Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8314

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
MHD 200.048.692 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, uitleg overurenafspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0219
Prg. 2012/116

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer MHD 200.048.692

arrest van de achtste kamer van 6 maart 2012

in de zaak van

PABO B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. C.I.M. Molenaar,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J.W. Vermunt,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 januari 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen onder zaak-/rolnummer 161210/07-2315 gewezen vonnis van 22 juli 2009.

5. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

5.1. Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald, die niet heeft plaatsgevonden.

5.2. Bij memorie van grieven heeft Pabo B.V. twee grieven aangevoerd en, onder verwijzing naar de appeldagvaarding, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van [geintimeerde], kosten rechtens.

5.3. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden.

5.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

6. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7. De verdere beoordeling

7.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

7.1.1. [geintimeerde], geboren op [geboortedatum] 1965, is op 1 augustus 1995 in dienst getreden van Pabo B.V., een homeshopping- en postorderbedrijf in erotische artikelen. [geintimeerde] vervulde bij Pabo B.V. laatstelijk de functie van hoofd automatisering tegen een loon van € 4.710,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. [geintimeerde] had ingevolge zijn arbeidsovereenkomst geen aanspraak op uitbetaling van overuren.

7.1.2. Pabo B.V. wenste een nieuw logistiek softwaresysteem (Navision Axapta) in te voeren. Met betrekking tot de in het kader van dit Navision-project te werken overuren zijn afspraken gemaakt, welke op 4 september 2002 op schrift zijn gesteld door mevrouw [PZ-manager] van de afdeling personeelszaken van Pabo B.V. (productie 2 bij inleidende dagvaarding). De schriftelijke bevestiging was gericht aan de heren: [heer 1.], [heer 2.], [heer 3.] en [geintimeerde] (geïntimeerde). Deze afspraken luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Hierbij een schriftelijke bevestiging van de afspraken die zijn gemaakt inzake jullie arbeidsvoorwaarden gedurende de uitvoering van het project Navision.

(…)

Overuren

Overuren gemaakt in het kader van het Navision-project worden bijgehouden (zie hiervoor bijgaand formulier) en na afronding van het project uitbetaald conform het Pabo-arbeidsvoorwaardenreglement.

Indien werknemer uit dienst treedt bij Pabo B.V. gedurende de uitvoering van het project (d.w.z. voordat Navision Axapta succesvol is geïmplementeerd) komen bovengenoemde afspraken te vervallen.

(…)”

7.1.3. Bij beschikking van 27 juni 2007 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) heeft de kantonrechter te Middelburg op grond van gewijzigde omstandigheden de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 12 juli 2007 en aan [geintimeerde] met toepassing van correctiefactor C=1 een vergoeding toegekend van € 66.129,-- bruto.

7.1.4. Op 17 augustus 2007 heeft [geintimeerde] aan de heer [heer 4.] van Pabo B.V. een brief geschreven (productie 5 bij inleidende dagvaarding), die voor zover thans van belang, als volgt luidt:

“(…)

Met toestemming van de toenmalige Pabo-direktie mocht ik en nog 3 collega’s overuren schrijven vanwege het structureel overwerken. Normaliter mogen managers en kaderleden geen overuren schrijven, vandaar dat dit bij uitzondering is toegestaan door dhr. [statutair directeur].

Navraag bij mijn ex-collega’s leert dat zij inmiddels hun overuren hebben uitbetaald gekregen!

Volgens het overzicht van oud PZ-manager mevr. [PZ-manager], heb ik in totaal voor 52.637,26 euro aan overuren opgebouwd. Hiervan is reeds als voorschot 7200 euro aan mij betaald. Resteert nog een bedrag van 45.437,26 euro waarvoor ik u in gebreke stel.

(…)”

7.1.5. Bij e-mail van 22 augustus 2007 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) heeft [medewerker PABO B.V.] namens Pabo B.V. aan [geintimeerde] geantwoord dat [geintimeerde] geen aanspraak heeft op uitbetaling van overuren.

7.2. [geintimeerde] heeft in eerste aanleg bij exploot van 22 november 2007 Pabo B.V. voor de kantonrechter te Middelburg gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, Pabo B.V. te veroordelen aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 45.437,26 bruto ter zake van overuren, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, alsmede de wettelijke rente over het aldus gevorderde loon en de wettelijke verhoging vanaf de vervaldagen tot en met de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Pabo B.V. in de kosten van deze procedure. Daarnaast vorderde [geintimeerde] van Pabo B.V., kort gezegd, betaling van bedragen van € 2.000,-- bruto en € 1.600,-- netto, die door Pabo B.V. ten onrechte waren verrekend. Deze vordering, die de kantonrechter in het bestreden vonnis van 22 juli 2009 heeft toegewezen, is in hoger beroep niet meer aan de orde.

7.3. Bij vonnis van 4 juni 2008 heeft de kantonrechter wat betreft de vordering van [geintimeerde] ter zake de overuren geconcludeerd dat [geintimeerde] er in beginsel op mocht rekenen dat hij de gewerkte uren voor het Navision-project vergoed zou krijgen. Anders dan Pabo B.V. las de kantonrechter in de tekst van de afspraak niet dat overuren alleen zouden worden vergoed indien het project succesvol zou worden afgerond. Volgens de kantonrechter houdt de tekst van de afspraak in dat de overuren na afronding zouden worden uitbetaald, hetgeen niet meer is dan een bepaling van het moment waarop zal worden betaald. De kantonrechter overwoog voorts dat niet uitgesloten is dat partijen toch zijn overeengekomen, zoals Pabo B.V. stelt, dat de overuren alleen zouden worden uitbetaald indien en nadat het project succesvol zou zijn geïmplementeerd c.q. daadwerkelijk goed zou functioneren in alle Pabo-landen (zoals het is omschreven in een door Pabo B.V. overgelegde verklaring van 31 mei 2007 van [statutair directeur], haar statutair directeur tot januari 2007).

In eerste aanleg verschilden partijen voorts van mening over de betekenis van de woorden “indien werknemer uit dienst treedt bij Pabo B.V.”, vermeld in de in rechtsoverweging 7.1.2 weergegeven schriftelijke bevestiging van de afspraak. Volgens Pabo B.V. volgt uit de bewoordingen dat de afspraak ook zou komen te vervallen indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van Pabo B.V. ten einde zou komen. Op dit punt is Pabo B.V. in het tussenvonnis van 4 juni 2008 in de gelegenheid gesteld haar stelling omtrent de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst te bewijzen. Na bewijslevering heeft de kantonrechter in het vonnis van 22 juli 2009 geoordeeld dat Pabo B.V. niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de overurenvergoeding zou komen te vervallen indien de arbeidsovereenkomst zou eindigen door toedoen van Pabo B.V.

De kantonrechter heeft Pabo B.V. in het tussenvonnis van 4 juni 2008 voorts in de gelegenheid gesteld feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit de inhoud van de overeenkomst zou volgen zoals door haar gesteld. Na bewijslevering heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 10 van het bestreden eindvonnis van 22 juli 2009 geconcludeerd dat er geen koppeling was aangebracht in de afspraken in die zin dat het recht op overurenvergoeding afhankelijk was van de vraag of het project succesvol zou worden afgerond. Pabo B.V. was niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs.

7.4. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 22 juli 2009 Pabo B.V. veroordeeld om aan [geintimeerde] een bedrag te betalen van € 45.437,26 bruto ter zake van overuren, vermeerderd met 10% wegens wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2007 tot aan de dag der voldoening. Pabo B.V. werd tevens in de proceskosten veroordeeld.

7.5. Pabo B.V. is het met dit vonnis niet eens en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft Pabo B.V. twee grieven aangevoerd. Deze zijn gericht tegen het in rechtsoverweging 6.6 van het tussenvonnis van 4 juni 2008 gegeven oordeel van de kantonrechter “dat, uitgaande van de tekst van de betreffende afspraak, het feit dat het project niet succesvol is geëindigd met het bereiken van het beoogde doel noch het feit dat de arbeidsovereenkomst (…) is geëindigd door de ontbinding ervan op verzoek van Pabo er aan in de weg staat dat [geintimeerde] recht heeft op vergoeding van de door hem aan het project bestede overuren” (grief I). Voorts komt Pabo B.V. op tegen het in rechtsoverweging 6.7 van voormeld tussenvonnis gegeven oordeel van de kantonrechter: “Tegenover de betwisting daarvan door [geintimeerde] is het dan aan Pabo om bewijs [te; hof] leveren van haar stellingen. Pabo heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden en de kantonrechter zal haar dan ook in de gelegenheid stellen om te bewijzen feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat de inhoud van de overeenkomst is als door Pabo gesteld” (grief II).

7.6. Het hof stelt voorop dat waar Pabo B.V. in de appeldagvaarding in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen eindvonnis van 22 juli 2009, het haar vrijstond om in de memorie van grieven ook (en in casu uitsluitend) grieven te richten tegen het aan dit eindvonnis voorafgaande tussen partijen gewezen tussenvonnis van 4 juni 2008. Dit vonnis is daarmee in het appel betrokken.

7.7.1. Blijkens de eerste grief en de daarop gegeven toelichting verzet Pabo B.V. zich niet tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 6.5 van het tussenvonnis van 4 juni 2008 dat de bewoordingen “indien werknemer uit dienst treedt bij Pabo B.V.”, niet betekenen dat de afspraak ook komt te vervallen indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van Pabo B.V. ten einde komt, bijvoorbeeld door ontslag zijdens Pabo B.V. of ontbinding van de overeenkomst op verzoek van Pabo B.V. Dit oordeel van de kantonrechter staat in hoger beroep dan ook niet ter discussie.

7.7.2. Met de eerste grief stelt Pabo B.V. de vraag aan de orde of de schriftelijke bevestiging van de overurenafspraak, weergegeven in rechtsoverweging 7.1.2, aldus moet worden uitgelegd dat de overuren alleen zouden worden vergoed indien het Navision-project succesvol zou worden afgerond.

7.7.3. [geintimeerde] heeft deze grief gemotiveerd bestreden.

7.7.4. Pabo B.V. wijst er in de toelichting op de eerste grief op dat [geintimeerde] in eerste aanleg als getuige in het kader van de overuren heeft verklaard dat “de mensen van mijn team daarvoor wel een vergoeding wilden ontvangen”. Pabo B.V. stelt dat de overurenafspraak daarmee volgens [geintimeerde] een regeling betrof voor de mensen van zijn team en dat hij ([geintimeerde]) daar zelf boven stond.

7.7.5. Het hof overweegt dat voor zover Pabo B.V. aldus betoogt dat de overurenafspraak niet [geintimeerde] betreft, maar enkel zijn ondergeschikten, deze stelling moet worden verworpen. Weliswaar heeft [geintimeerde] als getuige in het kader van de voor het Navision-project te maken overuren verklaard: “ik heb toen aangekaart dat de mensen van mijn team daarvoor wel een vergoeding wilden ontvangen”, maar duidelijk is dat de afspraak waarover [geintimeerde] als getuige heeft verklaard, in zijn visie is gemaakt met zijn gehele team van ict-medewerkers, waartoe hij zichzelf ook rekent. Bovendien staat vast dat de schriftelijke bevestiging van 4 september 2002 van de ten aanzien van de overuren in het kader van het Navision-project gemaakte afspraken, niet enkel is gericht aan de heren [heer 1.], [heer 2.] en [heer 3.] (kennelijk de ondergeschikten van [geintimeerde]), maar ook aan [geintimeerde] zelf (zie rechtsoverweging 7.1.2 en productie 2 bij inleidende dagvaarding). In het licht van het voorgaande heeft Pabo B.V. haar stelling op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd.

7.7.6. In het bericht van 4 september 2002 (zie rechtsoverweging 7.1.2) zijn de afspraken ter zake de overuren voor het Navision-project schriftelijk neergelegd. Partijen verschillen van mening over de inhoud van deze afspraak. Volgens Pabo B.V. had [geintimeerde] slechts dan recht op uitbetaling van de in het kader van het Navision-project gemaakte overuren als het project in alle Pabo-landen succesvol zou zijn geïmplementeerd. Volgens [geintimeerde] daarentegen was de eis van succesvolle afronding niet overeengekomen.

7.7.7. Het hof stelt voorop dat in een geval als het onderhavige, waarin partijen van mening verschillen over de betekenis van een in de schriftelijke bevestiging van een mondeling overeengekomen beding, de rechter de betekenis van dat beding dient vast te stellen aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, alsmede aan de hand van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit dit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (vgl. HR 12 januari 2001, LJN: AA9430, NJ 2001, 199).

7.7.8. Blijkens de schriftelijke bevestiging van de afspraak d.d. 4 september 2002 zouden de in het kader van het Navision-project gemaakte overuren worden uitbetaald “na afronding” van dat project. Voorts werd afgesproken dat indien de werknemer bij Pabo B.V. uit dienst zou treden gedurende de uitvoering van het project, waaraan tussen haakjes is toegevoegd: “d.w.z. voordat Navision Axapta succesvol is geïmplementeerd”, de afspraken zouden komen te vervallen. Het hof leidt uit laatstgenoemde toevoeging af dat ook met het eerdere “afronding” is bedoeld: na succesvolle afronding.

7.7.9. Partijen zijn het erover eens dat zij er op het moment dat de overurenafspraak werd gemaakt vanuit gingen dat het project succesvol zou eindigen (zie conclusie van repliek sub 7 en conclusie van dupliek sub 5). Ook de heer [statutair directeur], indertijd (statutair) directeur van Pabo B.V. en degene die zijdens Pabo B.V. de overurenafspraak met [geintimeerde] en anderen heeft gemaakt, heeft als getuige verklaard dat er toen niet is stilgestaan bij de mogelijkheid dat het nieuwe systeem er niet zou komen. [geintimeerde] heeft als getuige in gelijke zin verklaard. Volgens hem ging iedereen er vanuit dat het project binnen 2 à 3 jaar zou zijn voltooid en dat het project “appeltje eitje” zou verlopen. Voorts heeft mevrouw [PZ-manager], wier naam staat onder de schriftelijke bevestiging van de overurenafspraak van 4 september 2002, als getuige verklaard dat bij niemand is opgekomen dat het project niet tot een goed einde zou komen.

7.7.10. Pabo B.V. beoogde met de overurenafspraak de ict-medewerkers die aan het Navision-project werkten, te motiveren en aan zich te binden. In het kader van het Navision-project zouden namelijk meer overuren moeten worden gemaakt dan te doen gebruikelijk.

Voornoemde heer [statutair directeur] heeft als getuige in dit verband verklaard: “Het was namelijk van belang dat de club die aan het project werkte, bij elkaar zou blijven en natuurlijk dat de medewerkers bereid zouden zijn om extra uren te maken”. In het salaris van [geintimeerde] zat kennelijk wel een vergoeding voor overuren in het algemeen besloten, maar niet bestreden is dat [geintimeerde] in het kader van het Navision-project daadwerkelijk meer overuren heeft gemaakt dan te doen gebruikelijk was en dat dit ook de kern vormde van de toezegging van Pabo B.V. van 4 september 2002.

7.7.11. In casu staat vast dat Pabo B.V. ertoe heeft besloten om het Navision-project stop te zetten. Pabo B.V. betoogt dat [geintimeerde] niet in staat was gebleken het Navision-programma te implementeren. Voor zover Pabo B.V. daarmee beoogt te stellen dat [geintimeerde] is tekort geschoten en dat het aan hem is te wijten dat het Navision-project niet succesvol is geïmplementeerd, zodat het om die reden niet redelijk en billijk is dat [geintimeerde] aanspraak zou hebben op uitbetaling van overuren, heeft Pabo B.V. haar stelling onvoldoende onderbouwd. Pabo B.V. heeft immers niet aangegeven in welk opzicht [geintimeerde] een verwijt kan worden gemaakt. In dit verband wijst het hof er op dat ook de kantonrechter in de ontbindingsbeschikking d.d. 27 juni 2007 heeft geoordeeld dat Pabo B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan [geintimeerde] van de niet-tijdige implementatie een verwijt kan worden gemaakt. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat [geintimeerde] de niet succesvolle afronding van het Navision-project niet kan worden verweten.

7.7.12. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden, te weten dat partijen bij het maken van de overurenafspraak van de veronderstelling uitgingen dat het Navision-project succesvol zou zijn, dat [geintimeerde] in het kader van het Navision-project meer dan normale overuren heeft gemaakt, alsmede dat het niet aan [geintimeerde] is te wijten dat het Navision-project niet succesvol is afgerond, brengt een redelijke uitleg van de op 4 september 2002 schriftelijk bevestigde overurenafspraak met zich dat de woorden “na afronding van het project” niet als de verwoording van een opschortende voorwaarde dienen te worden beschouwd, waaraan moest zijn voldaan alvorens de overuren zouden worden uitbetaald. Veeleer zijn zij te beschouwen als een weergave van de veronderstelling waarin partijen op dat moment verkeerden, namelijk dat het Navision-project succesvol zou eindigen. Een redelijke uitleg van de overurenafspraak brengt met zich dat [geintimeerde] onder de voormelde omstandigheden ook recht heeft op betaling van de door hem in het kader van het Navision-project gemaakte overuren, ook al is dit project uiteindelijk niet succesvol geïmplementeerd. Het project is immers wel afgerond in de zin van beëindigd, nu er verder geen vervolg aan is gegeven. In overeenstemming met deze conclusie acht het hof het feit dat Pabo B.V. ter zake de overuren reeds een bedrag van € 7.200,-- aan [geintimeerde] heeft uitbetaald. Dat Pabo B.V. in rechte het standpunt heeft ingenomen dat aan deze betaling de rechtsgrond is komen te ontvallen daar niet was voldaan aan de opschortende voorwaarde van succesvolle implementatie, maakt dit oordeel niet anders. Voorts acht het hof het voldoende aannemelijk dat de andere medewerkers met wie de overurenafspraak was gemaakt, [heer 1.], [heer 2.] en [heer 3.], bedragen gelijkwaardig aan hun aanspraken op grond van de overurenafspraak door Pabo B.V. hebben toegekend gekregen, zij het (mogelijk) onder een andere noemer. Ook dit sluit aan bij voormelde uitleg van de overurenafspraak. Pabo B.V. heeft bij conclusie van dupliek betwist dat aan genoemde personen, zoals [geintimeerde] had betoogd, een vergoeding was toegekend die qua omvang correspondeerde met de waarde van de gemaakte overuren. Gelet op de bij conclusie van repliek als productie 11 overgelegde e-mailberichten van [heer 2.] en [geintimeerde] en de schriftelijke verklaring van mevrouw [PZ-manager] d.d. 20 augustus 2007 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) dat “de andere 3, [heer 2.], [heer 1.] en [heer 3.] hun overuren volledig betaald hebben gekregen”, heeft Pabo B.V. haar andersluidende standpunt echter onvoldoende onderbouwd. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de eerste grief faalt.

7.8.1. Pabo B.V. heeft zich in eerste aanleg en in hoger beroep op het standpunt gesteld dat partijen een opschortende voorwaarde waren overeengekomen, in die zin dat de overuren alleen zouden worden uitbetaald indien en nadat het Navision-project succesvol zou zijn geïmplementeerd c.q. daadwerkelijk goed zou functioneren in alle Pabo-landen. Met de tweede grief en de daarop gegeven toelichting betoogt Pabo B.V. dat de kantonrechter ten onrechte op haar de bewijslast heeft gelegd van het bestaan van voormelde opschortende voorwaarde. Ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was het aan [geintimeerde] om te bewijzen dat het bericht van 4 september 2002 géén opschortende voorwaarde behelsde. Voor zover [geintimeerde] niet in dat bewijs zou slagen, was het aan [geintimeerde] geweest om te bewijzen dat die opschortende voorwaarde niet langer aan nakoming in de weg zou staan, bijvoorbeeld doordat deze in vervulling was gegaan (zie HR 7 december 2001, NJ 2002, 494), aldus Pabo B.V.

7.8.2. [geintimeerde] heeft ook deze grief gemotiveerd bestreden.

7.8.3. Het hof overweegt als volgt.

Nu uit de tekst van de op 4 september 2002 schriftelijk bevestigde afspraak, zoals hierboven uitgelegd, niet dadelijk het bestaan van een opschortende voorwaarde, zoals door Pabo B.V. gesteld, volgt, heeft de kantonrechter terecht en overeenkomstig artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Pabo B.V. toegelaten tot het bewijs van de door haar gestelde opschortende voorwaarde. Ook de tweede grief faalt derhalve.

7.9. Het door Pabo B.V. gedane bewijsaanbod wordt als niet ter zake doende en onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

7.10. Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

Pabo B.V. wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het hoger beroep.

8. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 22 juli 2009 en het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 4 juni 2008;

veroordeelt Pabo B.V. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geintimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 262,-- aan verschotten en € 1.631,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, M.J.H.A. Venner-Lijten en E.A.G.M. Waaijers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2012.