Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8506

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
200.088.870-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlatingen onrechtmatig? rectificatie? vernietiging kort geding vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.088.870/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 370478 /KG ZA 10-855

Arrest d.d. 20 maart 2012 (bij vervroeging)

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.H.J. Koopmans te Amsterdam,

tegen

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 25 augustus 2010 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van 2 augustus 2010. Bij memorie van grieven, tevens akte vermeerdering van eis (met producties), heeft [appellante] tien grieven tegen dit vonnis aangevoerd en een ongedaanmakingsvordering gedaan. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Partijen hebben daarna nog stukken in het geding gebracht. Vervolgens hebben partijen aan de hand van pleitnotities hun zaak mondeling doen bepleiten op 27 februari 2012. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot met 2.3) vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Kort en zakelijk weergegeven gaat het geschil over de vraag of [appellante] onrechtmatig jegens projectontwikkelaar [geïntimeerde] heeft gehandeld door bepaalde, hierna (in rechtsoverweging 7.10) te vermelden, uitlatingen te doen tegenover een journalist van de Telegraaf, te weten [Naam] (hierna: de journalist), welke uitlatingen door de journalist zijn verwerkt in een op 26 juni 2010 gepubliceerd artikel met als kop "Burgemeester in de verdediging". Met de burgemeester werd gedoeld op de toenmalige burgemeester van Noordwijk […].

3. De voorzieningenrechter in de rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis deze uitlatingen onrechtmatig geacht, [appellante] op straffe van een dwangsom veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie in de Telegraaf en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

4. [appellante] heeft de rectificatie laten plaatsen. De op 23 september 2010 betaalde kosten hiervan bedroegen € 3.750,--.

5. [appellante] klaagt met haar grieven over de in rechtsoverweging 3 bedoelde beslissingen.

6. Met de eerste grief klaagt [appellante] erover dat de door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vermelde feiten niet volledig zijn. Achtergrond hiervan is met name dat de voorzieningenrechter bepaalde producties van [appellante], mede gelet op het bezwaar van de wederpartij, niet heeft willen accepteren omdat deze te laat (kort voor de zitting) waren overgelegd. Deze grief faalt in zoverre dat de voorzieningenrechter deze producties in de gegeven omstandigheden heeft mogen weigeren. In het hoger beroep, dat mede kan dienen ter herstel van verzuimen, zullen deze producties door het hof wél in de beoordeling worden betrokken.

7. Voor het overige lenen de grieven zich voor gezamenlijke behandeling. Zij stellen in volle omvang de vraag aan de orde of [appellante] tot rectificatie was gehouden.

In deze kort geding procedure wordt naast het voorgaande van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan.

(7.1) [appellante] is samen met haar echtgenoot al lange tijd eigenaar van het pand […] te […]. In dit pand wordt Hotel Restaurant 'De Branding' (hierna: het hotel of De Branding) geëxploiteerd. Naast De Branding lagen twee andere hotels (percelen), die eigendom zijn van [geïntimeerde], althans diens B.V..

(7.2) Op 4 april 2008 heeft over aspecten van brandveiligheid van De Branding een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere [appellante] en burgemeester [...], waarbij [appellante] vertrouwelijk heeft laten weten het hotel te willen verkopen. Burgemeester [...] heeft tijdens dit gesprek [geïntimeerde] genoemd als mogelijke koper omdat hij eigenaar was van de twee aangrenzende percelen. Bij brief van 24 april 2008 heeft [appellante] aan de gemeente laten weten dat zij hotel De Branding in zijn huidige vorm met ingang van 1 november 2008 niet meer voort zal zetten.

(7.3) Op 16 juni 2008 schrijft […] (een aan [geïntimeerde] gelieerde vennootschap) een brief aan de gemeente Noordwijk met daarin plannen voor de ontwikkeling van het gebied dat wordt bestreken door de in rechtsoverweging 7.1 bedoelde drie hotels, waarbij melding wordt gemaakt van het feit dat De Branding binnenkort moet sluiten. Deze brief is ondertekend door [geïntimeerde].

(7.4) Op 18 juni 2008 wordt de gebruiksvergunning (voor de exploitatie) van het hotel tegen 16 juni 2008 ingetrokken. [appellante] wordt hiervan bij brief van 23 juni 2008 op de hoogte gesteld.

(7.5) In plaats van deze gebruiksvergunning wordt een tijdelijke gebruiksvergunning verstrekt tot 1 november 2008, volgens de gemeente om te voorkomen dat de exploitatie van het hotel door een ander zou worden overgenomen op basis van de (inmiddels ingetrokken) gebruiksvergunning. De verlening van de tijdelijke gebruiksvergunning is door de gemeente gepubliceerd.

(7.6) De inmiddels namens [appellante] georganiseerde vrijwillige veiling van het hotel heeft niet tot verkoop van het hotel geleid, omdat zij daarvoor niet de gewenste prijs kreeg. Nadat de intrekking van de gebruiksvergunning aan mogelijke gegadigden van het hotel bekend was gemaakt, heeft [appellante] geen biedingen meer ontvangen, behoudens de hierna in rechtsoverweging 7.8 genoemde - volgens de makelaar van [appellante] minder realistische - bieding van [geïntimeerde].

(7.7) Op 18 juli 2008 schrijft de gemeente Noordwijk in positieve zin aan [geïntimeerde] over diens (in rechtsoverweging 7.3 bedoelde) plannen tot aankoop van De Branding en de herontwikkeling ervan.

(7.8) Op 20 juli 2008 brengt [geïntimeerde] een bod uit op het hotel tegen de residuele grondwaarde. In de brief wordt melding gemaakt van het feit dat De Branding de gebruiksvergunning is kwijtgeraakt en dat vanwege de dermate hoge investeringen geen duurzame hotelexploitatie mogelijk is.

(7.9) Het besluit tot intrekking van de gebruiksvergunning is op 24 februari 2010 door de rechtbank 's-Gravenhage vernietigd, waarbij het besluit is herroepen wegens onrechtmatigheid. De beslissing van de rechtbank is inmiddels onherroepelijk geworden.

(7.10) [appellante] is op enig moment benaderd door genoemde journalist in het kader van diens journalistieke research naar het optreden van burgemeester [...], waarbij hem berichten hadden bereikt over De Branding en de rol van Burgemeester [...] daarin. [appellante] heeft tegenover de journalist verklaard:

"De gemeente wilde mij tot sluiting dwingen", "Na dertig jaar hard werken wilden de burgemeester en zijn vriendje de projectontwikkelaar mijn hotel inpikken om er villa's te kunnen bouwen", [...] zei: Ga maar naar [geïntimeerde]" en "Ik was kapot, ik ben de enige in Noordwijk die is gesloten terwijl alle andere hotels een jaar de tijd kregen om aanpassingen te verrichten.".

(7.11) Het hotel is tot op heden niet verkocht. Inmiddels voldoet het hotel/ restaurant aan de brandveiligheidseisen en wordt het geëxploiteerd door een zekere […].

8. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid in rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 van het bestreden vonnis heeft overwogen, is een beperking van het recht op vrije meningsuiting slechts toelaatbaar wanneer de uitlatingen van [appellante] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Hierbij dienen twee hoogwaardige maatschappelijke belangen - vrijheid van meningsuiting versus bescherming van eer en goede naam - tegen elkaar te worden afgewogen, waarbij (kort gezegd) gelet moet worden op alle omstandigheden van het geval. De juistheid van de uitingen (aantijgingen), althans de feitelijke grondslag en de inkleding ervan, vormt een omstandigheid die bij deze belangenafweging moet worden betrokken. Mede van belang is dus in dit kader of [appellante] haar uitingen kan waarmaken of op goede gronden voor waar heeft kunnen houden.

9. Zoals de voorzieningenrechter eveneens met juistheid in rechtsoverweging 4.3 in het bestreden vonnis heeft overwogen valt buiten de beoordeling de zin "Voor [appellante], al dertig jaar eigenaresse van hotel De Branding aan de [...], is [...] fout, hartstikke fout" nu dit een weergave van de journalist betreft en in dat kader niet aan [appellante] kan worden toegerekend.

In het verlengde hiervan verdient het volgende opmerking. Het onderhavige artikel in de Telegraaf is, mede gelet op de vetgedrukte opschriften en de daarbij geplaatste foto onmiskenbaar gericht tegen burgemeester [...], die in eerdere publieke functies (ook) in opspraak was geraakt. Hierbij is de teneur van het artikel dat er sprake zou zijn van vriendjespolitiek en een te nauwe band van de burgemeester en de gemeente met de ondernemerswereld. Deze 'teneur' kan [appellante] evenmin worden aangerekend. Zij is, afgezien van de in rechtsoverweging 7.10 genoemde uitingen, niet verantwoordelijk voor de verdere inhoud van het artikel en de redactionele opzet daarbij. [appellante] is daar immers niet bij betrokken geweest, noch heeft zij daar invloed op kunnen uitoefenen.

Voor zover [geïntimeerde] anders suggereert, bijvoorbeeld door het citeren van - niet aan [appellante] toe te rekenen - anonieme bronnen, wordt deze suggestie verworpen.

10. Wat heeft [appellante] gezegd?

Haar voornaamste aantijgingen richten zich tegen de gemeente en burgemeester [...], die haar tot sluiting wilden dwingen. Deze beschuldigingen vinden voldoende steun in de feiten nu inmiddels vaststaat dat de intrekking van de gebruiksvergunning onrechtmatig is geweest en nu in dit kort geding aannemelijk is geworden dat het verlies van deze (vaste) gebruiksvergunning van invloed is geweest op de hoogte van de biedingen, althans op het ontbreken daarvan. Hier komt bij dat de stelling van [appellante] dat haar hotel als enige met de plotselinge intrekking van de gebruiksvergunning werd geconfronteerd, niet, althans niet voldoende gemotiveerd, is weersproken, zodat het hof in deze procedure van de juistheid hiervan uitgaat.

In de gegeven omstandigheden heeft [appellante] voorts op goede gronden mogen aannemen dat er sprake was van een connectie tussen burgemeester [...] (de gemeente) en [geïntimeerde] waar het de belangstelling voor haar hotel betrof. Niet alleen heeft burgemeester [...] de naam van [geïntimeerde] als potentiële koper genoemd (zie rechtsoverweging 7.2), maar bovendien was [geïntimeerde] er als de kippen bij om zijn plannen met De Branding (zakelijk gunstig) in daden om te zetten. Het hof wijst in dit verband op rechtsoverwegingen 7.3 en 7.8 waaruit [appellante] redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat [geïntimeerde] al op 16 juni 2008, in ieder geval aanzienlijk eerder dan zijzelf, op de hoogte was van (het voornemen tot) de intrekking van de gebruiksvergunning ('dat De Branding binnenkort moet sluiten'), alsmede het kennelijk lage bod dat [geïntimeerde] kort daarop uitbracht aan [appellante], thans met een expliciete verwijzing naar de intrekking van de gebruiksvergunning. Voor zover [geïntimeerde] heeft willen stellen dat exploitatietekorten (en dus niet de intrekking van de gebruiksvergunning) de aanleiding tot de (mogelijke) sluiting vormden, wordt dit betoog als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. [appellante] heeft dit betoog immers met een verwijzing naar positieve resultaten in de jaren 2005-2007 bestreden, waarna [geïntimeerde] heeft volstaan (bij pleidooi, bij dupliek), met te stellen 'dat het algemeen bekend was dat het slecht liep'. Dit acht het hof in de gegeven omstandigheden onvoldoende motivering van de stelling dat exploitatietekorten tot sluiting zouden noodzaken. Tot slot wijst het hof erop dat onweersproken is gebleven dat burgemeester [...] en [geïntimeerde] in dezelfde Rotaryclub zaten, terwijl de aanduiding 'vriendje' als zodanig niet (erg) negatief wordt beoordeeld.

11. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat [appellante] de uitspraken op grond van de haar bekende feiten en omstandigheden heeft kunnen doen. Aangezien haar uitlatingen jegens [geïntimeerde] niet diffamerend zijn, heeft ze deze ook mogen doen.. Dit betekent dat het bestreden vonnis vernietigd zal worden en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal worden afgewezen.

12. [appellante] heeft haar vordering tot ongedaanmaking bij pleidooi gedeeltelijk ingetrokken en deze beperkt tot een vordering tot terugbetaling van de rectificatiekosten als bedoeld in rechtsoverweging 4, met wettelijke rente vanaf 23 september 2010, en een vordering tot terugbetaling van de door haar aan [geïntimeerde] betaalde proceskosten, met wettelijke rente vanaf 3 augustus 2010. Deze vorderingen, waartegen geen verweer is gevoerd, acht het hof toewijsbaar.

13. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende,

- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot (terug)betaling van € 3.750,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2010;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot (terug)betaling van € 1.170,32, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 augustus 2010;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 2 augustus 2010 begroot op € 263,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 87,93 aan kosten uitbrenging appeldagvaarding,

€ 284,-- aan griffierecht en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville en A.V. van den Berg, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2012 in aanwezigheid van de griffier.