 mei 2009 op of in de nabijheid van het Alexandrine Tinneplein te Leiden, althans in de nabijheid van station de Vink, althans te Nederland opzettelijk brand heeft gesticht bij een Ford, type Fiesta, geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde partij 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met op en/of in deze auto door hem, verdachte, aangebrachte benzine en/of 'zippo'-olie ten gevolge waarvan deze auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

3 subsidiair.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 april 2009 en 31 mei 2009 op of in de nabijheid van het Alexandrine Tinneplein te Leiden, althans in de nabijheid van station de Vink, althans te Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, te weten een Ford, type Fiesta, geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde partij 1], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk voornoemde auto in brand te steken;

4 primair.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 april 2009 en 31 mei 2009, op het Tromplein/Trompweg,althans in de nabijheid van station de Vink te Voorschoten, althans te Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in en/of bij - een Nissan, type Sunny, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of

- een Opel, type Astra, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met op en/of in deze auto's door hem, verdachte, aangebrachte benzine en/of 'zippo'-olie, ten gevolg waarvan deze auto('s) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

4 subsidiair.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 april 2009 en 31 mei 2009, op het Tromplein/Trompweg, althans in de nabijheid van station de Vink te Voorschoten, althans te Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere auto(s), te weten

- een Nissan, type Sunny, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of

- een Opel, type Astra, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3],

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk voornoemde auto('s) in brand te steken;

5.

hij in of omstreeks de periode tussen 29 april 2009 en 4 mei 2009 bij de Trekpleister, Stevensbloem 23, te Leiden, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de Trekpleister heeft weggenomen 1300 stuks condooms, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Trekpleister BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door een ruit in te gooien met een baksteen en via de hierdoor ontstane ruimte de condooms weg te nemen;

6.

hij in of omstreeks de periode tussen 1 maart 2009 en 30 juni 2009 bij de Intratuin, Leidseweg 518, te Voorschoten, althans Nederland tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit die Intratuin heeft weggenomen 6 pakken zalm, 12 pakken vismix, 1 doos cornetto softijs, 10 tot 12 pakken chorizo, 1 doos panini, 15 tuinkabouters, 25 doosjes bevestigingsmateriaal, 10 setjes hang- en sluitwerk, 10 zakken siergrind, 1 Velda Clear Control filterpomp, 1 Waterval Niagra, 2 Buddhabeelden, in elk geval enig(e)goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Intratuin, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door over het hek te klimmen en/of onder het hek door te gaan en/of het rasterwerk door te knippen en een slot met behulp van een fietsenstandaard te verbreken;

7.

hij in of omstreeks de periode tussen 23 juni 2009 en 24 juni 2009 in/uit de woning gelegen aan de [adres], te Voorschoten, althans te Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (type Nokia), een mobiele telefoon (type Samsung), één oplader/adapter (type Nokia), een oplader/adapter (type Samsung), een portemonnee, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door via het balkon omhoog te klimmen en vervolgens door het raam naar binnen te klimmen;

8.

hij in of omstreeks de periode tussen 10 mei 2009 en 11 mei 2009 te Leiden, althans te Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een politievoertuig, althans een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan politie Hollands Midden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met zijn arm en/of hand tegen de raam van het achterportier van genoemde politieauto te slaan en/of stompen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 mei 2009 te Voorschoten, opzettelijk brand heeft gesticht bij het verzorgingstehuis het 'Hoflandthuys' aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met benzine, zich bevindend in bij de entree gestalde bromfietsen, ten gevolge waarvan de luifel van dit verzorgingstehuis en de daar gestalde fietsen en bromfietsen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, te weten de zich in de nabijheid bevindende woningen in het pand van het verzorgingstehuis en de zich in deze woningen bevindende personen;

3.

hij in de periode tussen 1 april 2009 en 31 mei 2009 op het Alexandrine Tinneplein te Leiden, opzettelijk brand heeft gesticht bij een Ford, type Fiësta, toebehorend aan [benadeelde partij 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met op en/of in deze auto door hem, verdachte, aangebrachte benzine of 'zippo'-olie ten gevolge waarvan deze auto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

4 primair.

hij in de periode tussen 1 april 2009 en 31 mei 2009, op het Tromplein/Trompweg, te Voorschoten opzettelijk brand heeft gesticht in- een Nissan, type Sunny, toebehorende aan [benadeelde partij 2] en

- een Opel, type Astra, toebehorende aan [benadeelde partij 3], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met op en/of in deze auto's door hem, verdachte, aangebrachte benzine en/of

'zippo'-olie, ten gevolg waarvan deze auto's zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

5.

hij in de periode tussen 29 april 2009 en 4 mei 2009 bij de Trekpleister, Stevensbloem 23, te Leiden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de Trekpleister heeft weggenomen condooms, toebehorende aan de Trekpleister BV, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door een ruit in te gooien met een baksteen en via de hierdoor ontstane ruimte de condooms weg te nemen;

6.

hij in de periode tussen 1 maart 2009 en 30 juni 2009 bij de Intratuin, Leidseweg 518, te Voorschoten, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit die Intratuin heeft weggenomen 6 pakken zalm, 12 pakken vismix, 1 doos cornetto softijs, pakken chorizo, 1 doos panini, 15 tuinkabouters, 25 doosjes bevestigingsmateriaal, 10 setjes hang- en sluitwerk, 10 zakken siergrind, 1 Velda Clear Control filterpomp, 1 Waterval Niagara, 2 Buddhabeelden, toebehorende aan Intratuin, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door over het hek te klimmen en onder het hek door te gaan en het rasterwerk door te knippen en een slot met behulp van een fietsenstandaard te verbreken;

7.

hij in de periode tussen 23 juni 2009 en 24 juni 2009 uit de woning gelegen aan de [adres] te Voorschoten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (type Nokia), een mobiele telefoon (type Samsung), één oplader/adapter (type Nokia), een oplader/adapter (type Samsung), een portemonnee, toebehorende aan [benadeelde partij 4], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door via het balkon omhoog te klimmen en vervolgens door het raam naar binnen te klimmen;

8.

hij in de periode tussen 10 mei 2009 en 11 mei 2009 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een politievoertuig, toebehorende aan politie Hollands Midden, heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk tegen het raam van het achterportier van genoemde politieauto te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Het onder 3 en 4 primair bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van een beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] en met aanvulling van een beslissing omtrent het beslag. In dit verband heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van voornoemde benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel alsmede tot verbeurdverklaring van de in beslaggenomen goederen.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft het hof geen rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, nu de verdachte zich ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ten aanzien van deze feiten op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hij deze feiten niet ter terechtzitting heeft bekend.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een viertal brandstichtingen waarbij steeds gevaar voor goederen is ontstaan en in een geval ook levensgevaar voor mensen te duchten was. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een aantal diefstallen met braak of inklimming. Dergelijke feiten brengen doorgaans naast financiële schade ook overlast voor de slachtoffers met zich mee.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de verdachte voor een aantal van de bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar geoordeeld en hem, naast een gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, op basis van de rapporten van drs. P.G. Jong Baw, psychiater, van 2 oktober 2009 en van drs. E.M. van Engers, GZ-psycholoog, van 5 oktober 2009. De rechtbank heeft daarbij nadrukkelijk de modaliteit van terbeschikkingstelling met voorwaarden onder ogen gezien doch geoordeeld dat een vorm van ambulante behandeling, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, niet geïndiceerd is.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2010 zijn voornoemde psychiater en psycholoog als deskundigen op verzoek van de verdediging gehoord. Beide deskundigen hebben desgevraagd verklaard dat zij blijven bij de conclusies zoals vermeld in voornoemde rapporten, inhoudende het advies tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft vervolgens bij tussenarrest van 5 augustus 2010 overwogen dat het hof zich onvoldoende ingelicht achtte over de mogelijkheid tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het hof heeft de reclassering opdracht gegeven tot het opstellen van een maatregelrapport waarin de reclassering deze mogelijkheid diende te onderzoeken.

De reclassering heeft op 1 november 2010 in een beknopt advies gerapporteerd dat voor de beantwoording van de vraag of oplegging van de maatregel terbeschikking-stelling met voorwaarden mogelijk is de visie van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna te noemen: NIFP) onmisbaar is, en geadviseerd tot het opnieuw doen opstellen van een dubbele Pro-Justitia rapportage door twee andere rapporteurs.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2011 heeft het hof beslist dat het noodzakelijk is dat nader onderzoek wordt verricht naar de geestvermogens van de verdachte door middel van klinische observatie in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, door een psycholoog en psychiater gelieerd aan voornoemde instelling. Voorts heeft het hof de reclassering de opdracht gegeven om -aan de hand van de nieuwe Pro Justitia rapportage- een maatregelrapport op te stellen.

Op 16 november 2011 hebben A.C. Bruijns, psychiater, en P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, een Pro Justitia rapport uitgebracht.

De rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte vanaf de adolescentie sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die in zijn jeugd is voorafgegaan door een gedragsstoornis. Deze antisociale persoonlijkheidsstoornis komt naar voren in de gebrekkige gewetensfuncties zoals de vrijwel geheel afwezige gevoelens van schuld en spijt, zijn onvermogen zich aan wetten en normen te houden, zijn oneerlijkheid, leugenachtigheid en neiging tot manipuleren, en zijn impulsieve roekeloosheid. Daarnaast wordt de persoonlijkheid van de verdachte gekenmerkt door narcistische en borderline trekken.

De vastgestelde persoonlijkheidsstoornis was aanwezig in de periode van de ten laste gelegde feiten.

De rapporteurs overwegen dat de doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in het gedrag van de verdachte bij alle vier ten laste gelegde brandstichtingen van dien aard is dat zij adviseren de verdachte voor deze feiten, indien bewezen, verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Ten aanzien van de andere ten laste gelegde feiten zien de rapporteurs onvoldoende redenen om tot vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te komen.

Voorts komen de rapporteurs tot de conclusie dat dezelfde factoren die van duidelijke invloed zijn geweest op het gedrag van de verdachte bij de ten laste gelegde brandstichtingen een even grote rol spelen bij het recidivegevaar van vergelijkbare delicten. Naast deze factoren zullen de afwezigheid van enig inzicht in het eigen psychisch functioneren en het ontbreken van voldoende probleembesef nadelige invloeden uitoefenen op het recidivegevaar. De rapporteurs constateren voorts dat er vrijwel geen beschermende omgevingsfactoren in het bestaan van de verdachte aanwezig zijn.

De rapporteurs zijn van oordeel dat om het recidiverisico te beperken een duidelijk gestructureerde behandeling van de verdachte zonder meer nodig is, als basis voor een daaropvolgende gedragsmatige aanpak die voornamelijk gericht is op gedragsveranderingen. Zij achten het onontkoombaar -om de noodzakelijke behandeling te kunnen garanderen- dat deze behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling plaatsvindt. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft volgens de rapporteurs vanwege de gebrekkige motivatie voor behandeling, in combinatie met het gebrek aan inzicht en probleembesef bij de verdachte, geen kans van slagen. Gelet hierop adviseren de rapporteurs aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2012 heeft de raadsman van de verdachte gesteld dat een aantal vragen die hij tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2010 aan de deskundigen heeft gesteld niet betrokken is en niet beantwoord is in het onderzoek door het NIFP. De raadsman noemt onder andere de jeugdige leeftijd van de verdachte en de inschatting van het gevaar van de verdachte voor de samenleving, gelet op de

- ernst van de - door de rechtbank bewezen verklaarde feiten.

Het hof overweegt hieromtrent dat de aspecten die in de vraagstelling van de raadsman aan de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2010 aan de orde zijn gesteld, voldoende tot uitdrukking komen in het rapport van het NIFP. Zo blijkt uit paragraaf 6.7 onder c (Diagnostische beschouwingen) dat de rapporteurs van het NIFP zich bewust waren van de leeftijd van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en tijdens het onderzoek naar zijn geestvermogens. De rapporteurs overwegen in dit verband onder meer dat de verdachte zich in de periode van twee jaar na de ten laste gelegde feiten heeft ontwikkeld tot een jongvolwassene, die op het gebied van affectieve en pedagogische aandacht veel tekort is gekomen. Een groot verschil tussen de periode van de ten laste gelegde feiten en de periode van het onderzoek door de rapporteurs van het NIFP wordt gevormd door het gebrek aan externe structuur in eerstgenoemde periode. De rapporteurs achten het bij de verdachte

-zijnde een onrijpe jongeman- te verwachten dat de kenmerken van de eerder genoemde persoonlijkheidsstoornis bij het uitblijven van een externe structuur scherper naar voren komen dan in situaties waar deze structuur wordt geboden. In het algemeen kan gesteld worden dat de verdachte voor een sturing van driftmatige impulsen vooral afhankelijk is van externe sturing. Het onrijpe niveau, in combinatie met het antisociale karakter van zijn persoonlijkheid belemmert een adequate beheersing van impulsen in situaties waarbij deze externe sturing ontbreekt.

Voorts wordt bij de beantwoording van vraag 5 door de rapporteurs gesteld dat het risicotaxatie-instrument HCR-20 een statistisch matig tot hoog recidiverisico voor gewelddadig gedrag aangeeft en dat de SAPROF, het instrument waarmee beschermende factoren in kaart worden gebracht, de klinische indruk ondersteunt dat deze factoren vrijwel volledig ontbreken.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat een aantal zaken die in het rapport van het NIFP aan de orde worden gesteld, niet zijn terug te vinden in de conclusies die door beide rapporteurs worden getrokken.

Het hof volgt de raadsman hierin niet. Immers, het is geenszins noodzakelijk dat al hetgeen in het rapport staat, terug te vinden is in de conclusies. Het hof overweegt dat de inhoud van de rapportages de conclusies moet kunnen dragen, hetgeen bij het onderhavige rapport het geval is.

De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd van twee jaar op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich tijdens die proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat een klinische opname en behandeling bij de Wier of een soortgelijke instelling inhoudt voor de duur van maximaal 12 maanden of zoveel korter als die instelling dat nodig vindt, waarna aansluitend door de verdachte kan worden meegewerkt aan begeleid wonen en, indien nodig, een poliklinische behandeling. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden voor onbepaalde tijd teneinde de reclassering te gelasten een nader rapport op te stellen ter concretisering van bovengenoemd plan.

Het hof stelt op basis van het rapport van het NIFP vast dat de verdachte ten tijde van het begaan van de thans bewezen verklaarde brandstichtingen lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor deze brandstichtingen.

Dit zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist naar het oordeel van het hof de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling.

Het hof overweegt daartoe dat de kans op herhaling van de thans bewezen verklaarde brandstichtingen reëel is, gelet op de doorwerking van de bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis in de bewezen verklaarde feiten.

Het hof overweegt voorts dat ter terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2012 is gebleken dat er bij de verdachte sprake lijkt te zijn van enig probleembesef en dat de verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn voor een behandeling. De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij bereid is om deze behandeling -indien nodig- in een klinisch kader te volgen.

Het hof is, in navolging van de bevindingen en de conclusies van het NIFP, van oordeel dat een behandeling van de verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden echter geen kans van slagen heeft en derhalve niet aan de orde is.

Gelet op het voorgaande bieden de door de raadsman aangedragen alternatieven nog minder handvatten om de verdachte de noodzakelijk geïndiceerde behandeling te kunnen geven.

Het hof merkt daarbij nog op dat uit het rapport van het NIFP blijkt dat de verdachte tijdens een verblijf in een gesloten setting goed functioneert, maar dat wanneer de structuur wegvalt de motivatie voor behandeling bij de verdachte afneemt.

Het hof constateert dat de verdachte veel langer in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dan de rechtens passende en geboden op te leggen gevangenisstraf, maar overweegt dat deze omstandigheid niet in de weg staat aan de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, aangezien dit een maatregel betreft en geen straf.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat oplegging aan de verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege passend en geboden is.

De terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals deze vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst onder 1, zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Ten aanzien van de op de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen onder 2 en 3 zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 487,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot voornoemd bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 487,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 5].

Vordering tot schadevergoeding Politie Hollands Midden

In het onderhavige strafproces heeft de Politie Hollands Midden -middels de heer L. Verboom als gemachtigde- zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 8 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 184,79.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 184,79.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 8 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de Politie Hollands Midden

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 184,79 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de Politie Hollands Midden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 157, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp zoals vermeld onder nummer 1 van de beslaglijst, te weten een Sony Ericsson telefoon.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 2 en 3 genummerde voorwerpen, zijnde een Gazelle sport fiets en Nike sportschoenen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 487,- (vierhonderdzevenentachtig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], een bedrag te betalen van € 487,- (vierhonderd-zevenentachtig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Hollands Midden ter zake van het onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 184,79 (honderdvierentachtig euro en negenenzeventig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de Politie Hollands Midden, een bedrag te betalen van € 184,79 (honderdvierentachtig euro en negenenzeventig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. D. Jalink en mr. S.A.J. van 't Hul, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 maart 2012.