Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9015

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
200.093.688.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ0159, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ0159
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; incidenteel appel te laat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 15 februari 2012

Zaaknummer : 200.093.688.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-9751

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.F.A. Linssen-van Rossum te ‘s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 9 september 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 juni 2011.

De man heeft op 9 november 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 13 december 2011 een verweerschrift tegen het incidenteel appel ingediend

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 19 september 2011 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 4 oktober 2011 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 3 januari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 18 januari 2012 een fax en een gelijkluidende brief van 19 januari 2012 met bijlagen.

De zaak is op 19 januari 2012 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen: de advocaat van de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – gewijzigd de beschikking van 6 maart 2006 en is de door de man met ingang van 3 december 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaald op nihil.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen [X], geboren [in] 2003 te [woonplaats], en [Y], geboren [in] 2005 te [woonplaats] (hierna: de minderjarigen).

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de man tot nihil stelling van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de grieven van de vrouw af te wijzen en de nihilstelling van de alimentatie te bekrachtigen nu de man geen draagkracht heeft. In incidenteel appel verzoekt de man het hof de ingangsdatum van de nihilstelling van de kinderalimentatie vast te stellen op 1 september 2008 nu de man reeds vanaf die datum een negatief inkomen had en dus niet meer beschikte over voldoende draagkracht.

4. De vrouw verzet zich tegen het incidenteel appel van de man en verzoekt het hof dit incidenteel appel af te wijzen.

Ontvankelijkheid van het incidentele appel

5. De man heeft niet eerder dan op 9 november 2011 incidenteel appel ingesteld. Bij brief van 23 september 2011 is hem door het hof voor het indienen van een verweerschrift en eventueel incidenteel appel een termijn verleend tot en met uiterlijk 4 november 2011, welke termijn eenmalig is verlengd tot en met 8 november 2011, hetgeen blijkt uit de zaaksadministratie en een aantekening in het dossier. Nu het incidenteel appel na die datum is ingesteld, wordt de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn incidenteel appel. Het hof neemt daarbij in aanmerking, dat het hoger beroep van de vrouw op een laat tijdstip is ingesteld en de man niet tijdig zelfstandig heeft geappelleerd terwijl hij eerst op de dag van het verstrijken van de appeltermijn bericht heeft ontvangen van het instellen van hoger beroep door de vrouw. Voorts neemt het hof in aanmerking, dat in dit geval, ook al betreft het een alimentatiezaak, de door de Hoge Raad (20 maart 2009, LJN BG9917) bedoelde uitzondering zich hier niet voordoet, nu het niet gaat om nieuwe feiten of later opgekomen omstandigheden die een uitzondering zouden kunnen rechtvaardigen. Daaraan doet niet af dat de vrouw inhoudelijk op het incidenteel appel heeft gereageerd.

Principale appel: kinderalimentatie

6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man thans geen verdiencapaciteit heeft. Volgens de vrouw heeft de man een verdiencapaciteit overeenkomend met het inkomen dat hij verdiende tot aan zijn ontslag in 2008. De vrouw voert daartoe aan dat de man nog immer werkzaam is in de drogisterij, althans dit is geweest tot dat hij de zaak overdroeg aan de huidige eigenaren. Voorts betoogt de vrouw dat de man niet heeft aangetoond arbeidsongeschikt te zijn. Daarnaast kan volgens de vrouw uit de stukken niet worden afgeleid dat de man nog immer psychische problemen heeft.

7. De man stelt geen draagkracht te hebben om enige kinderalimentatie te kunnen betalen. Hij ontvangt een WWB-uitkering en is in verband met zijn psychische problematiek vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.

8. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden de kinderalimentatie op nihil heeft gesteld. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn door de vrouw geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt daarbij nog ten overvloede dat de man thans nog steeds een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand geniet en dat hij wellicht te werk wordt gesteld als vrijwilliger in het kader van re-integratie.

9. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep;

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Lückers en Husson, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2012.