Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6396

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
22-005261-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BO0058, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting bij een café en vernieling en onbruikbaarmaking van een auto.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 217 (tweehonderdzeventien) dagen. Het Hof gelast dat de verdachte wordt ter beschikking gesteld zich klinisch te laten behandelen, medicatie innemen etc. etc.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005261-10

Parketnummers: 10-661185-09 en 10-437350-09

Datum uitspraak: 20 februari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair en 5 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en is de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 6 tenlastegelegde schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Daarnaast zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte van 22 oktober 2010 is het hoger beroep door de officier van justitie partieel ingesteld tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken van het onder 2 en 5 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een café/pand, gelegen aan of nabij de Weteringstraat, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een of meer (rieten) stoel(en) op het terras van dat café/pand aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer (rieten) stoel(en) en/of dat café/pand, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat café/pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- dat café/pand en/of de in dat café/pand aanwezige goederen en/of

- de boven en/of naast dat café/pand gelegen woning(en)/pand(en) en/of daarin aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

levensgevaar voor de in de boven en/of naast dat café/pand gelegen woning(en)/pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een of meer gebouw(en), te weten een café en/of een of meer woning(en), althans pand(en), gelegen aan of nabij de Weteringstraat, en/of een of meer in die gebouw(en)/pand(en) aanwezige goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eetcafé Napoleon en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door een of meer (rieten) stoel(en) op het terras van dat café/pand aan te steken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met een of meer (rieten) stoel(en) en/of dat café/pand en/of dat/die woning(en);

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2009 te Rotterdam op of aan de openbare weg, het Malagapad, in elk geval een openbare weg, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (aldaar geparkeerd staande) (personen)auto (merk/type Mazda 2), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk één of meer lap(pen) stof aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meer lap(pen) stof, athans (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die lap(pen) stof, althans die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking gebracht met die (personen)auto, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer (in de nabijheid geparkeerd staande) auto('s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk/type Mazda 2), geparkeerd staande op of nabij het Malagapad, en/of een of meer in die (personen)auto aanwezige goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] en/of Mazda Mulder BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door één of meer lap(pen) stof, althans (een) brandbare stof(fen) en/of die (personen)auto aan te steken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met één of meer lap(pen) stof, althans (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die lap(pen) stof, althans die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking te brengen met die (personen)auto;

3.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 juni 2009 te Rotterdam op of aan de openbare weg, het Malagapad, in elk geval een openbare weg, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (aldaar geparkeerd staande) (personen)auto (merk/type Fiat Cinquecento), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandbare stof(fen) en/of die (personen)auto aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking gebracht met die (personen)auto, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer (in de nabijheid geparkeerd staande) auto('s) en/of woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk/type Fiat Cinquecento), geparkeerd staande op of nabij het Malagapad, en/of een of meer in die (personen)auto aanwezige goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door (een) brandbare stof(fen) en/of die (personen)auto aan te steken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking te brengen met die (personen)auto;

5.

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een woning/pand, gelegen aan of nabij de Berkelstraat, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een plastic tas inhoudende een of meer servet(ten) tussen/bij (de spijlen van) het balkon van die woning geplaatst en/of (vervolgens) die tas en/of (een) servet(ten) aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een tas inhoudende een of meer servet(ten) en/of (de spijlen van) het balkon van die woning, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die/dat tas en/of servet(ten) en/of balkon geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning/dat pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of de in die woning/dat pand aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/bij een woning/pand, gelegen aan of nabij de Berkelstraat, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gemeen gevaar voor personen te duchten was, met dat opzet een plastic tas inhoudende een of meer servet(ten) tussen/bij (de spijlen van) het balkon van die woning heeft geplaatst en/of (vervolgens) die tas en/of (een) servet(ten) heeft aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een tas inhoudende een of meer servet(ten) en/of (de spijlen van) het balkon van die woning/dat pand, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk (de spijlen van) het balkon van een woning/pand, gelegen aan of nabij de Berkelstraat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Woningbouwvereniging Woonstad Rotterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door een plastic tas inhoudende een of meer servet(ten) tussen/bij (de spijlen van) het balkon van die woning te plaatsen en/of (vervolgens) die tas en/of (een) servet(ten) aan te steken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met een tas inhoudende een of meer servet(ten) en/of (de spijlen van) het balkon van die woning/dat pand;

6.

hij op of omstreeks 26 juli 2009 te Rotterdam op of aan de weg, te weten het Langepad, een luchtdrukwapen, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Feit 2 (brand Mazda) en feit 5 (brand balkon)

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde en het onder 5 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat - kort gezegd - het de verdachte is geweest die de betreffende Mazda aan het Malagapad te Rotterdam in brand heeft gestoken en die brand heeft gesticht bij het pand aan de Berkelstraat te Rotterdam.

Met betrekking tot de brand in de Mazda omvat het dossier weliswaar een verklaring van een getuige die een man brand zag stichten bij de auto, maar het door hem gegeven signalement is naar 's hofs oordeel dermate algemeen, dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte de dader is geweest. Verdere aanwijzingen dienaangaande ontbreken.

Ten aanzien van de brand bij het pand aan de Berkelstraat bevindt zich in het dossier een - in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juli 2009 vervatte - verklaring van getuige [getuige], die de verdachte heeft gezien in de buurt van de plaats delict. Het daarin beschreven, door de getuige als vreemd beoordeelde, gedrag van de verdachte acht het hof echter onvoldoende om de verdachte met die brand in verband te brengen. Overig hard bewijs dat in de richting van de verdachte wijst, ontbreekt in het dossier.

De door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden, inhoudende dat steeds een verband kan worden aangebracht tussen bij de verdachte oplopende spanningen en de ontstane branden, dat de feiten binnen een nauwe cirkel rond zijn woning zijn gepleegd en dat hij eerder is veroordeeld wegens dezelfde delictsoorten en onder dezelfde omstandigheden, acht het hof bepaald ontoereikend om te kunnen concluderen dat de verdachte het onder 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Mitsdien behoort de verdachte van het hem onder 2 primair en subsidiair en het onder 5 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Feit 3 primair (brand Fiat)

Voorts is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat het onder 3 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte op 30 juni 2009 brand heeft gesticht in de Fiat Cinquecento, die geparkeerd stond aan het Malagapad te

's-Gravenhage. Het dossier bevat echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat door de brandstichting gevaar voor zich in de nabijheid bevindende auto's en woningen en aldus gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Zo ontbreekt in het dossier een adequate situatieschets waarop de positie van de Fiat ten opzichte van de meest nabije auto's en woningen is te zien. In het dossier bevindt zich slechts een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2009 waarin wordt gerelateerd dat de auto met de achterzijde bij bosschages stond geparkeerd, waartussen meerdere bomen stonden. De relaterende verbalisant stelt dat deze bomen dusdanig in de buurt van aangrenzende woningen stonden dat er een aannemelijke (het hof begrijpt: aanmerkelijke) kans bestond dat, wanneer de bomen vlam zouden vatten, de aangrenzende woningen eveneens vlam zouden vatten. Voorts wordt door de verbalisant beschreven dat het voertuig in de buurt van andere geparkeerd staande voertuigen stond.

Deze bevindingen vormen naar 's hofs oordeel echter slechts inschattingen van een daartoe niet als deskundige aan te merken verbalisant en betreffen geen nauwkeurige vaststelling van relevante feiten en omstandigheden. Op basis van dergelijke gegevens kan het hof niet vaststellen dat er een reële kans bestond dat de brand zou overslaan naar de woningen en auto's, zodat mitsdien niet kan worden bewezen dat er gevaar voor die woningen en auto's te duchten was. Evenmin is gebleken dat door de brand voor andere goederen gevaar dreigde. De latere brief van de brandweer d.d. 22 november 2011 vermeldt ten aanzien van deze brand slechts: "T.a.v. de gevaarzetting bij deze brand zijn, behoudens de schade aan de auto zelf, geen bijzonderheden gebleken".

De verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken van het hem onder 3 primair tenlastegelegde.

Feit 6 (wapenbezit)

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht bij een café, gelegen aan de Weteringstraat, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met rieten stoelen, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en dat café gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- dat café en de in dat café aanwezige goederen en

- de boven dat café gelegen woningen en daarin aanwezige goederen, en levensgevaar voor de in de boven dat café gelegen woningen aanwezige personen te duchten was;

3.

hij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personen auto (merk/type Fiat Cinquecento), geparkeerd staande op of nabij het Malagapad, toebehorende aan [benadeelde partij 4], heeft vernield en onbruikbaar gemaakt door opzettelijk vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen) en/of die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking te brengen met die personenauto.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Met betrekking tot feit 1

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnotities op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - er onvoldoende bewijs is dat er levensgevaar was te duchten van het in brand steken van de stoelen bij café Napoleon. Subsidiair heeft zij betoogd dat causaal verband ontbreekt tussen het in brand steken van de stoelen door de verdachte en het mogelijk daarvan te duchten levensgevaar.

Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een stapel rieten stoelen in brand heeft gestoken, welke stoelen zich recht onder een balkon van een woning bevonden. Het hof is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat het stichten van brand onder die omstandigheden levensgevaar genereert voor de zich in die woning (en de aangrenzende woningen) bevindende personen. Gebleken is dat gedurende de brand in die woningen ook personen aanwezig waren. Het hof ziet geen aanleiding om de verdachte het ontstaan van dat levensgevaar niet redelijkerwijs toe te rekenen.

Met betrekking tot feit 3

De raadsvrouw heeft zich voorts overeenkomstig haar pleitnotities op het standpunt gesteld dat - kort

gezegd - de door de getuige [getuige] bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen zodanige tegenstrijdigheden bevatten, dat zijn verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om tot bewijs van het tenlastegelegde te kunnen worden gebezigd. Ook de factor dat de getuige [getuige] niet heeft ontkend dat hij de verdachte had gechanteerd, vormt volgens de raadsvrouw aanleiding zijn verklaringen onvoldoende betrouwbaar te achten om tot bewijs te bezigen.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de getuige [getuige] voor wat betreft het aanwijzen van de verdachte als stichter van de brand in de Fiat betrouwbaar en kunnen die daarom ook voor het bewijs van het tenlastegelegde worden gebezigd. Dat de getuige [getuige] niet heeft ontkend dat hij de verdachte zou hebben gezegd hem aan te geven bij de politie indien de verdachte de schade aan zijn scooter niet zou vergoeden, maakt dat oordeel niet anders, aangezien geenszins aannemelijk is geworden dat de getuige zijn verklaringen omtrent de brand in de Fiat om die reden heeft verzonnen.

Het verweer terzake wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft - in tegenstelling tot zijn schriftelijke vordering - gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de in het vonnis gegeven beslissingen ter zake van het onder 4 en 6 tenlastegelegde, ter zake van de vordering van de benadeelde partij - voor zover deze in hoger beroep nog aan de orde zou zijn - alsmede ter zake van de straf en de motivering daarvan, met dien verstande, dat de advocaat-generaal ter zake van het onder 4 en het onder 6 tenlastegelegde - in afwijking van de overgelegde schriftelijke vordering, ter terechtzitting mondeling - heeft geconcludeerd tot vrijspraak en ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft geconcludeerd tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren alsmede tot de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, met bepaling dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Motivering van de straf en de op te leggen maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - brandstichting bij een café en vernieling en onbruikbaarmaking van een auto, een en ander op de wijze als nader omschreven in de bewezenverklaring.

Dit zijn ernstige feiten, die angst en onrust in de samenleving veroorzaken en waardoor grote financiële schade aan de benadeelden wordt berokkend. De verdachte treft het ernstige verwijt dat door de brandstichting niet alleen gemeen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar voor de bovenburen van het café is ontstaan, die op het moment van de brand lagen te slapen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor brandstichtingen en vernielingen. In 2004 is de verdachte wegens brandstichtingen de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met 9 dagen is geschonden.

Gelet op de geringe mate van overschrijding, is het hof evenwel van oordeel dat aan de voornoemde schending geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer kennisgenomen van de hierna - kort en achtereenvolgens - te bespreken schriftelijke bescheiden, te weten:

- het Pro Justitia rapport d.d. 3 juni 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. J.J. van der Weele, psycholoog NIP/BIG;

-het Pro Justitia rapport d.d. 28 mei 2011, opgemaakt en ondertekend door dr. B.A. Blansjaar, NIFP-psychiater;

- het reclasseringsadvies ten behoeve van tbs met voorwaarden van GGZ Bouman Toezicht Rotterdam d.d. 31 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door J. van der Sande.

De psychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een cluster B persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk antisociale en in mindere mate borderline kenmerken, alsmede van een deels daaruit voortgekomen ziekelijke stoornis in de vorm van een ernstige en langdurige verslaving aan met name alcohol, cannabis en cocaïne. De diagnose pyromanie kon niet worden gesteld. Naar de bevindingen van de psychiater was de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beperkt in zijn gedragskeuzes en gedragingen, doordat hij zich niet adequaat teweer kon stellen tegen zijn verslaving en geneigd was tot impulsief en acting out-gedrag. Op grond van deze gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een cluster B persoonlijkheidsstoornis wordt geadviseerd de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde te beschouwen.

Ook de psycholoog concludeert dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van middelenafhankelijkheid en aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens met voornamelijk borderline en antisociale kenmerken. De psycholoog heeft de diagnose pyromanie evenmin kunnen stellen. Naar de bevindingen van de psycholoog leiden gevoelens van nutteloosheid en leegte tot overmatig middelengebruik, hetgeen escaleert wanneer een gebeurtenis de verdachte frustreert of kwaad maakt. De psycholoog overweegt dat de verdachte zich desalniettemin volledig bewust is van escalatiegevaar indien hij vanuit woede of frustratie middelen gebruikt, zodat zijn besluit om in dergelijke gevallen geen middelen te gebruiken volgens de psycholoog nog wel in redelijke vrijheid genomen zou kunnen worden. Om die reden wordt de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Het hof neemt deze conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over.

De psychiater heeft in zijn rapportage aangegeven dat hij de kans op recidive verhoogd inschat, met name door de ernstige en langdurige verslaving van de verdachte. Ook de psycholoog acht de kans op herhaling zonder adequate behandeling duidelijk verhoogd. Hij overweegt daarbij dat situatieve factoren en middelengebruik daarop van invloed zijn. Ter verlaging van het recidiverisico komt de psycholoog tot de aanbeveling van een in eerste instantie 24-uursopname in een instelling gericht op zowel verslavings- als persoonlijkheidsproblematiek, van waaruit kan worden toe gewerkt naar resocialisatie en een uitbouw van de zelfredzaamheid van de verdachte. Volgens inschatting van de psychiater wordt de kans op recidive eveneens verlaagd door adequate behandeling van de verslaving en door resocialisatie. Hij komt tot de aanbeveling van een aanvankelijk klinische en later ambulante behandeling van zijn verslaving en resocialisatie. Op grond van hun bevindingen adviseren zowel de psycholoog als de psychiater de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Aan de hand van voormelde rapportages heeft de reclassering de (on)mogelijkheden van terbeschikkingstelling met voorwaarden onderzocht en daaromtrent een maatregelenrapport opgesteld.

Uit het reclasseringsadvies ten behoeve van tbs met voorwaarden van GGZ Bouman Toezicht Rotterdam d.d. 31 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door J. van der Sande, blijkt het volgende.

Mede gelet op de bevindingen van de psycholoog en de psychiater adviseren de rapporteurs van GGZ Bouman een hoog beveiligde en gestructureerde klinische opname, waarin de verdachte kan worden behandeld. Deze behandeling kan volgens hen het beste plaatsvinden middels opname in de Forensische Verslavingskliniek (FVK), een samenwerking tussen Bouman GGZ en De Kijvelanden, waartoe een indicatie bij Indicatiestelling Forensische Zorg is verkregen en waartoe de verdachte reeds op de wachtlijst is geplaatst. De behandeling bij de FVK zal zes tot negen maanden duren alvorens de verdachte kan doorstromen naar de resocialisatiefase binnen de forensische afdeling van Bouman GGZ. Volgens de FVK kan de verdachte, afhankelijk van de uitspraak in de onderhavige strafzaak, de laatste week van februari 2012 worden geplaatst in de kliniek.

De rapporteurs adviseren, indien het hof tot terbeschikkingstelling met voorwaarden zou besluiten, een aantal met name genoemde voorwaarden te stellen.

De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 februari 2012 uitdrukkelijk bereid verklaard de door de reclassering geformuleerde voorwaarden na te leven. Tevens heeft hij zich uitdrukkelijk bereid verklaard om een aanvullende voorwaarde na te leven, inhoudende zijn medewerking aan een behandeling in het kader van agressieregulatietraining of een andere training, indien deze behandeling bij een andere instelling dan Bouman GGZ of De Kijvelanden plaatsvindt.

Het hof overweegt het navolgende.

Op het thans onder meer bewezenverklaarde misdrijf van

- kort gezegd - brandstichting met levensgevaar, is een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren gesteld.

Op grond van de vorenstaande rapportages stelt het hof vast dat er bij de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Gelet op de adviezen van de rapporteurs komt het hof - met de advocaat-generaal - tot het oordeel dat kan worden afgezien van een bevel tot verpleging van overheidswege.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat oplegging aan de verdachte van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, passend en geboden is.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof zal bepalen dat de op te leggen maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Het hof acht het van belang dat de verdachte reeds wordt opgenomen in de FVK voordat het arrest onherroepelijk is geworden. Derhalve zal het gerechtshof de duur van de op te leggen gevangenisstraf zodanig bepalen, dat deze expireert op het moment waarop opname in de kliniek kan worden geëffectueerd, namelijk uiterlijk op 29 februari 2012. Het hof zal bovendien de maatregel van terbeschikkingstelling met de door de reclassering genoemde voorwaarden en in dit arrest vermelde aanvullende voorwaarde dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen artikelen 14a, 14b, 14c, 37a, 38, 38a, 55, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. Voorts heeft het hof gelet op artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit gold ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2012.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair, 5 primair, subsidiair en meer subsidiair en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 217 (tweehonderdzeventien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) dag, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de navolgende voorwaarden:

- de verdachte laat zich aansluitend op zijn detentie klinisch behandelen bij FVK Bouman GGZ en De Kijvelanden, of een vergelijkbare instelling, zolang dit door zijn behandelaars nodig wordt geacht;

- de verdachte zal, indien hem medicatie wordt voorgeschreven, deze medicatie innemen en zich hierop zo nodig laten controleren, zolang dit door zijn behandelaars nodig wordt geacht;

- de verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van zijn behandelaars en de reclassering;

- de verdachte onthoudt zich van het plegen van strafbare feiten;

- de verdachte stelt zich begeleidbaar op en geeft openheid van zaken over alle leefgebieden;

- de verdachte zet zich actief in voor het verkrijgen en houden van een dagbesteding;

- de verdachte werkt mee aan het resocialisatieplan zoals dat door zijn behandelaars en de reclassering wordt opgesteld;

- de verdachte werkt mee aan crisisopname bij Bouman GGZ of een soortgelijke instelling bij terugval in middelengebruik, indien dit door de reclassering en/of zijn behandelaars noodzakelijk wordt geacht;

- de verdachte werkt mee aan een behandeling in het kader van agressieregulatietraining of een andere training, indien deze behandeling bij een andere instelling dan Bouman GGZ of De Kijvelanden plaatsvindt;

- de verdachte onthoudt zich van middelengebruik en verleent zijn medewerking aan urine- en drugscreening (UDS);

- de verdachte verleent toestemming aan de reclassering om informatie uit te wisselen met behandelaars, begeleiders en zijn sociale netwerk;

- de verdachte geeft openheid over zijn verblijfplaats en wijzigt niet van woonadres zonder overleg met en toestemming van de reclassering.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. G.P.A. Aler en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 februari 2012.