Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV7665

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
BK-04/02460
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA2240, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur voor het opleggen van de boeten is geslaagd in het bewijs dat belanghebbende in de onderwerpelijke jaren houder van KBL-rekening [...] is geweest. Met inachtneming van de hiervoor weergegeven criteria stelt het Hof verder vast, gelet op de gegevens op de microfiches, dat belanghebbende bij KBL, een bank met een bankgeheim, een bankrekening heeft geopend en heeft aangehouden en dat hij de tegoeden en de daarmee behaalde voordelen buiten het zicht van de fiscus heeft gehouden. Aan die vaststelling, in samenhang met 's Hofs overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel dat belanghebbende voor elk van de nog in geding zijnde jaren te weinig belasting heeft betaald, ontleent het Hof het vermoeden dat het voor elk van die jaren aan opzet van belanghebbende is te wijten dat hij tot het uiteindelijke beloop van de navorderingsaanslagen, te weinig belasting heeft betaald. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt waaruit een argument is te destilleren dat vermoeden ontzenuwd te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/630
FutD 2012-0691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-04/02460

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 3 februari 2012

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de directeur van de Belastingdienst Haaglanden (hierna: de Inspecteur) betreffende na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende zijn op basis van het saldo op 31 januari 1994 van rekeningnummer [...] ten name van "[Voornaam X][Achternaam X]-[Meisjesnaam Y]", aangehouden bij de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise te Luxemburg (hierna: KBL) de navolgende aanslagen en beschikkingen opgelegd:

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 50 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 50 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 50 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1992 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1993 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1994 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1995 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1996 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1997 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1998 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1999 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 50 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente; en

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 2000 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 50 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

1.2. De tegen de navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake de heffingsrente gerichte bezwaren zijn bij de bestreden uitspraken afgewezen.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 37.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2011, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn partijen verschenen.

2.4. De brief van 5 januari 2012 van belanghebbende rekent het Hof niet tot de gedingstukken. De brief is na sluiting van het onderzoek ter zitting ingekomen. Voorts ziet het Hof, nu met de brief niets is aangevoerd wat niet eerder had kunnen worden aangevoerd en overigens niet is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, geen reden het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting geen aangiften gedaan waarin melding is gemaakt van inkomsten of vermogen met betrekking tot een rekening bij KBL.

3.2. In 1994 hebben medewerkers van KBL-microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij KBL ontvreemd. Deze gegevensdragers zijn in handen gekomen van de Belgische justitiële autoriteit. Op welke wijze dit is geschied, is niet geheel duidelijk.

3.3. De Belgische justitiële autoriteit heeft de gegevens verstrekt aan de Belgische belastingautoriteit ten behoeve van de belastingheffing in België. In antwoord op een verzoek van de Belgische belastingautoriteit heeft de Belgische justitiële autoriteit te kennen gegeven het niet opportuun te achten de inlichtingen door te geven aan buitenlandse belastingadministraties, met de aantekening dat het aan de Belgische belastingautoriteit zelf is te beslissen of het passend is de inlichtingen aan buitenlandse diensten te verstrekken.

3.4. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) op basis van Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan de Nederlandse Belastingdienst/FIOD, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij KBL op naam van inwoners van Nederland. De microfiches bevatten gegevens van bij KBL aangehouden rekeningen door in Nederland wonende personen. Van de rekeningen zijn 6.171 op naam. In 3.952 gevallen hebben de FIOD en de Belastingdienst een behandeltraject ingezet. Onderdeel van het behandeltraject is het vaststellen van de identiteit van de rekeninghouder. In 38 gevallen is de rekeninghouder niet geïdentificeerd. In 3.464 van de 3.952 gevallen is door degene aan wie een aanslag is opgelegd, erkend dat hij of zij houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.5. Het onderzoek door de FIOD en de Inspecteur heeft het vermoeden opgeleverd dat belanghebbende houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.6. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij vragenbrief van 8 januari 2002 het volgende onder de aandacht gebracht:

"(...) De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.

Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.

Ik verzoek u de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren vóór 16 januari 2002. U kunt daarbij gebruik maken van de bijgevoegde portvrije retourenveloppe. Gezien de aard en de beperkte omvang van de gevraagde gegevens en inlichtingen zal géén uitstel worden verleend voor het aanleveren daarvan.

Als u nog vragen of opmerkingen heeft, kunt u mij bellen. (...)"

De bijlage bevat een formulier "VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN" waarin belanghebbende gevraagd wordt om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

3.7. Gedateerd 14 januari 2002 heeft belanghebbende het formulier "VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN" aan de Inspecteur teruggestuurd onder vermelding van rekeningnummer [...], van KBL als de naam van de bank en van 1989 als het jaar van opening van de rekening.

3.8. Bij vervolgvragenbrief van 16 januari 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende nadere vragen gesteld en daarbij het navolgende onder diens aandacht gebracht:

"(...) Ik wijs u er nogmaals op dat u op grond van artikel 47, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken, alsmede bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, die voor uw belastingheffing van belang kunnen zijn. In artikel 49 AWR is bepaald dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b, AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.

Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt, dan wel de gevraagde bescheiden en andere gegevensdragers niet beschikbaar stelt, pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.

Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 25 maart 2002 toe te sturen in bijgevoegde portvrije retourenveloppe. Indien u vragen of opmerkingen heeft kunt u mij bellen. (...)"

3.9. Op de vervolgvragenbrief van 16 januari 2002 heeft belanghebbende de Inspecteur bij brief van 4 februari 2002 geantwoord:

"(...) Op 9 februari 1989 heb ik in Luxemburg een spaarrekening geopend. De herkomst van de bedragen, die daar gestort zijn, is spaargeld. Daar ik reeds op jeugdige leeftijd een behoorlijk salaris verdiende en ook mijn vrouw inkomsten had, was het voor ons mogelijk om per maand tussen de twee á drie duizend gulden over te houden. De bijstortingen zijn dan ook allen afkomstig van gespaard geld. Slechts eenmaal heb ik geld van mijn rekening afgehaald. Dit geld is besteed aan een auto en een nieuwe keuken en inrichting voor het huis. De opbrengsten van dit banktegoed heb ik niet vermeld op mijn aangiften inkomstenbelasting en of vermogensbelasting. Daar de bank slechts gedurende 10 jaar de klantengegevens dient te bewaren, heb ik uit mijn eigen administratie kunnen herleiden wat de rente-inkomsten zijn geweest van de jaren 90 en 91, welke zijn opgenomen in mijn bijlage rente-inkomsten. Tevens doe ik u alle papieren toe komen die de bank mij heeft opgestuurd. Volledigheidshalve merk ik op dat over het geld, waar het om gaat, in het verleden reeds loonbelasting betaald is. Indien u vragen of opmerkingen heeft, ben ik gaarne bereid om deze zaken mondeling toe te lichten. (...)"

3.10. Bij vervolgvragenbrief van 13 februari 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende nadere vragen gesteld en daarbij het navolgende onder diens aandacht gebracht:

"(...) Gelet op de omvang van uw spaartegoeden bent u zowel inkomstenbelasting- als vermogensbelasting verschuldigd. Voor de vermogensbelasting zijn geen aangiften ingediend. In verband met het vaststellen van de verschuldigde vermogensbelasting ontvang ik graag een vermogensopstelling van uw vermogen op 1 januari 1991 t/m 1 januari 2000. (Per jaar afzonderlijk). (...) Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 25 februari 2002 toe te sturen in de bijgevoegde portvrije retourenvelop. Als u vragen of opmerkingen heeft kunt u mij bellen. (...)"

3.11. Op de vervolgvragenbrief van 13 februari 2002 heeft belanghebbende de Inspecteur bij brief van 19 februari 2002 geantwoord:

"(...) Naar aanleiding van uw brief van 13 februari 2002 kenmerk 77/[...] doe ik u mijn vermogensoverzicht toekomen van januari 1991 t/m januari 2000 (zie bijlagen)

Hopende u voldoende geïnformeerd te hebben, verblijf ik hoogachtend, (...)"

3.12. Bij brief van 22 april 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur te kennen gegeven:

"(...) Tot mij wendde zich in aanhef genoemde cliënt met het verzoek tot rechtsbijstand. Hiertoe heb ik mijn bereidheid uitgesproken.

Cliënt legde mij uw voornemens om bij hem langs te gaan voor een intakegesprek. Ik ben thans doende om na te gaan of het intakegesprek, dat u aangekondigd heeft, dient plaats te vinden. Hierop zal ik binnen twee weken inhoudelijk reageren.

Intussen verzoek ik u, namens cliënt, alle correspondentie dienaangaande te richten aan mijn kantooradres. (...)"

3.13. Bij brief van 17 mei 2002 deelt de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende mee:

"(...) Op 12 april 2002 heb ik uw cliënt de heer [X], [a-straat 1] te [Z] sofinummer [...], een concept vaststellingsovereenkomst met bijbehorende berekeningen gestuurd.

In verband daarmee heeft u in uw brief van 22 april 1002 aangegeven dat u binnen twee weken hierop inhoudelijk zult reageren. Tot op heden heb ik geen reactie ontvangen.

Ik stel u daarom nog eenmaal in de gelegenheid te reageren.

Heb ik vóór 1 juni 2002 nog niets vernomen, dan zal kan het in de vaststellingsovereenkomst aangegeven bedrag aan heffingsrente opnieuw worden berekend, en hierdoor hoger worden. (...)"

3.14. Bij brief van 27 mei 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur:

"(...) U heeft aan cliënt meegedeeld, dat bij de belastingdienst het vermoeden is gerezen, dat de door cliënt ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen niet juist zouden zijn. Mede op grond hiervan heeft u cliënt verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot de vraag of deze een bankrekening in het buitenland aanhoudt. Bij het niet verstrekken van de gevraagde informatie wordt gedreigd met omkering van de bewijslast. Bovendien wordt cliënt strafrechtelijke vervolging in het vooruitzicht gesteld voor het geval deze zou weigeren de gevraagde informatie te verschaffen. De beantwoording van uw vragen is afhankelijk van de antwoorden op vragen door mij aan de Staatssecretaris van Financiën gesteld. Namens cliënt deel ik u dan ook mee, dat deze zijn medewerking zal verlenen, nadat de antwoorden op de door mij gestelde vragen zijn ontvangen. Dat ik mij tot de Staatssecretaris heb gewend komt, doordat de verschillende eenheden van de belastingdienst, verspreid over het gehele land, steeds wisselende standpunten innemen, dan wel niet tot beantwoording van de door mij gestelde vragen wensen over te gaan. Inzake de voortgang van behandeling van mijn schrijven verzoek ik u zich rechtstreeks tot het Ministerie te wenden. (...)"

3.15. Bij brief van 13 december 2002 deelt de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende mee:

"(...) In uw brief van 22 november 2002 verzoekt u om stukken op grond waarvan ik meen aan uw cliënt, de heer [X], [a-straat 1] te [Z], navorderingsaanslagen op te leggen. In mijn brief van 14 november 2002 heb ik u geschreven dat ik over gegevens beschik waaruit blijkt dat uw cliënt ten minste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland. De door uw cliënt verstrekte gegevens van de rekening zijn in mijn berekeningen verwerkt (Zie hiervoor onder meer mijn brief van 4 september 2002). Op mijn berekening heeft u niet inhoudelijk gereageerd. Hierbij treft u een kopie aan van het betreffende microfiche van uw cliënt. De redenen op grond waarvan ik meen navorderingsaanslagen op te leggen zijn vermeld in mijn brief van 8 november 2002. Omdat u heeft verzocht om een nadere toelichting op de toegepaste berekening verwijs ik u naar de (éénmalig toegezonden) cijfermatige informatie welke als bijlage is meegestuurd met de brief met kenmerk 77/[...]. (...)"

3.16. Bij brief van 31 december 2002 deelt de Inspecteur aan belanghebbende mee:

"(...) Op 14 november 2002 heb ik uw advocaat schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had navorderingsaanslagen Inkomstenbelasting 1990 en Vermogensbelasting 1991 op te leggen en een vergrijpboete. Ik heb uw advocaat daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. Uw advocaat heeft op mijn brief gereageerd. Zijn reactie geeft mij geen aanleiding mijn standpunt te herzien omdat niet gebleken is dat mijn berekening onjuist is. Uw advocaat heeft niet inhoudelijk op de berekening gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn berekening juist is en leg ik de aangekondigde navorderingsaanslagen en de boete op. Voor de gronden waarop ik de boete baseer, verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. In deze kennisgeving was opgenomen:

Op grond van artikel 18, lid 1 van de AWR ben ik voornemens over de correcties een niet-ordeboete van 100% op te leggen. Hiervan zal ik 50% kwijtschelden. Deze kwijtschelding is gebaseerd op artikel 18, lid 2 van de AWR en hoofdstuk IV van de Leidraad Administratieve Boeten 1993. Uit het onderzoek door de Belastingdienst zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik voornemens ben deze boete op te leggen: U heeft bewust nagelaten genoemde inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken, dan wel zich willens en wetens blootgesteld aan de geenszins te verwaarlozen kans dat, door het ten onrechte niet aangeven van genoemde inkomens- en vermogensbestanddelen, te weinig zou worden geheven. Dit ondanks dat in de aangifte uitdrukkelijk gevraagd wordt naar deze inkomens- en vermogensbestanddelen. Op grond hiervan ben ik van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

In tegenstelling van hetgeen ik in mijn brief van 14 november 2002 met betrekking tot de vermogensbelasting heb meegedeeld, wordt eveneens een boete voor de vermogensbelasting opgelegd, omdat opzettelijk geen aangifte is gedaan voor de vermogensbelasting, en dit feit een grond voor een boete vormt. (...)

Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alwaar geregeld is dat de inspecteur uiterlijk bij de voor bezwaar vatbare beschikking de belastingplichtige in kennis stelt van de gronden waarop de oplegging van de boete berust. (...)"

3.17. Bij brief van 18 april 2003 deelt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende mede:

"(...) Hierbij wil ik u op de hoogte stellen van mijn voornemen om uw cliënt de heer [X][a-straat 1] te [Postcode] [Z] navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1991 t/m 2000 en vermogensbelasting 1992 t/m 2000 met een niet-ordeboete c.q. vergrijpboete op te leggen. (...)

Bij de berekening ben ik uitgegaan van de door uw cliënt verstrekte gegevens. (...)

Aangezien uw cliënt bij het onderzoek volledige medewerking heeft verleend zal ik de boete echter vaststellen op 50%. (...)

Ik stel u in de gelegenheid om vóór 2 mei 2003 schriftelijk op de voorgenomen navordering te reageren. Tevens verzoek ik u dan de gronden waarop mijn voornemen tot het opleggen van de boete berust, gemotiveerd te betwisten. Indien u dat wenst kunt u uw standpunt ook mondeling toelichten. Ik verzoek u hiervoor eveneens vóór 2 mei 2003 een afspraak met mij te maken. (...)"

3.18. Bij brief van 31 mei 2003 deelt de Inspecteur belanghebbende mede:

"(...) Op 18 april 2003 heb ik uw advocaat schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had aan u navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting met vergrijpboeten op te leggen over de jaren 1991 tot en met 2000. Ik heb uw advocaat daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. Op mijn brief is niet gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn constatering juist is en leg ik de aangekondigde navorderingsaanslagen en boeten op. (...)"

3.19. Tot de gedingstukken behoren drie afdrukken van microfiches, onder meer vermeldend de naamcombinatie "[Voornaam X][Achternaam X]-[Meisjesnaam Y]", de rekeningcoderingen "[...]" met de lettercode "IT" en valutacode "678", "[...]" met de lettercode "NL" en valutacode "040" en "[...]" met de lettercode "NL" en valutacode "040" (Nederlandse gulden) en met vermelding van de saldi per 31 januari 1994 van respectievelijk 152.000, ƒ 392.744,56 en ƒ 228,07.

3.20. De FIOD heeft getracht te achterhalen wie de houder van deze rekening is. Met betrekking tot die identificatie vermeldt het door [Ambtenaar 1], ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 15 juli 2005:

"Proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject

Gefisnummer

Codenummer

AH/03

Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxemburg t.n.v.

[Voornaam X][Achternaam X]-[Meisjesnaam Y]

Rekeningnummer [...]

Ik,

Verbalisant: [Ambtenaar 1],

ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD-ECD/kantoor [P], Opsporingsinformatie, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer [...], verklaar het volgende.

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie [P] zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld.

a) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

b) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

c) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord "ou" (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord "ou" (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

I. Het Franse woord "ou" (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met

achternaam

II. Het Franse woord "ou" (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (=Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen. Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

a) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

b) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

c) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

De gevonden sofinummers zijn gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is verkregen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

In een aantal gevallen zijn op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) uittreksels gevraagd uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) en is tegen betaling via internet informatie verkregen uit de openbare registers van het Kadaster.

Door de FIOD-ECD/kantoor [P]/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.

Ter illustratie van de gemaakte selecties is het volgende fictieve voorbeeld opgenomen. Op de microfiches staat als rekeninghouder "Jan Jansen-Pietersen". Uit het BVR-bestand heeft B/KIR de hierboven genoemde combinaties van de achternamen geselecteerd met als eerste letter "J": b.v. "J.*. Jansen met *. Pietersen" en "*. Jansen met J.*. Pietersen".

Uit het RDW-bestand zijn de voornamen (indien bekend) erbij gezocht:

b.v. Johan Jansen met Aaltje Pietersen of (indien onbekend) J Jansen met Tim Pietersen

Het digitaal ondersteuningsteam heeft uit deze selectie de "niet gezochte" voornamen verwijderd, b.v Johan Jansen met Aaltje Pietersen verwijderd, maar J. Jansen met Tim Pietersen laten staan.

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[Voornaam X][Achternaam X]-[Meisjesnaam Y].

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [Voornaam X][Achternaam X], gehuwd met mw. [Meisjesnaam Y].

3. Uit de match van het clientenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [Voorletters X][Achternaam X] de partner is van mw. [Meisjesnaam Y]. Dit is [Voorletters X][Achternaam X], geboren op [...]1955, met sofinummer [...], gehuwd met [Voorletters Y][Achternaam Y], geboren op [...]1955, met sofinummer [...].

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [Voorletters X][Achternaam X] is: [Voornaam X].

Conclusie.

Uit de match van de rekeninghouders, zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden komt voornoemde [Voornaam X][Achternaam X]-[Meisjesnaam Y]als en houder van de KB Lux rekening [...] in aanmerking.

Opgemaakt op ambtsbelofte, gesloten en getekend te [P] op 15 juli 2005.

[Ambtenaar 1]"

Omschrijving geschil en standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende voor de jaren 1991 tot en met 2000 kan worden betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen ter zake van rente-inkomsten uit bij KBL aangehouden tegoeden en voor de jaren 1992 tot en met 2000 kan worden betrokken in de heffing van de vermogensbelasting ter zake van die tegoeden, alsmede of terecht verhogingen dan wel boeten zijn opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake de heffingsrente.

4.4. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar, behoudens vermindering van de verhogingen en boeten in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het beroep

Rekeninghouderschap

5.1. Gegeven de verklaring van belanghebbende houder te zijn van KBL-rekening [...] en de door de Inspecteur ingebrachte stukken, merkt het Hof als vaststaand aan dat belanghebbende houder is of is geweest van die rekening.

Verkrijging microfiches

5.2.1. De voor het bewijs gebezigde kopieën van microfiches zijn door de Belgische belastingautoriteit aan de Nederlandse Belastingdienst verstrekt op basis van artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen. Er bestaat onvoldoende aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding of bemachtiging van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse Belastingdienst geen redenen aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de gegevens van de microfiches ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.

5.2.2. De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan gebruik van dat materiaal in een fiscale procedure. Daarnaast is niet gebleken dat Nederlandse overheidsdienaren betrokken zijn geweest bij een onregelmatigheid, zoals diefstal of verduistering van de documenten van KBL, of dat zij op andere wijze onrechtmatig gedrag van werknemers of ex-werknemers van KBL hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.

5.2.3. Indien al zou moeten worden aangenomen dat de Belgische autoriteiten zich in het kader van het in handen krijgen van de microfiches onrechtmatig hebben gedragen, kan evenmin worden gezegd dat de gegevens door de Nederlandse Belastingdienst zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. Het Hof gaat dan ook voorbij aan het aanbod van belanghebbende getuigen te horen omtrent gedragingen door de Belgische autoriteiten.

5.2.4. De Belgische belastingautoriteit heeft in haar brief van 27 oktober 2000 expliciet verklaard dat de fotokopieën afkomstig zijn van microfiches behorende tot de administratie van KBL. In haar brief van 20 februari 2003 is vermeld op welke wijze de Belgische belastingautoriteit zich ervan heeft vergewist dat de microfiches afkomstig zijn van KBL. De Inspecteur stelt dat de valutacodes op de microfiches overeenkomen met de valutacodes van KBL en dat uit een onderzoek van de inhoud van een aantal fotokopieën is gebleken dat het microfiches zijn met rekeninggegevens bij KBL. Tegenover deze stelling heeft belanghebbende in wezen aangevoerd dat de gegevens op de afdrukken van de microfiches als onbetrouwbaar dienen te worden gekwalificeerd, waardoor deze gegevens niet kunnen worden gebruikt voor het opleggen van aanslagen, verhogingen en boeten.

5.2.5. Gelet op het gemotiveerde betoog van de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende diens stelling aannemelijk te maken. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen substantieel bewijs voor de juistheid van zijn stelling bijgebracht. Gelet op het overwogene in 5.2.3 en 5.2.4 acht het Hof aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij KBL en dat de microfiches bedoeld onder 3.19 ook uit de administratie van KBL afkomstig zijn.

Navorderingstermijn

5.3.1. Zijn er aanwijzingen van het bestaan van in een andere lidstaat aangehouden tegoeden en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die geldt voor navordering van belasting in verband met tegoeden in de eigen lidstaat, dan moet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, na het opkomen van de aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (1) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en met (2) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de aanslag aan de hand van de gegevens die de Inspecteur ter beschikking staan. Zulks geldt ongeacht of de aanwijzingen zijn verkregen binnen of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen lidstaat, en zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat een bankgeheim kent.

5.3.2. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1991 tot en met 2000 zijn opgelegd met dagtekening 31 mei 2003 en 27 juni 2003. De navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1998 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. De Inspecteur heeft voor het doen van aangifte geen uitstel verleend. Vaststaat dat de Inspecteur vanaf 27 oktober 2000 beschikte over aanwijzingen van het bestaan van de KBL-rekening. Voor elk van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de KBL-rekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

5.3.3. De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie van belanghebbende en het overige fiscale onderzoek, is naar 's Hofs oordeel voor elk van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn niet aanvaardbaar. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende in reactie op vragen van de Inspecteur direct heeft erkend over de rekening te hebben beschikt en direct zodanige informatie heeft verstrekt over die rekening dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen aanzienlijk eerder had moeten opleggen. De omstandigheid dat de Inspecteur vóór het opleggen van de aanslagen eerst heeft getracht met belanghebbende tot een vaststellingsovereenkomst te komen en nadien heeft gediscussieerd met gemachtigde van belanghebbende laat zulks onverlet. De navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1998 kunnen daarom niet in stand blijven.

5.3.4. Belanghebbende heeft nog gesteld dat ook de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd en dat deze aanslagen om die reden niet in stand kunnen blijven. Het Hof verwerpt die stelling, omdat het beginsel van evenredigheid niet meebrengt dat het vereiste van voortvarendheid geldt met betrekking tot navorderingsaanslagen die zijn opgelegd binnen de vijfjaarstermijn.

Redelijke schatting

5.4.1. Belanghebbende is door het Hof aangemerkt als houder van de rekening bij KBL. Hij heeft aan het onderzoek van de Inspecteur volledige medewerking verleend. Naar de Inspecteur onvoldoende weersproken heeft verklaard is bij de berekening van de navorderingsaanslagen uitgegaan van de door belanghebbende verstrekte gegevens, zodat geen sprake is van een schatting.

5.4.2. Mede gegeven het feit dat belanghebbende de omvang van de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1998, 1999 en 2000 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1999 en 2000 niet heeft betwist, is het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de na te vorderen belasting met inachtneming van deze gegevens niet te hoog heeft vastgesteld.

Boeten

5.5.1. Gegeven het vorenoverwogene aanvaardt het Hof de informatie op de microfiches, zal het van die informatie uitgaan en zal het zich richten op de vraag of de Inspecteur voor elk van de in geding zijnde jaren is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan. Meer specifiek, nu de Inspecteur belanghebbende voor elk van de nog in geding zijnde jaren heeft beboet omdat het aan diens opzet is te wijten dat te weinig belasting is geheven, rust op de Inspecteur de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren voor de belastingheffing opzettelijk relevante tegoeden en rentebaten niet heeft verantwoord.

5.5.2. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur hem niet heeft gewezen op diens zwijgrecht, wat daarvan overigens ook zij, is van belang dat de bekendheid met het bestaan van KBL-rekening [...] niet - direct of indirect - is gebaseerd op een verklaring van belanghebbende of op andere informatie die haar bestaan dankt aan de wil van belanghebbende.

5.5.3. Het gaat in deze zaak niet om het vergaren van gegevens ten behoeve van strafvervolging of het opleggen van boeten, maar om het verkrijgen van bestaande bankgegevens ten behoeve van een juiste belastingheffing, tot het verschaffen van welke gegevens belanghebbende op basis van artikel 47 AWR verplicht is. Van deze verplichting was belanghebbende niet ontslagen, wanneer die gegevens aanleiding zouden kunnen zijn strafvervolging tegen hem te beginnen of zouden kunnen worden gebruikt bij een reeds begonnen criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De omstandigheid dat belanghebbende zich mogelijk reeds als verdachte beschouwde van het doen van een onjuiste aangifte en dat hij mogelijk verwachtte dat hem een boete zou worden opgelegd, brengt niet mee dat hij gerechtigd was niet te voldoen aan het verzoek van de Inspecteur de gegevens te verstrekken.

5.5.4. De vraag of, en zo ja in hoeverre, van de gegevens gebruik kan worden gemaakt bij het opleggen van een boete, komt eerst aan de orde bij de "determination of a criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM.

5.5.5. Belanghebbende behoeft niet te bewijzen dat hij niet een beboetbaar feit heeft begaan. Hij is ook niet in de positie gebracht te bewijzen dat hij niet een beboetbaar feit heeft begaan.

5.5.6. Het Hof heeft hiervoor vastgesteld dat de Inspecteur voor het opleggen van de boeten is geslaagd in het bewijs dat belanghebbende in de onderwerpelijke jaren houder van KBL-rekening [...] is geweest. Met inachtneming van de hiervoor weergegeven criteria stelt het Hof verder vast, gelet op de gegevens op de microfiches, dat belanghebbende bij KBL - een bank met een bankgeheim - een bankrekening heeft geopend en heeft aangehouden en dat hij de tegoeden en de daarmee behaalde voordelen buiten het zicht van de fiscus heeft gehouden. Aan die vaststelling, in samenhang met 's Hofs overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel dat belanghebbende voor elk van de nog in geding zijnde jaren te weinig belasting heeft betaald, ontleent het Hof het vermoeden dat het voor elk van die jaren aan opzet van belanghebbende is te wijten dat hij tot het uiteindelijke beloop van de navorderingsaanslagen, te weinig belasting heeft betaald. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt waaruit een argument is te destilleren dat vermoeden ontzenuwd te achten.

5.5.7. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende met betrekking tot elk van de nog in geding zijnde jaren het beboetbare feit heeft begaan door bedragen aan inkomsten en vermogen niet in diens aangiften te verantwoorden, en dat het niet anders kan dan dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat van hem te weinig belasting is geheven.

5.5.8. Voor de hoogte van de uiteindelijk voor elk van de betrokken jaren gepleegd beboetbaar feit opgelegde boete en ter beantwoording van de vraag of deze boete telkens passend en geboden is, neemt het Hof als uitgangspunt dat, naar de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, belanghebbende gedurende een reeks van jaren tegoeden op een bankrekening heeft aangehouden in een land met een bankgeheim, met de bedoeling de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, en dat bij de beboeting de omvang van de verzwegen belasting dient te worden bepaald aan de hand van de bedragen die voor de heffing zijn vastgesteld. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en overigens uit de gedingstukken naar voren komt, is overigens geen concrete aanwijzing te putten dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld.

5.5.9. Het Hof acht de Inspecteur geslaagd voor elk van de nog in geding zijnde jaren aannemelijk te maken dat belanghebbende uitgaande van de hem toegedichte tegoeden en rentebaten de fiscale faciliteiten volledig heeft benut en dat belanghebbende aldus opzettelijk voor de belastingheffing in aanmerking komende tegoeden en rentebaten buiten het zicht van de fiscus heeft gehouden en acht, mede met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, voor elk betrokken jaar een boete van 50 percent op zichzelf juist. De Inspecteur heeft derhalve terecht de boeten toegepast, nu sprake is van een ernstig vergrijp.

5.5.10. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de eerste vragenbrief van de Inspecteur verklaard houder te zijn van KBL-rekening [...] en heeft direct opening van zaken gegeven, in verband waarmee de Inspecteur boeten heeft opgelegd van 50 percent. Naar het oordeel van het Hof is de attitude van een belastingplichtige die de Inspecteur niets verklaart feitelijk een andere dan die van een belastingplichtige die de Inspecteur onverwijld openheid van zaken biedt, zoals belanghebbende. Belanghebbende heeft hiermee uiting gegeven aan het besef dat aan de inlichtingenplicht behoort te worden voldaan. Daarmee is naar het oordeel van het Hof sprake van een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging de boeten tot 30 percent te beperken. Boeten van 30 percent acht het Hof in dit geval passend, gelet op de aard van het vergrijp, en geboden, uit een oogpunt van normhandhaving, behoudens de gevolgen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5.5.11. Nu sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar, worden, met inachtneming van een vermindering van 20 percent, de boeten vastgesteld op 24 percent. In zoverre slaagt het beroep.

Slot

5.6. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en aan stukken heeft ingebracht heeft hij naar 's Hofs oordeel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan anders, formeel of inhoudelijk, over het beroep moet worden geoordeeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak) en in bezwaar (2 punten à € 161 x 2 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient het griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraken op bezwaar die zien op een verhoging of een boete;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1997, betreffende de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1998 en betreffende de bijbehorende beschikkingen heffingsrente;

- vernietigt die navorderingsaanslagen, telkens met inbegrip van de daarin begrepen verhoging, en die beschikkingen heffingsrente;

- wijzigt de boetebeschikkingen aldus, dat telkens de boete wordt vastgesteld op 24 percent van de belasting;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.932; en

- gelast de Inspecteur het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier dra. M.A. van der Valk. De beslissing is op 3 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.