Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8424

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
22-000240-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige dochter.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000240-11

Parketnummer: 09-655122-10

Datum uitspraak: 8 februari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 december 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1949,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1990 tot en met 13 september 1999 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 1981, bestaande die ontucht hierin dat hij

-de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of

-zich heeft afgetrokken in het bijzijn van die [slachtoffer] en/of

-zich heeft laten aftrekken, althans zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten door die [slachtoffer] en/of

-zijn penis tussen de benen/bij de schaamstreek van die [slachtoffer] heeft geduwd/gestopt;

En/of

hij in de periode van 14 september 1999 tot en met

1 maart 2000 te 's-Gravenhage met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte

- zich afgetrokken in het bijzijn van die [slachtoffer] en/of

- zich laten aftrekken, althans zijn, verdachtes, penis laten betasten door die [slachtoffer] en/of

- zijn penis tussen de benen/bij de schaamstreek van die [slachtoffer] geduwd/gestopt.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn dochter [slachtoffer], terwijl zijn dochter in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. Het hof begrijpt dat dit deel van de tenlastelegging ziet op het/de moment(en) dat [slachtoffer] lag te slapen.

Het hof is van oordeel dat voor het tweede en derde gedachtestreepje onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Ter zake van het eerste gedachtestreepje -het zichzelf aftrekken in het bijzijn van [slachtoffer]- heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Echter, naar het oordeel van het hof kan het zichzelf aftrekken van de verdachte naast het bed met daarin zijn slapende dochter [slachtoffer], niet worden gezien als het plegen van een ontuchtige handeling met die dochter.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij zich deze gebeurtenis nog kan herinneren, omdat, toen zij wakker werd, zag dat haar vader zich naast haar bed stond af te trekken. Naar het oordeel van het hof kan ook deze situatie een bewezenverklaring van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegd niet rechtvaardigen, daar [slachtoffer] een en ander pas heeft waargenomen toen zij wakker was, en zij derhalve niet (meer) in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 1990 tot en met 12 september 1999 te 's-Gravenhage, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 1981, bestaande die ontucht hierin dat hij

-de borsten en vagina van die [slachtoffer] heeft betast en

-zich heeft laten aftrekken, althans zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten door die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige dochter. De ontuchtige handelingen hebben zich onder meer voorgedaan toen [slachtoffer] pas ongeveer 9 jaar oud was, een leeftijd waarop zij zeer kwetsbaar was. Doordat de moeder van [slachtoffer] zich als gevolg van haar psychische klachten nauwelijks met haar opvoeding bezig hield, was [slachtoffer] volledig aangewezen op haar vader. Verdachte heeft aldus in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat [slachtoffer] in hem als feitelijk de enige ouder die zich om haar bekommerde, mocht stellen. Als vader had verdachte haar juist moeten behoeden voor schadelijke invloeden en grensoverschrijdend gedrag waaraan hij haar nu zelf heeft blootgesteld.

Niet gebleken is dat de verdachte op enig moment rekening heeft gehouden met de gevoelens van [slachtoffer] en de vragen die zijn gedrag bij haar kon oproepen. Hij lijkt uitsluitend oog te hebben gehad voor de bevrediging van zijn eigen behoeften.

Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat slachtoffer van seksueel misbruik op jonge leeftijd gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen daarvan in hun leven ervaren. Ook voor [slachtoffer] lijkt dit te gelden. Immers uit haar slachtofferverklaringen blijkt dat verdachte door zijn handelwijze de (seksuele) ontwikkeling van zijn dochter ernstig heeft verstoord en dat zij daar nog steeds veel last van heeft.

Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte blijkens een uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 januari 2012 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft ook in aanzienlijke mate rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van zijn echtgenote, die wegens psychische klachten vrijwel geheel is aangewezen op de zorg van de verdachte.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 29 april 2010.

Het hof heeft weliswaar minder bewezen verklaard dan door de advocaat-generaal is geëist, maar is - gelet op de ernst van de feiten- toch van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van de door de advocaat gevorderde duur op z'n plaats is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.825,15. In eerste aanleg is deze vordering gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 2.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot € 2.825,15.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van immateriële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van € 2.383,15 worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 2.383,15 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.383,15 (tweeduizend driehonderddrieëntachtig euro en vijftien cent) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.383,15 (tweeduizend driehonderddrieëntachtig euro en vijftien cent) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. D.J.C. van den Broek,

mr. G. Knobbout en mr. T. Groeneveld, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Koers.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2012.

Mr. T. Groeneveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.